Babi Jar na de massamoord in september 1941 © Johannes Hähle

Het zijn de ‘killing fields’ van Europa, die vlakten in Oost-Europa waar wereldmachten als het Russische Rijk, het Habsburgse Rijk, het Ottomaanse Rijk en Duitsland al eeuwen langs elkaar schuren en de grenzen steeds maar verschuiven. Het was – en is, kun je zeggen sinds Rusland in 2014 Oekraïne binnenviel – een gebied van invasies. Die gaan niet zelden gepaard met genocidaire plannen omdat de burgerbevolking in een voor ambitieuze, nationalistische heersers onaanvaardbare etnische lappendeken door elkaar heen woont.

‘Bloedlanden’ is de naam die de Amerikaanse historicus Timothy Snyder bedacht voor deze streken, waar zo’n beetje elke nieuwe fase in de geschiedenis – de liquidatie van het Pools-Litouws Gemenebest, de Poolse deling, de Eerste Wereldoorlog, de Russische burgeroorlog, de terreur in Stalins ussr, het Hitler-Stalin-pact, de Duitse inval in de Sovjet-Unie – aanleiding is geweest tot massale wreedheden en de vernietiging van miljoenen mensenlevens.

Zelfs binnen deze historische context van verdoemenis is er één begrip dat behalve huiver ook nog steeds actief historische verdringing en heftige polemiek opwekt: ‘Babi Jar’, de naam van een ravijn nabij de Oekraïense hoofdstad Kiev, waar op 29 en 30 september 1941 binnen 36 uur tenminste 34.000 joden werden doodgeschoten. En dat was nog maar het begin: in Babi Jar stierven in twee jaar Duitse bezetting in totaal meer dan honderdduizend mensen door de kogel, meest joden.

De Oekraïense filmmaker Sergej Loznitsa – onder meer bekend van de onlangs in Nederland uitgebrachte archieffilm State Funeral, over de begrafenis van Stalin in 1953 – heeft over Babi Jar een film gemaakt die geheel uit Duitse en sovjet-archiefmaterialen is opgebouwd: Babi Jar: Context. Dat is Loznitsa in Oekraïne, en daarbuiten, bepaald niet door iedereen in dank afgenomen. Want net als vroeger, toen Oekraïne nog deel was van de Sovjet-Unie, is het begrip ‘Babi Jar’ door taboes omgeven – nog niet eens zozeer de moordpartij zelf, als wel juist die context.

De rechtse Oekraïense nationalisten, wier milities een belangrijke rol spelen in de strijd tegen de Russische agressie in het oosten van het land, wensen niet herinnerd te worden aan het enthousiasme waarmee hun ideologische voorlopers in 1941 de nazi-troepen verwelkomden als bevrijders van de sovjetterreur. En evenmin aan de ijver waarmee de Oekraïense vrijwillige ‘hulppolitie’ de SS en andere Duitse eenheden hielp bij de vrijwel volledige uitroeiing van hun joodse medeburgers. Dat gebeurde in de maanden voordat duidelijk werd dat ook slavische Oekraïeners in nazi-ogen ‘Untermenschen’ waren die onderdrukt, tot slaaf gemaakt of vermoord konden worden. Loznitsa laat de Oekraïense collaborateurs uitgebreid zien.

Er zijn er meer die aan Babi Jar niet herinnerd willen worden. Na de herovering van Kiev en de rest van Oekraïne door het Rode Leger was joods slachtofferschap onder Stalin een taboe: het ging niet aan om één bepaalde bevolkingsgroep een bijzondere status te verlenen, was de doctrine, want het ganse sovjetvolk had immers geleden onder het Duitse fascisme. Babi Jar wekte juist de ongewenste indruk dat de slachtoffers merendeels joden waren geweest. En liet bovendien zien dat zich onder de daders meer Oekraïeners hadden bevonden dan de mythe van het vastberaden collectieve heldendom van het sovjetvolk in de Tweede Wereldoorlog moest doen vermoeden.

Dit wegmoffelen van de joodse slachtoffers na 1945 paste ook binnen de zogeheten ‘anti-kosmopolitisme’-campagne die Stalin in 1948 liet ontketenen. Zoals tegenwoordig sommige antisemieten ‘anti-zionistisch’ zeggen als ze anti-joods bedoelen, zo was ‘anti-kosmopolitisme’ een sovjetcodewoord voor antisemitisme. Tussen 1941 en 1945 had Stalin zich nog bediend van het prestige van sommige vooraanstaande sovjetintellectuelen van joodse origine, die als lid van het ‘Joods Anti-fascistisch Comité’ internationale goodwill moesten kweken voor de sovjet-oorlogsinspanning, met name onder joodse Amerikanen. Maar toen in januari 1948 de voorzitter van dit comité, de befaamde acteur Salomon Michoëls, om het leven kwam bij een auto-ongeval waarvan iedereen begreep dat het geen ongeval was, en andere prominente joden plotseling als klassenvijand werden ‘ontmaskerd’ en in het kamp verdwenen, begreep iedereen dat er in het Kremlin een antisemitische wind was opgestoken.

Nadat Stalin begin 1953 zijn groep lijfartsen had laten arresteren, die allen van joodse origine waren, vreesden velen voor een nieuwe terreurcampagne in de stijl van de jaren dertig, nu met antisemitische grondtonen. Maar tot een soort tweede holocaust is het gelukkig niet gekomen, vermoedelijk vooral doordat Stalin in maart 1953 overleed. Dat wilde echter niet zeggen dat de politieke doctrine van de ene op de andere dag radicaal veranderde.

Babi Jar was iets waar velen weet van hadden maar waarover niet openlijk gesproken of geschreven kon worden

Babi Jar bijvoorbeeld was, net als zoveel andere drama’s uit de sovjetgeschiedenis, iets waar velen weet van hadden maar waarover niet openlijk gesproken of geschreven kon worden. Het ravijn bij Kiev werd in de jaren vijftig en zestig dichtgegooid met industrieafval. De stoffelijke resten van de slachtoffers lagen er toen nog in, voorzover de Duitsers die niet in 1943, vlak voor de herovering van de stad door het Rode Leger, door dwangarbeiders hadden laten vernietigen. Op de plaats van Babi Jar ontstonden een fris stadspark en een buitenwijk van de gestaag groeiende hoofdstad van de sovjetrepubliek Oekraïne.

Twintig jaar zou deze officiële veronachtzaming van het joodse drama in Babi Jar in eerste aanleg duren. Toen publiceerde, op 19 september 1961, de jonge Russische dichter Jevgeni Jevtoesjenko in het weekblad Literatoernaja gazjeta zijn gedicht Babi Jar, dat begint met: ‘Boven Babi Jar staan geen gedenktekens’ en dat expliciet verwijst naar het negeren van de grootste groep slachtoffers. Jevtoesjenko was als dichter een van de jeugdhelden tijdens de zogeheten ‘Dooi’, een periode van enkele jaren onder Stalins opvolger Nikita Chroesjtsjov waarin wat meer culturele vrijheid bestond. Het gedicht Babi Jar was echter omstreden – een deel van de partijpers verweet Jevtoesjenko gebrek aan de juiste ‘internationalistische’ instelling, door een misplaatste nadruk op het lijden van één nationale groep. Een zelfde rechtzinnige sovjetreprimande trof de componist Dmitri Sjostakovitsj, toen hij het gedicht van Jevtoesjenko verwerkte in zijn Dertiende symfonie. Die is derhalve in de sovjettijd maar zelden ten gehore gebracht.

Met de voor de Sovjet-Unie en ook het huidige Rusland typerende ambivalentie ten aanzien van de eigen geschiedenis werd in 1966 dan wel weer een prijsvraag uitgeschreven voor het ontwerp van een monument bij Babi Jar, dat er acht jaar later ook inderdaad kwam. De gebeitelde tekst verwijst op geen enkele manier naar joden – er is alleen sprake van een ‘vreedzame’ sovjetbevolking. Pas na de ontbinding van de Sovjet-Unie en de Oekraïense onafhankelijkheid in 1991 kwamen er, op particulier initiatief, twee specifiek joodse gedenktekens in het park. Juist vorige maand is in aanwezigheid van de presidenten van Oekraïne, Israël en Duitsland een nieuw monument onthuld: de door de internationaal befaamde performance-kunstenares Marina Abramović ontworpen Muur der tranen, een dertig meter lange constructie van koolstof en kristallen waarlangs water sijpelt.

Van de moordpartijen bij Babi Jar bestaan geen bewegende archiefbeelden. Filmmaker Loznitsa moet het doen met wat foto’s, gedeeltelijk in kleur, die achtergelaten kleren en andere bezittingen van de gefusilleerden laten zien, en wat Duitse militairen en (vermoedelijk) dwangarbeiders, bezig met het verder uitgraven van het ravijn. Ook zijn er zeer beklemmende getuigenverklaringen tijdens een strafproces dat in 1946 in Kiev heeft plaatsgevonden, onder meer van een vrouw die zich had weten uit te graven uit de executiekuil toen de avond viel.

Babi Jar-overlevende Dina Pronicheva geeft een getuigenverklaring tijdens een oorlogstribunaal in Kiev.Oekraïne, 24 januari 1946 ©  USHMM Photo Archives

Ondanks dit gebrek aan ‘hard’ beeldmateriaal is Babi Jar: De context een schokkende film. Wat je wél te zien krijgt, roept om te beginnen een huiveringwekkend beeld op van alomtegenwoordig, grootscheeps geweld. In 1941 rolt een oppermachtige Duitse militaire machine de Sovjet-Unie binnen. Duizenden soldaten van het verslagen Rode Leger worden in onafzienbare colonnes afgevoerd. Hun materieel staat – kapotgeschoten of onklaar gemaakt – in het veld, zo ver als de horizon reikt. In 1943, als het Rode Leger in Oost-Europa aan de herovering is begonnen, rollen de tanks over de weidse vlaktes de andere kant op en zijn de colonnes krijgsgevangen Duitsers.

In zijn montage van het archiefmateriaal doet Loznitsa iets wat in het Rusland van Vladimir Poetin sinds kort zelfs bij wet verboden is. Hij suggereert een overeenkomst tussen de manier waarop nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie te werk gingen op het territorium van Oekraïne – als ware het een vrije, lege ruimte waarin de mensen niet ter zake doen. De overwinningsparades van de zegevierende troepen, het weghalen van de leuzen en portretten van het verdreven regime en de vervanging daarvan door de leuzen en portretten van de nieuwe leiders, de toepassing van folkloristische kostuums bij feestelijke optochten om te bewijzen dat het ‘echte volk’ aan de kant van de overwinnaar van het moment staat – dat alles behoort tot een beeldtaal die, in Europa althans, associaties oproept met verdwenen totalitaire dictaturen, ongeacht hun ideologische karakter.

De context waarvan de filmtitel melding maakt, vindt Loznitsa voor een belangrijk deel in de stad die tegenwoordig in het westen van Oekraïne ligt en nu Lviv wordt genoemd. Andere namen voor dezelfde stad zijn Lvov (Russisch), Lemberg (Duits), Lwów (Pools) en Lemberik (Jiddisch) – dat geeft al aardig het multiculturele karakter aan van de stad, die met 45 synagogen ook een belangrijk centrum van joodse cultuur in Oost-Europa was. Lviv was bij de Duitse opmars van 1941 nog geen deel van de sovjet-Oekraïne. Als voormalig deel van het Habsburgse Rijk was de stad na de Eerste Wereldoorlog aan Polen toebedeeld, en toen Hitler en Stalin in 1939 per geheim verdragsprotocol Polen onder elkaar opdeelden, bezette het Rode Leger Lviv, waar veel joden uit het door de Duitsers bezette deel van Polen naartoe vluchtten.

Loznitsa’s film is actueel: het geweld en de haat zijn in de ‘bloedlanden’ aan de orde van de dag

Lviv was in de Poolse tijd al een centrum geweest van Oekraïens nationalisme en de antisemitische ideologie die daarvan een niet onbelangrijk deel uitmaakte. Zo valt het misschien ook te verklaren hoe de Duitse intocht in Lviv in 1941 – blijkens de archiefbeelden – voor het Oekraïense bevolkingsdeel in een uitgelaten volksfeest ontaardde: spandoeken met heilwensen voor Hitler hingen in de straten, mensen gaven de Duitse soldaten bloemen, meisjes in folkloristisch kostuum paradeerden, de Hitlergroet brengend, voor de nieuwe machthebbers onder het hakenkruis.

Er was ook vrijwel meteen al een pogrom: joodse stadsbewoners, ervan beschuldigd als groep met de sovjet-autoriteiten te hebben geheuld, werden gedwongen de lijken op te ruimen van de mensen die Stalins geheime dienst nkvdvlak voor de aftocht nog had geliquideerd. De beelden daarvan zijn misschien het moeilijkst om aan te zien in deze film, waarin het nochtans niet ontbreekt aan wreedheden: joden worden door Oekraïners met stokken afgerost. Daarna begon in Lemberg de systematische moord op de joodse bevolking – van de ongeveer 150.000 joden in Lviv waren er na de oorlog nog ongeveer tweeduizend over.

De Oekraïense nationalisten zouden aan hun ijver voor de Duitse zaak weinig plezier beleven: de nazi’s maakten korte metten met hun plannen voor een onafhankelijk Oekraïne. Hun belangrijkste leider, de door sommige nationalisten in Oekraïne nog steeds als een held bewonderde Stepan Bandera, was bij de Duitse intocht in 1941 uit een Poolse gevangenis bevrijd, maar zat na korte tijd al weer vast, nu in het Duitse kamp Sachsenhausen. Hij zou in 1959 op straat in de West-Duitse stad München worden geliquideerd, in opdracht van de sovjet-geheime dienst kgb.

Bandera’s naam speelt nog altijd een grote rol in de anti-Oekraïense propaganda waaraan Poetins staatstelevisie zich sinds 2014 overgeeft. Bandera geldt dan als nazi – op z’n minst een vergroving van de geschiedenis – en dat een kleine groep Oekraïense nationalisten hem nog altijd vereert, dient als argument om heel de Oekraïense onafhankelijkheid in diskrediet te brengen. Dat het Oekraïense nationalisme mede kon gedijen door de manier waarop sovjetleider Stalin Oekraïne met terreur sloeg – in de vorm van een georganiseerde hongersnood in 1932 bijvoorbeeld – blijft in de hedendaagse officiële Russische geschiedopvatting onbelicht. Kritiek op Stalin, zeggen de huidige machthebbers in het Kremlin de laatste jaren steeds vaker, is sowieso alleen maar een propagandistisch middel van Ruslands vijanden om ‘Russofobie’ op te wekken.

Met andere woorden: de ‘context’ uit de titel van Loznitsa’s nieuwste film is nog volop in beweging. De haat en het geweld en de historische taboes zijn in de ‘bloedlanden’ nog aan de orde van de dag. Dat maakt het ook lastig om deze twee uur durende compilatie louter als een kunstwerk te bewonderen, al is daar reden toe. Loznitsa slaagt er wonderwel in om zonder een commentaarstem, met maar heel af en toe een verklarend tekstje in beeld, een formidabele spanningsboog te bouwen. Op een geraffineerde manier is er geluid gezet onder meestal stomme archiefbeelden. Het is aan de filmbeelden duidelijk af te zien dat zowel aan de Duitse als aan de sovjetkant cameralieden aan het werk waren die hun vak verstonden: deze film bestaat, anders dan veel andere historische compilatiefilms, niet uit amateuristische found footage, maar grotendeels uit materiaal van hoge cinematografische kwaliteit.

Toch kan ook Loznitsa niet laten zien wat er niet meer is, wat binnen luttele jaren is uitgeroeid en met de grond gelijk gemaakt: eeuwen van joods leven en joodse cultuur in Oost-Europa. De 50.000 joden van Kiev, de 150.000 in Lviv en al die in totaal miljoenen mensen die in deze streken in steden en shtetl en dorpen woonden, en dromen hadden, en beroepen, en karakters, gelovig waren of ongelovig, politiek actief of niet, rijk of arm, die zich joods voelden of niet en ga zo maar door: heel het palet van menselijk leven, alles weggevaagd alsof het nooit had bestaan.

Loznitsa lost dit probleem – hoe breng je een afwezigheid in beeld? – op door halverwege de film een tekst te projecteren van de Russische schrijver Vasilii Grossman: ‘Oekraïne zonder joden’. Grossman, die later vooral bekend zou worden door zijn in 1962 verboden roman Leven en lot, was tijdens de oorlog frontverslaggever van de krant van het Rode Leger, Rode ster (Krasnaja zvezda). Die krant wilde ‘Oekraïne zonder joden’ echter niet hebben, zodat deze aangrijpende boutade over doodgewone levens die er plots niet meer zijn, eind 1943 in Jiddische vertaling verscheen in het weekblad Einigkait, een piepklein Jiddisch krantje met een oplage van tweeduizend exemplaren dat werd uitgegeven door het al genoemde Joods Anti-fascistisch comité. ‘Wordt vervolgd’ stond onder de tekst in Einigkait, maar zo’n vervolg zou er nooit komen.

Tachtig jaar geleden is het nu, de massaexecutie in Babi Jar, die al decennialang door politieke taboes, gêne en verdringing wordt omgeven. Slechts heel langzaam klaart deze duisternis op, en Loznitsa’s film is in die ontwikkeling een belangrijk moment. De filmmaker heeft nu een speelfilm over Babi Jar in de zin, vertelde hij laatst in Amsterdam. Ik kan nauwelijks wachten.

Babi Jar: Context is te zien op 23 november om 18.00 in Het Ketelhuis in Amsterdam, idfa.nl