Bloedserieus en geestig

RODAAN AL GALIDI
DE LAATSTE SLAAF
Meulenhoff/Manteau, 96 blz., € 19,95

De maan opent het raam van de kelder niet

Grote speakers
smijten angst in de kelder.
Koptelefoons
smokkelen de soloviool
naar het hart.

Bijna
ken ik het verschil
tussen de baarmoeder van Maria
en de baarmoeder van Sabha*,
tussen Andrea Boccelli
en André Hazes.

Mijn lichaam
is nog steeds één geheel,
maar in deze kelder
verloor ik
meer dan de helft van mijn ziel.

Als een verlaten kerk
ben ik.
Geen dominee,
geen beeld.

Kaarsen en aanstekers,
donkerte en vijftig eurocent,
maar geen tedere hand.
In deze kelder
is er geen open raam
en de vlinders, de vlinders,
ach, de vlinders.

* Moeder van Saddam Hoessein

Zijn vorige bundel, De herfst van Zorro, werd in 2007 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Toen heette hij nog kortweg Al Galidi. Onlangs verscheen De laatste slaaf onder de schrijversnaam Rodaan Al Galidi. Een naamsverandering die al werd aangekondigd in een interview: ‘Al Galidi de asielzoeker is er niet meer, vermoord door de IND. Vanaf nu is zijn schrijversnaam Rodaan, de toekomstige winnaar van vele literaire prijzen. Wacht maar.’
Het is me nogal een zware titel, De laatste slaaf, eentje die doet vermoeden dat we geëngageerde poëzie te lezen gaan krijgen. En dat klopt. Al is het geen rechttoe-rechtaan maatschappijkritische bundel, want Al Galidi schrijft bepaald onconventionele gedichten. Het is een ‘boek’, een allegorische vertelling, er zijn ruimtes waarin alles zich afspeelt, terugkerende personen en personages, van wie de schrijver er een is, er is een buitenwereld en een binnenwereld. Er is een balkon en een kelder, een familie en buren, een slaaf en een heer, een scherm en een raam. ‘En de vlinders, de vlinders, ach, de vlinders’, ze fladderen als een soort mantra door deze poëzie.
Al Galidi is een bloedserieuze dichter die speelt met alle spelregels waarmee te spelen valt. Zo heeft hij liefst vier pogingen nodig om te openen. Maar één ding is al na Het eerste mislukte begin duidelijk, de situatie is ernstig: ‘Ze hebben de muren bezet,/ de zolder gegijzeld,/ het dak vermoord/ en het raam dichtgetimmerd.’ Waarna in het derde mislukte begin de ‘Wereldbank’ de zweep erover haalt en in het volgende eveneens ‘mislukte begin’, de vreemdelingenpolitie haar intrede doet. In de dreigende wereld die Al Galidi in enkele woorden optrekt leeft het, is alles bezield. Balkons, seizoenen, bakkerijen zijn als van vlees en bloed, zoals elders ‘De zeep huilt’ en pannen ‘gebroken harten’ hebben.
Na de vier mislukte beginnen volgt Het begin van de heer, geen religieuze heer, meer een meester. Dit begin luidt meteen een einde in, en wel dat van de wereld. Na zijn aanvankelijk nederige opstelling zet Rodaan Al Galidi hoog in. Het gedicht biedt een korte samenvatting van wat gaat komen: ‘De schrijver van deze zinnen,/ Rodaan Al Galidi,/ hoopt dat hij zijn hoofdpersoon/ niet doorslikt (…).’ ‘Veel plezier’ klinkt het jolig in de laatste strofe. Maar of plezier nu het genoegen is dat aan deze bundel te beleven valt? Een continue verbazing en bevreemding, dat is het overheersende gevoel bij het lezen van De laatste slaaf. Al Galidi’s poëzie heeft een parlandotoon die enerzijds makkelijk laat lezen. In die vertellende toon hopt hij van gedragen regels als ‘De zesde zweep/ was mijn geboorte/ in de verkeerde tijd/ de verkeerde plek,/ tussen de verkeerde mensen’ naar een bijzondere tijdsbepaling als ‘Lang geleden,/ toen de voet/ een weg was/ en niet de vulling van een schoen’ of een absurde vergelijking als ‘De afstandsbediening/ is een hoektand’.
Als rode draad door de bundel loopt de geboorte van de laatste slaaf, zijn verblijf in de kelder, zijn opklimmen naar het balkon en tot slot zijn vrijwillige terugkeer naar de kelder. Die draad is er weliswaar, maar volgt geen rechte weg, en zelfs geen weg met hier en daar een bocht. Voortdurend zijn er op allerlei niveaus botsingen, grotere en kleinere. Botsingen in stijl, in wereld, in taal. Vrijwel ieder woord behelst een kritiek. Die rode draad is uiteraard niet zomaar een verhaal, maar vertelt ook een geschiedenis, van slavernij, emancipatie en vrije wil, van arm versus rijk, van het Westen tegen het Oosten: ‘Westerse ambtenaren vroegen mij/ of ik Osama bin Laden persoonlijk ken./ Oosterse soldaten vroegen mij/ of ik een soenniet of een sjiiet ben.’ En ook de geschiedenis van de schrijver speelt mee.
Al die verschillende werelden die Al Galidi bijeenbrengt, de wereld van terreur en oorlog die we kennen van de televisie, de wereld die we leerden uit geschiedenisboeken, de verhalen uit de Bijbel en die uit sprookjes, de reclame van de Albert Heijn en het weerbericht – maken het tot een bundel die van rijkdom bijna uit elkaar barst, tot poëzie die onvoorstelbaar vaak prettig stuiterende en tot nadenken stemmende kortsluiting veroorzaakt.
Maar tegelijkertijd bekruipt de lezer soms het gevoel dat het hier en daar ook in minder woorden gezegd had kunnen worden. Soms wordt de veelstemmigheid bijna een soort monotonie. En het lijkt alsof de dichter zich daarvan bewust is als hij na het drie pagina’s lange gedicht De vrouw van het balkon, te lezen als aanklacht tegen de consumptiemaatschappij, het daarop volgende tweeregelige vers (‘Ze is arm,/ omdat ze niets meer nodig heeft.’) de titel geeft: Korte versie van het vorige gedicht.
Ook de openhartige en tegelijkertijd dubbelzinnige prozatekst die de dichter tot besluit heeft opgenomen, kan als een indekken tegen kritiek worden beschouwd: ‘Sorry’, luidt de titel. Excuses lijken me niet nodig. Al Galidi heeft een boodschap, en bovendien een pregnante en behoorlijk geestige manier om die te verpakken. Maar een beetje indikken zou geen kwaad kunnen.