Bloedkolen uit Colombia

La Jagua – Nederlandse energiecentrales importeren al jarenlang Colombiaanse steenkolen van bedrijven die mogelijk bij moord op vakbondsleden betrokken zijn. Niemand lijkt er wakker van te liggen.

‘Ik kende Valmore Locarno goed. Hij werd in maart 2001 uit de bedrijfsbus getrokken en door paramilitairen in koelen bloede doodgeschoten.’ Aan het woord is Jaime Alvarez, actief bij Sintramienergetica, een vakbond van mijnwerkers in het noorden van Colombia. Steenkool is big business hier: het Amerikaanse Drummond, het Zwitserse Glencore en het Colombiaanse cnr maken miljardenwinsten met de export van steenkool. Zo’n veertig procent van de productie gaat naar Rotterdam en wordt onder meer door Nederlandse energiecentrales verstookt.

De steenkolen komen uit het departement Cesar, een gevaarlijk gebied waar paramilitairen, guerrilla’s en gewapende bendes vechten om de heerschappij. Volgens meerdere getuigen huurde het Amerikaanse bedrijf Drummond daarom in het verleden paramilitairen in om ‘lastige’ vakbondsleden onder controle te brengen. Hoewel Drummond in de VS inmiddels voor de moord op meerdere vakbondsleden terechtstaat, ontkent het bedrijf nog steeds elke betrokkenheid.

In de zomer van 2010 ontstond in Nederland ophef na een tv-uitzending van Netwerk, waarin over de duistere praktijken van de steenkoolgiganten werd bericht. De verontwaardiging was groot en een heuse ‘steenkooldialoog’ werd opgetuigd, waarbij onder andere Nederlandse energiebedrijven en het ministerie van Economische Zaken in Den Haag betrokken waren. Tweeënhalf jaar later is er nog niets concreets uit deze gesprekken voortgekomen en gaat de import van de ‘bloedkolen’ gewoon verder.

Ondanks de miljardenwinsten voor de multinationals heerst in La Jagua en omgeving nog altijd armoede. De mensen in de buurt van de steenkoolmijnen leven ondertussen verder in ellende. Een van hen is Maria Vèlez, een jonge vrouw uit Boquerón, een dorp op tweehonderd meter van de mijnen. Vèlez is woedend. ‘De bedrijven bieden ons geen werk. Ons drink­water is vervuild. Velen in ons dorp hebben adem­halingsproblemen door het stof uit de mijnen. We mogen in de omgeving niet meer jagen en vissen, want het land is inmiddels in het bezit van de mijnbedrijven. Twee maanden geleden hebben ze een man uit ons dorp in zes stukken gehakt, omdat hij op een konijn had gejaagd op het terrein van een van de mijnbouwbedrijven. De bedrijven hadden beloofd dat ze voor nieuwe huisvesting zouden zorgen. We hadden een jaar geleden al nieuwe woonplekken moeten hebben. Hier hebben we geen toekomst. We hebben angst. Maar er verandert niets.’