Een reconstructie van de onderhandelingen met o.a. acteurs Bartłomiej Firlet en Marek Bielecki © EO

Wolfgang Schäuble (1942), ex-minister en tot voor kort voorzitter van de Duitse Bondsdag, hoorde op het gymnasium in de jaren vijftig niets over de holocaust. Gabriele Tergit (1894-1982, auteur van onder meer de familiegeschiedenis Effingers en in 1933 via Palestina naar Engeland gevlucht) ontmoette in 1948, tijdens haar eerste naoorlogse Berlijn-reis, naast onthutsend antisemitisme nog veel meer zwijgen en ontkenning (Etwas seltenes Überhaupt: Erinnerungen – 1983; 2019). Sterker: er was vooral aandacht voor het Duitse lot, blijkt uit Harald Jähners indrukwekkende Wolfstijd. Duitsland en de Duitsers 1945-1955 (2020). ‘In de pers, in pamfletten en traktaten kwam men superlatieven te kort om het leed van het Duitse volk hoog boven dat van de andere te plaatsen. Van verdringen in letterlijke zin was dus geen sprake: de auteurs wentelden zich zo breeduit in eigen leed dat er geen plaats en aandacht meer was voor de echte slachtoffers. (…) In alle breedsprakige betogen bleef één onderwerp hardnekkig buiten beschouwing: de moord op de Europese joden.’.

Schäuble zag en hoorde ik als een van de talloze talking heads in de Amerikaanse documentaire Reckonings van Roberta Grossman: over Duitse herstelbetalingen aan Israël en de joodse wereldgemeenschap in de jaren vijftig. Tergit en Jähner drongen zich als associaties op omdat de aan hen ontleende context in de overigens indrukwekkende en belangrijke film minder aan bod komt. Reckonings wordt donderdag uitgezonden aan de vooravond van de Internationale Holocaust Herdenkingsdag. Nederlandse connectie is dat een groot deel van de onderhandelingen in 1951 in het geheim plaats vond op kasteel Oud-Wassenaar, maar voor de beladen materie zelf maakt dat uiteraard niets uit.

Was het mogelijk de enormiteit van een rationeel uitgevoerde genocide op enige manier te compenseren? Uiteraard niet. Was dat zelfs wel gewenst door overlevenden? De verdeeldheid onder hen was extreem. De enige keer dat de Knesset is bestormd was toen de regering-Ben Goerion besloot tot onderhandeling met die andere jonge staat: de Bondsrepubliek Duitsland onder leiding van Konrad Adenauer. Hoe kon je bloedgeld vragen van massaslachters, vroegen Menachem Begin en medestanders. Vernederend en weerzinwekkend werd het gevonden. ‘De moordenaars wassen hun schuld af’. Maar Ben Goerion leidde, door de oorlog met Arabische landen en door de komst van 700.000 immigranten bovenop een bevolking van 600.000, een land met lege schatkist. En, zoals Moshe Sharett, minister van Buitenlandse Zaken, bij de debatten zei: ‘De joden zijn dood, maar de Duitsers genieten nog altijd van de buit, verkregen door moord en plundering door hun vorige leiders.’ De Knesset ging met de kleinst mogelijke meerderheid akkoord. Radicale tegenstanders deden later nog wel een mislukte bombriefaanslag op Adenauer, waarbij een ambtenaar omkwam.

Israël’s premier David Ben-Gurion treft bondskanselier Konrad Adenauer in New York, 1960 © EO

Bij de andere ‘partij’ lag het evenzeer, maar totaal anders, complex. Bestorming van de Bundestag door radicale antisemieten was uiteraard niet het equivalent – die hielden, zo niet gevangen, zich koest. Maar bij geallieerde enquêtes in de westelijke bezette zones met de vraag wie als grootste slachtoffers van nazi’s en oorlog werden gezien, stonden joden steevast onderaan. Breed draagvlak onder de bevolking voor schuldbekentenis en materiële compensatie was er bepaald niet: maar elf procent van een volk, dat zichzelf in meerderheid als grootste slachtoffer zag, steunde dat, bleek uit onderzoek. Bovendien lag het land nog deels in puin, dus schuld bekennen ging niet alleen psychologisch maar ook materieel behoorlijk pijn doen.

Soms zijn regeringen, politici, gewetensvoller dan grote delen van de bevolking. Op 27 september 1951 sprak Adenauer in de Bondsdag over ‘onuitsprekelijke misdaden namens het Duitse volk’ en de morele en materiële schadeloosstelling die daaruit voort moest vloeien. Oftewel Wiedergutmachung (tamelijk verschrikkelijk woord – alsof iets ‘goed’ gemaakt kon). Overeen te komen met vertegenwoordigers van het ‘internationale jodendom’ die opkwamen voor individuele overlevenden (van wie een groot deel nog in Displaced Persons-kampen woonde) en van Israël dat massa’s vluchtelingen had binnen gekregen. De verse Bondsrepubliek had er natuurlijk belang bij opgenomen te worden in de rangen van ‘beschaafde volkeren’ maar het schuldbesef van Adenauer en een deel van zijn collegae was oprecht. Terwijl het in zekere zin plaatsvervangend was, want hij, katholiek, was en bleef tegenstander van de nazi’s. Die hadden hem als burgemeester van Keulen ontslagen, mede vanwege goede betrekkingen met de joodse gemeenschap. Verdacht van betrokkenheid bij de aanslag op Hitler in 1944 door Stauffenberg c.s. dook hij onder. Zijn vrouw weigerde zijn adres te geven, maar toen het leven van hun dochters bedreigd werd, sloeg ze door en deed daarna een zelfmoordpoging, pas drie jaar later resulterend in haar dood door gif. Adenauer wist te ontsnappen en werd boegbeeld van een democratische republiek. Zeker, er was nog veel groter leed, maar vergelijking daarvan is zin- en in dit geval zelfs smakeloos: hij had een moreel recht, ook al omdat hij de collectieve verantwoordelijkheid erkende waaraan hij individueel geen schuld had. Het zijn sowieso vaak de minder- of niet-schuldigen die zich schuldig voelen.

Benjamin Ferencz © EO

Zeer precies vertelt de film het verhaal van de totstandkoming van ‘Wassenaar’ – wie betrokken waren, wat de inzet was, hoe pijnlijk de ontmoetingen, hoe angstvallig de gedragscodes (‘neem geen aansteker mee om te voorkomen dat je uit gewoonte een Duitser beleefd een vuurtje aanbiedt; fysiek afstand houden; zwijgen’). Grossman gebruikt veel archiefmateriaal, maar het overleg in Nederland moest deels gereconstrueerd met niet-sprekende acteurs. Israël wilde eigenlijk alle slachtoffers vertegenwoordigen. Dat werd niet geaccepteerd, maar een ‘wereldgemeenschap van joden’ bestond organisatorisch niet. Talloze joodse organisaties werden daarom vertegenwoordigd in de Jewish Claims Conference (JCC). Nahum Goldman, Duitser die in 1935 door de Neurenberger wetten zijn staatsburgerschap verloor, had een zo groot moreel gezag dat hij die bundeling in New York wist te bereiken. Al deed niet iedereen mee: een orthodoxe organisatie vond het ‘morele suïcide’. Aan joodse kant waren er dus met Israël twee onderhandelende ‘partijen’. Onder hen de jonge briljante jurist Benjamin Ferencz, die al aanklager was geweest in Neurenberg (geboren in 1920 en als meer dan honderdjarige een van de prominente talking heads).

De Duitse delegatie werd geleid door twee, vanwege anti-nazi-verleden onverdachte, mannen. Maar tegelijk waren er in Londen schuldenonderhandelingen met geallieerde staten (USSR, VS, Engeland) waarbij de Duitse delegatieleider Abs volstrekt fout was geweest. Denazificering van de Bondsrepubliek was immers maar zeer beperkt gelukt. Sterker: beperkt haalbaar gezien omvang en diepte van de nazificering (lees ook Jähners Wolfstijd). En daar, zowel als in Wassenaar, moest gepraat over buitengewoon pijnlijke zaken: hoeveel is een deels kapot gemaakt land waard? Maar moeilijker nog: hoeveel een kapot gemaakt leven, verlies van dierbaren, bezit, kans op scholing etc? Pijnlijke koehandel. Waarin de aanvankelijke bereidheid van Adenauer in praktijk en uitkomst lang niet altijd overeind bleef, mede door toedoen van zijn minister van Financiën Schäffer.

Uiteindelijk resulteerde ‘Wassenaar’ in het Verdrag van Luxemburg, 10 september 1952 – in 1953 met moeite door de Bondsdag aangenomen. Voor de bedragen: zie de documentaire, Wikipedia en/of andere bronnen. Adenauer en Sharett zouden spreken. Ze ontmoetten elkaar vooraf niet, maar kregen elkaars tekst. In die van Sharett stond dat twee van de drie Europese joden vermoord waren: ‘Vergeving is onmogelijk.‘ Dat was een schok voor Adenauer, die, katholiek, vergeving van zonden bij oprechte boetedoening cruciaal vond. En als politicus zag welk effect dit in Duitsland en voor de toekomst zou hebben. De toespraken zijn niet gehouden. Lang was er doodse stilte bij het tekenen.

De documentaire is veel rijker dan hier kan besproken. Maar gezegd moet dat het niet louter over ‘grote’ standpunten en ontwikkelingen gaat. Het hart van de film zit in de getuigenissen van overlevenden die het bouwwerk, het geraamte van vlees en bloed voorzien. Ook onder hen zijn er die de Duitse compensatie aanvaard hebben en anderen die principieel weigerden, net als joodse organisaties. In beide gevallen is er pijn, onheelbaar. En nee, in 1952 is de reckoning niet definitief afgerond. Die gaat, terecht, letterlijk door. De JCC blijft actief.

Roberta Grossman, Reckonings, EO Joodse programmering, donderdag 26 januari, NPO 2, 22.15 uur