Bezuinigingen op wetenschappelijk onderwijs

Bloedgeld

Voor Nederlandse geesteswetenschappers begon het academisch jaar vorige week onder een donker gesternte. De sector leeft in de constante onzekerheid of er wel voldoende geld zal zijn om overeind te blijven.

Rode vilten vierkanten op de baretten van de hoogleraren uit protest tegen de dreigende bezuinigingen tijdens de opening van het academische jaar in Groningen, 2 september 2019 © Corné Sparidaens /HH

Vorige maand, in de week waarin cijfers wezen op een milde recessie in Duitsland en wereldwijd beurzen in het rood gingen, publiceerde de Volkskrant een kaart met de sterke en zwakke punten van de economieën van de verschillende lidstaten in de Europese Unie. Finland, zo bleek, mocht zich verheugen in een forse groei in datacenters, maar moest ook oppassen voor een daling van het onderwijsniveau.

Stel je voor: het land dat al decennia boven aan elke mondiale onderwijsranking staat, laat nu enkele steekjes vallen en meteen heet dit een bedreiging voor de Finse economie te zijn. Als dat waar is, hoe groot is dan de catastrofe die Nederland boven het hoofd hangt? Dit land daalt al decennia op al die mondiale lijstjes, laat basisvakken op grote schaal doceren door onbevoegde leraren en stuurt doorlopend leerlingen naar huis omdat er geen leraar Latijn, Duits, informatica of Nederlands te vinden is. Je zou denken dat er een nationaal rampenplan zou worden afgekondigd, dat journaals elke dag zouden openen met het aantal leerlingen dat ook die dag weer noodgedwongen minderwaardig of geen onderwijs genoot.

Maar nee. Het oude en blijkbaar ook weer nieuwe gidsland heeft wel een paar uitdagingen (volgens de grafiek van de Volkskrant liggen die vooral bij een verhitte arbeidsmarkt wegens extreem lage werkloosheid) maar onderwijs is daar niet een van.

Intussen is dit de realiteit: de leesvaardigheid van bijna een op de vijf Nederlandse vijftienjarigen is zo beroerd dat ze een brief van de gemeente niet begrijpen en geen ondertitels kunnen volgen. En ook aan de top van de piramide zijn er zorgen. In groep zes wordt het hoogste leesniveau niet alleen vaker behaald door Finse kinderen, ook het schoolsysteem van onder meer Polen, Ierland, Singapore en Rusland slaagt er vaker in excellente lezers voort te brengen. Hoe kan een snel digitaliserende samenleving, die zich erop beroemt in te zetten op gelijkheid, zo’n grote groep jongeren in de steek laten? Het tweede betekent niet alleen dat jonge Ieren en Russen beter worden voorbereid op het lezen van Joyce en Dostojevski, maar ook dat ze beter in staat zijn om verschillende types informatie uit interactieve websites met elkaar in verband te brengen. In onze door informatie (‘data’) beheerste samenlevingen betekent dit dat deze jongeren beter uitgerust zijn om te leren, in welke discipline dan ook. Een urgent moment, zou je denken, om te investeren in leesvaardigheid. Zo niet Nederland. Hier wordt de strop rond geesteswetenschappers die dat lezen kunnen bevorderen nog wat strakker getrokken.

Intussen is ook dit de realiteit: scholen schrappen niet langer bepaalde lesuren door een tekort aan leraren, ze schrappen gewoon de vakken uit hun curriculum. Frans, Duits: voor de nieuwe generatie zijn het adjectieven die gebruikt worden om bepaalde voetbalcompetities of hondensoorten aan te duiden, niet langer zijn het talen en culturen. Faculteiten waar germanisten en romanisten worden opgeleid zullen opnieuw gekort worden. Het lerarentekort zal daardoor alleen maar toenemen, maar dat is voor Den Haag blijkbaar geen écht probleem. Een bestel dat ondanks vage humanistische praatjes alles in markttermen ziet, kan kennelijk alleen maar schouderophalend vaststellen: kinderen willen dit duidelijk niet meer, de consument heeft altijd gelijk.

Intussen is er ook een politieke realiteit: een substantieel deel van de ouders en grootouders van deze leerling-consumenten geeft zijn stem aan partijen die, om het even positief uit te drukken, hun gehechtheid aan taal en cultuur van dit land politiek inzetten. Aan die gehechtheid zit bij sommigen een xenofobe kant, maar over het algemeen spreekt er een hang uit naar het dichtbije en het begrijpelijke. Dat is niet zo vreemd. In een wereld die razendsnel globaliseert en verandert, biedt het lokale en bekende houvast. Dat bleek ook uit het recente Denkend aan Nederland-rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Wanneer Nederlanders aan Nederland denken, denken zij vooral aan het Nederlands. En dan blijkt het in dit schijnbaar zo verdeelde land niet eens uit te maken waar die Nederlanders hun wortels hebben, of ze wetenschappelijk of praktisch zijn opgeleid, jong of oud zijn, links of rechts: de taal is wat hen met het land verbindt.

De samenleving snakt naar kennis over taal en cultuur – en dat blijkt ook. Boekjes en blogs over de Nederlandse taal en tentoonstellingen over Nederlandse kunst en cultuur mogen zich verheugen in een bovengemiddelde belangstelling. Het zou te ver gaan om te beweren dat beleidsmakers in dit land deze tendensen volstrekt negeren. Riepen ze het Rijksmuseum en het Wilhelmus niet uit tot verplichte kost? Zeker. Welgemikte brokjes richting de Nieuwe Nationalisten. Maar toen vorig academisch jaar de opleiding Nederlands aan de Vrije Universiteit van Amsterdam wegens tanende studentenbelangstelling werd gesloten, noemde de bevoegde minister Van Engelshoven van de eertijdse onderwijspartij D66 die beslissing ‘logisch’.

In een rampenfilm zou dit het moment zijn waarop bezoekers van een andere planeet de bewindslieden tot betere inzichten zouden brengen. En dat hebben ze in Nederland zowaar ook echt geprobeerd. Niet dat ze van Mars kwamen, maar wel van zogenaamd concurrerende faculteiten. De Groningse hoogleraar chemie Marleen Kamperman betoogde eerder dit jaar in de Volkskrant dat ‘wie geen taal beheerst in geen enkele wetenschap ver zal komen’. Een interventie als een alarmbel, want Kamperman ziet de toekomst in dat opzicht niet rooskleurig in: ‘Nu al is de taalvaardigheid van studenten in mijn vakgebied abominabel. Van Nederlands hebben ze geen benul, van Engels zo mogelijk nog minder. Hoe moeten die studenten ooit een fatsoenlijk onderzoeksvoorstel schrijven, of aan de buitenwereld uitleggen, met behulp van taal dus, waar ze mee bezig zijn?’

Scholen schrappen geen lesuren meer door een tekort aan leraren, ze schrappen gewoon de vakken

Wie de wetenschap toekomstbestendig wil maken, kon dus maar beter Nederlands of Engels verplicht maken, aldus Kamperman, voor álle eerstejaarsstudenten, dus zeker ook de bèta’s.

Die richting gaat het vooralsnog echter niet uit. Aanleiding voor haar stuk was het Haagse besluit dat alfa-, gamma- en medische faculteiten voortaan minder geld zullen krijgen, ten voordele van technische opleidingen. ‘Het bedrag dat genoemd wordt is 150 miljoen euro per jaar, wat me precies 150 miljoen euro per jaar te veel lijkt’, aldus Kamperman. Niet dat er geen goede redenen zijn om die bèta-/technische opleidingen meer te geven. Alleen: dat mag niet over de rug van andere wetenschappers gebeuren. Dat vinden ook twaalf bèta’s van de Jonge Akademie (knaw) die in juni met een petitie kwamen waarin het ‘schadelijk voor de Nederlandse wetenschap als geheel en voor bètawetenschappen in het bijzonder’ werd genoemd ‘dat wetenschapsgebieden en wetenschappers op deze manier tegen elkaar uitgespeeld worden’.

Meer dan driehonderd bèta’s, onder wie Spinozaprijswinnaars Carlo Beenakker, Heino Falcke en Mike Jetten, verklaarden zich intussen solidair. In de woorden van mede-initiatiefneemster Kamperman: ‘Ik geloof dat harde wetenschap niets waard is zonder iets minder harde wetenschap. Wij hebben elkaar nodig, alfa bèta gamma, wij vullen elkaar aan. Een samenleving waar alleen geld is voor nanotechnologie, waar iedereen die een beetje kan nadenken rocket scientist moet worden, is een samenleving op weg naar faillissement.’

Dat laatste woord was goed gekozen, dit land is immers gebouwd op monetaire metaforen. Diezelfde monetaire overwegingen zaten uiteraard ook achter deze nieuwste Haagse aanval op de geesteswetenschappen. In opdracht van de minister zocht de zogenaamde Commissie Van Rijn uit hoe de bekostiging van het hoger onderwijs in dit land verbeterd kan worden. Door er meer geld in te investeren, zou het enige logische antwoord op deze vraag zijn geweest, maar dat mocht in geen geval de uitkomst zijn. De oplossing moest ‘binnen het bestaande macrobudget’ gevonden worden.

Tegelijkertijd moest de commissie ‘de knelpunten in de bekostiging van het bètatechnisch onderwijs en onderzoek’ wegwerken. En dus stond de uitkomst eigenlijk al van tevoren vast: als er geen geld bij komt en er meer geld naar de technische faculteiten moet, kan dat alleen door geld weg te nemen bij de anderen. Wat dus ook het advies van de Commissie Van Rijn was. Vooral alfa’s en gamma’s betalen het gelag. (Uiteraard zat er geen enkele alfa in die commissie.)

Dat er meer geld naar de universiteiten van Eindhoven, Delft, Twente en Wageningen moet, wordt vanzelfsprekend economisch gemotiveerd. Zij heten de motor van Nederland Kennisland te zijn, de ultieme aanjagers van wat minister Verhagen tijdens een vorig kabinet nog de drietrapsraket ‘Kennis Kunde Kassa’ noemde. De Commissie Van Rijn constateert een ‘mismatch tussen de aanhoudend hoge arbeidsmarktvraag naar bètatechnisch afgestudeerden en het achterblijvende aanbod’, en dus is het ‘van groot maatschappelijk belang’ dat dit verandert. Dat de arbeidsmarkt net zo hard om leraren schreeuwt, zou je ook van groot maatschappelijk belang kunnen noemen, maar de plekken waar die worden opgeleid zullen het vanaf 2020 elk jaar opnieuw met circa zeventig tot honderd miljoen minder moeten stellen.

Van Engelshoven en haar D66-medestanders in de Tweede Kamer beweren dat er, ondanks Van Rijn, wel degelijk in het hoger onderwijs wordt geïnvesteerd en dat die overwerkte wetenschappers dus niet zo moeten piepen. Ingrid Robeyns, hoogleraar Ethiek van Instituties aan de Universiteit Utrecht en spilfiguur in de WOinActie-beweging die opkomt voor de belangen van wetenschappelijk onderwijs in Nederland, heeft op het politicologische weblog Stuk Rood Vlees omstandig aangetoond dat die vermeende investeringen voornamelijk sigaren uit eigen doos zijn, of grote investeringen in een reuzentelescoop en andere infrastructuur, en dat deze miljoenen dus niet gebruikt kunnen worden om de broodnodige docenten aan te stellen.

Want broodnodig zijn ze. Naast besparingen is werkdruk al jarenlang het meest besproken onderwerp op mijn faculteit. Een Utrechtse bedrijfsarts die eerder in het bedrijfsleven werkte wist niet wat hij zag toen hij bij ons arriveerde. De bijna epidemische burn-outs hebben met die werkdruk te maken, maar ook – net als in de rest van de publieke sector – met de afnemende autonomie van de medewerkers, met moordende interne concurrentie, met de geestdodende regel- en controlezucht en de knagende onzekerheid of er volgend jaar nog wel voldoende geld zal zijn om de opleiding overeind te houden.

Wetenschappers, per definitie gebaat bij een fris hoofd, zijn nu structureel overwerkt

Uit Utrechtse cijfers blijkt dat werkdruk vooral de studentenrijke alfa’s en gamma’s parten speelt – dus precies die faculteiten waar Van Engelshoven het geld weghaalt. Dat is niet alleen extreem cynisch, het is nalatig. Adding insult to injury: de door de besparingen onvermijdelijk toenemende werkdruk zal alleen maar méér collega’s ziek maken.

Veelzeggend is dat hoofddocenten en docenten nog meer werkdruk ervaren dan hoogleraren. Verrassen hoeft dit echter niet: hoe minder je te zeggen hebt, hoe zwaarder het werk je valt. Maar ook het concrete aantal gewerkte uren speelt uiteraard een rol. Uit recent onderzoek van het Rathenau Instituut blijkt dat voltijds aangestelde hoogleraren niet 38 uur werken, zoals de cao voorschrijft, maar gemiddeld ruim een derde meer; negentig procent van het Nederlands wetenschappelijk personeel werkt over, 46 procent werkt de meeste weekenden, maar liefst 58 procent ook tijdens vakantiedagen. Uiteraard zitten daar workaholics bij, maar het gros doet dit omdat het eenvoudigweg de enige manier is om het werk af te krijgen. Wetenschappers, een menssoort die per definitie gebaat is bij een fris hoofd, zijn in Nederland structureel overwerkt.

Uit protest tegen het beleid en de misleidende retoriek van Van Engelshoven organiseerde WOinActie vorige week een alternatieve opening van het academisch jaar. Terwijl de minister in de Leidse Pieterskerk haar ingreep ten gunste van de bèta/technici verdedigde als een ‘spoedoperatie’, stelde wiskundige Arne Smeets een boogscheut verder dat hij en zijn collega’s feestelijk bedanken voor het ‘bloedgeld’ van de Commissie Van Rijn. Zoals het ware academici betaamt waren de sprekers op deze Ware Opening niet alleen kritisch over het beleid, maar ook over zichzelf. De Amsterdamse hoogleraar sociologie Giselinde Kuipers riep op het denken over de universiteit opnieuw te ijken. Burgerschap en het algemeen belang horen centraal te staan, niet de output. ‘Onze kennis is van iedereen.’

De grootste ovatie viel echter het boegbeeld van WOinActie Rens Bod te beurt toen hij tegenover een intussen overvol plein het vertrouwen in minister Van Engelshoven opzegde: ‘We vertrouwen deze minister niet meer en we vragen haar op te stappen.’

Voor buitenstaanders klinkt dat misschien als stoere praat van iemand die zich op latere leeftijd plots tot het activisme heeft bekeerd. Wanneer diezelfde dag de Leidse rector Carel Stolker in het FD, in de NRC en in het nos-journaal liet optekenen dat hij de relatie tussen Den Haag en de universiteiten nooit slechter heeft geweten, dan mocht dat echter gelden als een officieel signaal: een beetje masseren en polderen zal deze keer niet volstaan.

De onderfinanciering van het hoger onderwijs is uiteraard niet alleen de verantwoordelijkheid van Van Engelshoven en het huidige kabinet Rutte. De verwaarlozing is structureel. Sinds de eeuwwisseling zijn er 68 procent meer studenten bij gekomen, terwijl het budget met een kwart is gekrompen. Daar hoeft geen tekening bij, zou je denken. Maar die tekening is wel nodig, net zoals aanhoudend protest nodig is, alsook – en dat moment komt nu wel echt heel dichtbij – stakingen. De wetenschap barst van de gepassioneerde onderzoekers en docenten; bij uitstek een gemeenschap die gewoon haar werk wil doen en zich niet aan activisme, laat staan werkonderbrekingen wil overgeven. Om dit werk te kunnen blijven doen, zullen we het echter wel degelijk moeten neerleggen. Dat kan tijdelijk door te staken, maar ook structureel, door een reeks taken niet meer te doen of ze veel lichter op te nemen.

Intussen is bovenal dit de realiteit: dit laagliggende land aan de Noordzee wordt bedreigd door klimaatverandering. Na jarenlange aarzeling, neemt de overheid met het Klimaatakkoord nu maatregelen. Om te begrijpen hoe we ons zo in nesten konden werken en dus ook om structurele oplossingen te bedenken, zijn inzichten nodig in de ontwikkelingen van het denken van de westerse mens die vanuit een verkeerd begrepen heerszucht de aarde kapot heeft gemaakt. Dat is veelal niet waar Delft, Wageningen en Eindhoven in zijn gespecialiseerd. Hier heb je filosofen, sociaal-psychologen, wetenschapshistorici en sociologen voor nodig.

Dat vinden ze in Delft, Wageningen en Eindhoven overigens ook. De eerder genoemde petitie benadrukt dat de ‘belangrijke maatschappelijke en wetenschappelijke uitdagingen waar we voor staan samenwerking vereisen tussen wetenschappers van allerlei disciplines, niet enkel wetenschappers vanuit bèta en techniek’.

Wie vandaag denkt te kunnen besparen op de geesteswetenschappen omdat die overkomen als een vorm van luxe, heeft een totaal achterhaald beeld van wat ze in deze disciplines doen. Het zijn al lang geen ivorentorenkluizenaars meer die onbegrijpelijke teksten van nog onbegrijpelijker commentaar zitten te voorzien. Het zijn de kenners van Noord-Korea en het terrorisme die in televisieprogramma’s en boeken in begrijpelijke taal de grote geopolitieke en sociale uitdagingen van vandaag toelichten. Het zijn de wetenschappers die inzichten in de kredietcrisis en andere ontsporingen van het kapitalisme in historisch perspectief plaatsen. Ze duiden migratiegolven, dierenrechten, het nationalisme, de democratie, de aanhoudende culture wars en de beperkingen en mogelijkheden van Big Data. Ze onderzoeken hoe samenlevingen omgaan met grote veranderingen en bedenken manieren waarop de overheid beter kan communiceren met laaggeletterden. Het zijn kortom specialisten in vrijwel alle gebieden waar vandaag het debat over gaat. En die gaat de minister nog maar eens korten? In Nederland wel, ja. In Nederland wel.


Geert Buelens is hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht en betrokken bij WOinActie