De onbeperkte macht van Brazilië’s grootgrondbezitters

Bloedvlees

Nederlanders eten volop biefstuk uit Brazilië. Maar de vleesproductie gaat gepaard met verwoesting van de Amazone, grootschalige slavernij en brute moordpartijen. Met steun van president, parlement en kerk. Deel 1 van een drieluik voorafgaande aan de Braziliaanse presidentsverkiezingen van 7 oktober.

Brazilië, Novo Progresso, illegale ontbossing en occupatie van het Amazone-regenwoud © Lalo de Almeida / The New York Times

Zo had ik me de Amazone niet voorgesteld. Kaalgeslagen vlaktes zo ver het oog reikt, af en toe onderbroken door het zwartgeblakerde skelet van een eenzame boom. Geen mysterieus woud vol kwetterende vogels en slingerende apen. Mijn eerste gordeldier: platgereden op de weg. De eerste blauwe papegaai: aan de ketting bij een benzinepomp. Hier het geluid van voorbij ploegende vrachtwagens en het geloei van koeien. Duizenden koeien. Bruinig en wittig. Speciaal voor de tropen gekloonde superkoeien met een bult op hun nek. Soms wordt de weg geblokkeerd door cowboys te paard die een angstige kudde opdrijven. Eindelijk zien we een plukje onaangetast oerwoud. Als we stoppen klinkt het geluid van motorzagen. In het bos komt een dikke man op ons afgestormd. ‘Wegwezen’, beveelt hij. ‘Nu!’ Zijn hand gaat naar het kapmes aan zijn riem.

Dit is vijftien jaar geleden. Met een collega ben ik op weg naar São Félix do Xingu. Een stadje dat ontstond in de jaren zestig, toen de militaire dictatuur besloot de Amazone te ontsluiten. ‘Een bos met alleen indianen is een gevaar voor de nationale veiligheid’, was de filosofie van de generaals. Dus bouwden ze een snelweg dwars door het grootste regenwoud op aarde. Ze loofden premies uit en smeten met leningen. Langs de vierduizend kilometer lange snelweg streken de eerste kolonisten neer. In het begin waren het vooral arme boerengezinnen uit het droge noordoosten. Maar de snelweg werkte als een magneet. Duizenden gelukszoekers trokken naar de Amazone en begonnen op grote schaal te ontbossen. Vanaf de snelweg hakten ze illegale zijpaden door het bos. Die zijpaden werden wegen, waarvandaan de illegale ontbossing via nieuwe zijpaden verder ging. Een van die paden stuitte op de Xingu, een brede zijrivier van de Amazone. Zo ontstond São Félix do Xingu.

‘Acht landarbeiders vermoord in São Félix’, staat er een paar dagen voor ons vertrek in de krant. Een klein bericht op pagina 7, met een fotootje van zwaar toegetakelde lichamen met de handen op de rug gebonden. ‘Gemarteld en geëxecuteerd.’ De daders zouden pistoleiros zijn, huurmoordenaars die op het platteland terreur zaaien voor grootgrondbezitters. De opdrachtgever zou ene João Cleber de Souza zijn, de grootste houthandelaar uit het gebied.

Twee dagen en zes lekke banden later komen we ’s avonds aan. We treffen een mottig stadje, plakkend van het rode stof. Een min of meer geplaveide hoofdstraat, een hotelletje met een neonlamp, huisjes van planken. In de drinkhuizen wordt de sfeer vijandig zodra we over de moorden beginnen. ‘Als ik jullie een tip mag geven’, zegt een oudere man bij de uitgang. ‘Hier vinden geen moorden plaats. Hier zijn alleen ongelukken. Er zijn hier kogels en kapmessen en omvallende bomen. Allemaal dingen waar je ongelukken van krijgt.’

‘Dit is het fucking Wilde Westen’, briest mijn Canadese collega. We proberen de volgende dag familieleden van de vermoorde landarbeiders op te sporen en lopen tegen een muur van stilzwijgen op. Voor het kantoor van de verdachte versperren mannen met een bobbel onder hun blouse ons de weg: ‘De heer João Cleber is tijdelijk afwezig.’ Op het politiebureau zit één agent die ons doorverwijst naar Belem, de hoofdstad van de deelstaat. ‘We hebben hier maar twintig agenten’, zegt hij. En dat voor een gebied zo groot als Portugal, met indianenreservaten en beschermde natuurgebieden erin.

De volgende dag stappen we op een gammel pontje naar de overkant van de Xingu. Bij het ontbijt heeft mijn collega een gesprek opgevangen. Het echtpaar naast ons detoneerde. Stijve kapsels en gepoetste schoenen in dit rood bestofte stadje. Ze wilden een fazenda kopen, hoorde mijn collega hen tegen een helikopterpiloot zeggen. Een grote boerderij voor hun kinderen. Op de kaart zag mijn collega waar het lag. Precies hier, aan de overkant van de rivier. Een beschermd natuurgebied ter grootte van drie keer Nederland.

Voor een paar reais geeft iemand ons een lift. We klimmen op een in elkaar geknutselde Flintstone-wagen en rijden over een pas gebuldozerde illegale weg door het oerwoud. Bij een houten huisje op een weggehakt stuk bos stappen we af. Een man in keurig gestreken cowboyuitrusting ontvangt ons vriendelijk en serveert koffie. ‘Koeien’, antwoordt hij op de vraag wat hij hier zo geurend naar aftershave in de wildernis doet. ‘De koe is de toekomst van Brazilië.’ Hij beschrijft de sloopcyclus. ‘Eerst haal je het dure hout ertussenuit. Dan steek je de rest van het bos in brand. Vervolgens zaai je gras met een vliegtuigje. Klaar is Kees. Je zet er slachtkoeien op en hebt nergens meer omkijken naar.’

Natuurlijk weet hij dat dit beschermd natuurgebied is. En ook dat de pas verkozen arbeiderspresident Lula da Silva alle ontbossing in de deelstaat heeft verboden. ‘Maar ik heb het eerlijk gekocht’, zegt hij grijnzend. Van wie? De man tuit zijn lippen. ‘Grilagem?’ vraagt mijn collega. Dat is het Braziliaanse woord voor het illegaal inpikken van grond van de staat, via valse eigendomspapieren.

In zijn jeep met airco hobbelen we over ‘zijn’ land. Mannen met kettingzagen leggen woudreuzen om. ‘Mahoniehout’, zegt onze man trots. Zou hij niet weten dat mahonie vellen verboden is? ‘Verkoopt u die bomen aan houthandelaar João Cleber?’ vraagt mijn collega. ‘Zou zomaar kunnen’, grinnikt de neocowboy. ‘Heeft hij u dit land verkocht?’ De man zet een vrolijk muziekje op en biedt ons aan met hem mee terug naar het stadje te rijden. Hij logeert in hetzelfde hotel als wij. ‘Ik slaap uiteraard niet in een hut.’

In Rio krijg ik een onthullend rapport van de procureur uit Belem onder ogen. Een paar maanden eerder bezocht hij São Félix om mensen uit slavenarbeid te bevrijden. Zijn team werd met de dood bedreigd. In zijn rapport wijst de procureur houthandelaar João Cleber aan als ‘de commandant van een criminele organisatie die in het hele gebied wordt gevreesd door de gewelddadigheid van zijn pistoleiros’. Samen met zijn broer zou Cleber de ‘hele illegale cyclus’ bestieren van kappen, branden en land aan de staat onttrekken.

Op dat moment telt São Félix al meer dan een half miljoen koeien, tegenover 35.000 mensen. De opmars van de gebroeders De Souza in São Félix begon vijftien jaar eerder toen ze land van de indianen inpikten en het mahoniehout lieten weghalen door tot slaaf gemaakte landarbeiders. Het inzetten van slaven in de Amazone is ‘normaal’, leerde ik van de oude Italiaanse priester die ik in het stadje bezocht. Zijn levenswerk was het helpen en verstoppen van weggelopen slaven. ‘Ronselaars gaan naar de arme dorpen in het noordoosten. Daar beloven ze mensen werk. Ze worden op transport gezet. Eenmaal in het oerwoud ontdekken ze dat ze niet meer weg kunnen. Geld verdienen ze niet en ze worden gevangen gehouden door bewapende bewakers. Als ze al weten te ontsnappen, verdwalen de meeste weglopers in het bos. En als ze toch de bewoonde wereld bereiken, zijn er de pistoleiros van João Cleber.’ Hier is geen respect voor het leven, zei de priester. Hij had de tijd nog meegemaakt dat mensen in São Félix van de straat werden geplukt en opgesloten in een barak. ‘Als het er genoeg waren, een stuk of dertig, werden ze door de politie zelf op de pont gezet naar het natuurgebied.’

‘Je zaait gras met een vliegtuigje. Klaar is Kees. Je zet er slachtkoeien op en hebt nergens meer omkijken naar’

Langzaam besef ik: dit is niet zomaar chaos en wetteloosheid. Geen moderne kopie van het wilde westen. Dit is de voortzetting van een eeuwenoud plundersysteem: het verdrijven van de oorspronkelijke bevolking, het invoeren van slavenarbeid en het uitputten van de aarde met monocultuur. Wat in de koloniale tijd de suiker was, is nu de koe. Brazilië is het land met de meeste koeien ter wereld. Zestig procent van de Braziliaanse CO2-uitstoot wordt veroorzaakt door zijn miljoenen koeien. In de Amazone is de aarde bovendien dun. Als er eenmaal ontbost is, erodeert de grond al snel tot woestijn.

De Braziliaanse biefstuk ‘loopt vrij rond in uitgestrekte graslanden’ prijst het bedrijf Beef Exclusief in Nederland zijn ‘groene’ regenwoudrundvlees aan. Brazilië is de op twee na grootste rundvleesleverancier aan Nederland. Maar achter het beeld van de gelukkige Braziliaanse koe gaat de onbegrensde macht van de Zuid-Amerikaanse grootgrondbezitters schuil.

Volgens een rapport van Oxfam International heeft één procent van de grootgrondbezitters in Latijns-Amerika meer grond in bezit dan alle plattelandsbewoners, kleine boeren en landarbeiders bij elkaar. En overal op het continent neemt de concentratie van de grond in handen van enkelen toe. Dit ontwricht hele samenlevingen, stelt Oxfam vast.

Capitanias heetten de eerste bestuurlijke eenheden van Brazilië. De Portugese kroon wees een uitverkoren onderdaan een groot stuk land toe dat hij naar eigen inzicht mocht beheren. In het immense Brazilië was er geen toezicht. Het moederland was ver weg en de katholieke kerk had weinig te vertellen. Intussen regeerde de landheer als een absolute vorst over zijn koninkrijkje. In zijn gebied was de landheer tegelijk ondernemer, legerleider, priester, rechter, politie en beul. Tot slaaf gemaakten, indianen en vrouwen waren aan zijn grillen overgeleverd. Een scheiding tussen openbaar bestuur en privébelang bestond niet. Dit was de bestuursvorm van de koloniale staat. Een keizerrijk en twee republieken later is er nog weinig veranderd.

Amazone-regenwoud – ‘Is Europa zelf niet rijk geworden door het vernietigen van zijn bos?’ zegt de koeienlobby © Ricardo Funari /Brazil Photos / LightRocket via Getty Images

‘Omdat hij machtig is’, blijft Leidijane herhalen. Zij is lid van de vakbond van landarbeiders in het stadje Rondon in de deelstaat Pará en ik ontmoet haar tijdens een van mijn volgende bezoeken aan de Amazone. We rijden met haar over de uitgestrekte landerijen van de lokale grootgrondbezitter José Barroso. Angstig weggedoken zit ze achterin. Een paar jaar eerder had deze Barroso de voorzitter van haar vakbond laten vermoorden. Voor de ogen van zijn vrouw en kinderen joegen drie pistoleiros een kogelregen door het hoofd van de vakbondsleider. ‘Hij had het gewaagd Barroso aan te geven voor illegale ontbossing’, verklaart Leidijane. Het Openbaar Ministerie klaagde de landeigenaar aan voor de moord. Maar de man is nooit opgepakt of berecht. ‘Dat zal ook niet gebeuren’, zegt Leidijane.

Waarom niet? ‘Omdat hij een machtig man is’. Op het land van Barroso zien we zwarte cowboys met lasso’s koeien vangen. Afgepeigerde mannen zetten overal hekken neer. We komen een man op een bulldozer tegen die bomen aan het rammen is. Nee, een vergunning van de boswachters heeft hij niet. ‘Als je werkt moet je bevelen uitvoeren hè’, zegt hij lachend. ‘Vergunning?’ schampert ook de chauffeur van een vrachtwagen beladen met boomstammen. ‘Wij doen alleen wat de baas ons opdraagt.’

‘Barroso heeft hier inmiddels meer dan 138.000 hectare’, vertelt Leidijane, die pas de auto durft uit te komen als er niemand in de buurt is. Hoe komt hij daaraan? Ze haalt haar schouders op: ‘Hij zet gewoon overal hekken neer en zegt dat het land van hem is. Hij heeft niets gekocht, niets betaald.’ Maar de autoriteiten dan? Justitie, de boswachters, het kadaster… ‘Nee’, antwoordt ze beslist. ‘Die doen niets.’ Waarom niet? ‘Omdat Barroso machtig is.’

Tegen de avond zijn we op onze bestemming. Verschroeide aarde met daarop lemen iglo’s. In die puisten wordt houtskool gestookt voor de Braziliaanse staalindustrie. ‘Hier hield Barroso 45 mannen gevangen als slaaf’, vertelt Leidijane. ‘Vijf jaar lang.’ Vijf jaar dag en nacht in de tropische hitte met deze hete ovens. Zonder loon, zonder onderkomen, bewaakt door gewapende opzichters. ‘En als ze niet gehoorzaamden werden ze geslagen.’ Pas toen een aantal wist te ontsnappen en aanklopte bij de vakbond van Leidijane, kwam er een eind aan. Maar er volgde géén veroordeling? Leidijane schudt haar hoofd. ‘Nee niets. Begrijp het dan…’ haar ogen tranen niet alleen van de rook. ‘Barroso is hier de grootste landbezitter. Hij is een coronel.’

Met de afschaffing van de slavernij in 1888 en het uitroepen van de republiek in 1889 kwam er een nieuw bestel in Brazilië. Coronel, kolonel, luidde de officiële naam van de plattelandsmonarchjes. Die militaire titel kregen ze al in het keizerrijk en na het uitroepen van de republiek werd de macht van de kolonels nog groter. Hun basis lag paradoxaal genoeg in het zich uitbreidende kiesstelsel. Met ossenkarren en later vrachtauto’s werden ‘onderdanen’ naar de stembureaus gereden. Daar kregen ze briefjes met de naam van de kandidaat in de hand, die ze onder bewaking in de stembus moesten deponeren.

Tot op de dag van vandaag heet het stemmenreservoir van een lokale machthebber zijn curral eleitoral, de ‘electorale koeienstal’. Dit is nog steeds de basis van het Braziliaanse politieke systeem. Kolonels voegden hun eigen ‘koeienstal’ bij die van een ander en bij weer anderen. Zo kregen de kolonels niet alleen de lokale maar ook de nationale politiek in handen.

‘Hij zet gewoon overal hekken neer en zegt dat het land van hem is. Hij heeft niets gekocht, niets betaald’

‘Peetvaderkapitalisme’ wordt het systeem nu genoemd. Een goed voorbeeld hiervan zijn de broertjes Joesley (46) en Wesley (45) Batista. De bedenker van de Disney-namen in de jaren zeventig was José Batista Sobrinho. Een kleine ‘kolonel’ uit de buurt van Brasilia, de nieuwe politieke hoofdstad. De lokale patriarch zette zijn electorale koeienstal in om aanbestedingen bij politici in de nieuwe hoofdstad los te weken. Al snel mocht hij vlees leveren voor de maaltijden van de bouwvakkers van openbare gebouwen. Hij richtte een familiebedrijf op en noemde het jbs, naar zijn eigen initialen. Joesley en Wesley waren vijftien en veertien jaar toen hun vader hun een eigen slachthuis gaf. Naar school gingen ze niet. Tot op de dag van vandaag praten ze plat Portugees met een provinciaal accent.

In 2003, tegelijk met het aantreden van de linkse regering van president Lula, kreeg het bedrijf een miraculeuze groeistuip. In 2013 was jbs plotseling het grootste vleesverwerkingsbedrijf ter wereld. Hoe was dit mogelijk? In tien jaar tijd van het sjouwen met karkassen in een tropisch slachthuis naar de absolute wereldtop met een vloot privéjets en lofts op Fifth Avenue. ‘De rijkdom van jbs komt niet door uitbreiding van de eigen markt’, analyseerden economen. ‘Maar door het systematisch opkopen van concurrenten.’ Niet alleen in Brazilië, ook in Argentinië en de VS namen de broertjes vleesbedrijven over. Het geld voor de overnames kwam rechtstreeks uit de zak van de Braziliaanse belastingbetaler. Vanaf 2003 gingen bakken overheidsgeld naar de broertjes. Ook de linkse arbeiderspartij (PT) van Lula was gegijzeld in het systeem. De broertjes kregen goedkope leningen van staatsbanken, belastingvrijstellingen en subsidies in de stelselmatige ‘herverdeling van arm naar rijk’ die het peetvadersysteem kenmerkt.

Alleen al aan subsidie werd in het crisisjaar 2016 veertig miljard euro aan jbs en drie andere bedrijven gegeven. Het totale overheidstekort was dat jaar ongeveer even groot. ‘Zo picknickt onze aristocratie rustig voort op de rand van de vulkaan’, schreef de vooraanstaande antropoloog Roberto DaMatta. Brazilië heeft zich volgens hem ‘slechts gehuld in een vlag van democratie’, terwijl de praktijk er nog steeds een is van ‘keizers, hovelingen en plattelandsdespoten’.

Joesley en Wesley bezorgden jarenlang dozen en koffers vol geld bij politici. Eén op de drie parlementariërs stond bij hen op de ‘cadeaulijst’, onder wie ook leden van de Arbeiderspartij. In tien jaar deelden ze 240 miljoen euro uit. Een ‘koopje’, afgezet tegen hun omzet van 56 miljard euro per jaar.

‘De waarheid is: wij-gaan-niet-gepakt-worden. Alles. Maar niet snorren!’ Op het bandje is de bulderende stem van Joesley Batista te horen. Hij praat tegen zijn kompaan, de directeur van het ‘smeergelddepartement’ van jbs, Ricardo Saud. Het is 17 maart 2017, de avond na de grootste federale politieoperatie in Brazilië ooit. Meer dan duizend agenten vallen overal in het land slachthuizen binnen. Wat ze aantreffen schokt de wereldhandel. Overal vinden de agenten grote voorraden bedorven vlees dat opnieuw verpakt is met een verse datum erop. Kankerverwekkende stoffen om de stank te verbergen, opgespoten vlees, warme koelcellen, zieke en mishandelde dieren. De zwendel blijkt al jaren aan de gang. jbs en anderen betalen de inspectie om niet te inspecteren. De minister van Justitie is een van de grootste ontvangers van smeergeld.

Toch is het niet deze operatie die Joesley angst aanjaagt. Hij wil vooral uit handen blijven van de aanklagers van operatie Wasstraat. Het gesprek tussen de mannen gaat dan ook over een mogelijke deal met het Openbaar Ministerie (OM). ‘Verraad met premie’ heet zo’n schikking: het erbij lappen van mededaders in ruil voor strafvermindering. Hoe belangrijker de namen, des te hoger je ‘premie’. Met dat doel hebben de heren een paar dagen eerder stiekem een belastend gesprek met president Temer opgenomen. ‘Hij is ons kroonjuweel’, zegt Joesley. Behalve de president hebben ze nog een hele serie andere belangrijke politici op band. ‘Wat wij te vertellen hebben is een vervloekte atoombom, Ricardinho. We zullen geen dag, geen minuut achter de tralies zitten.’

Twee maanden later is de top van jbs inderdaad vrij van elke strafvervolging. In plaats van duizend jaar gevangenisstraf voor meer dan 240 misdaden krijgen ze van het OM volledige immuniteit in ruil voor hun bandjes en lijsten. Joesley en zijn maat begaan echter een stommiteit. Per ongeluk leveren ze ook het bandje in van hun met whisky overgoten privégesprek. In plaats van de recorder uit te zetten, drukten ze op de opnameknop: ‘Zo staat hij toch uit, Joesley? Ik heb mijn bril niet op.’

Maanden later ontdekt een oplettende medewerker van het OM de bandopname. Zo krijgt Brazilië een mooi inkijkje in de cultuur van de oligarchen. Met cowboymuziek op de achtergrond horen we de slachters praten over ‘die slet van het OM’. Hoe ze haar snel in bed moeten krijgen om ‘een betere deal’ af te dwingen. We horen hoe de mannen een plan smeden om het hooggerechtshof ten val te brengen. ‘Ik serveer Temer en zijn regering af’, beslist Joesley. ‘En jij trekt het hooggerechtshof omver.’ Het cynisme van de topmannen lijkt grenzeloos. ‘Je moet ze bandieten noemen, dan denkt het OM dat we aan hun kant staan’, zegt Joesley over de politici die ze op het punt staan te verraden. Hun eigen misdaden noemt hij ‘streken’. ‘We biechten natuurlijk niet alles op. Van de dertig streken vertellen we er twintig, of tien.’

Het Parlementair Agrarisch Front heten ze officieel, of het ‘Verbond van de Koe’. Het is een genootschap van tweehonderd parlementariërs uit verschillende politieke partijen die slechts één agenda hebben: de verdediging van het grootgrondbezit. Ze zijn vooral tégen dingen. Tegen arbeidsbescherming en landhervorming. Tegen indianenrechten en milieuwetgeving. Blairo Maggi is een van de meest kleurrijke vertegenwoordigers van de koeienlobby. Hij was gouverneur van de deelstaat Mato Grosso, letterlijk ‘dik bos’, maar daar staat haast geen boom meer overeind. Als soja- en koeienbaron is Maggi zelf de grootste ontbosser. Zijn familiebedrijf Amaggi, met ook een vestiging in Rotterdam, is het grootste sojabedrijf ter wereld. Het moest maar eens afgelopen zijn met dat milieu- en indianengedoe van de linkse presidenten Lula en Dilma, vond het Verbond van de Koe. Ze staken de koppen bij elkaar en onderhandelden met wat andere parlementaire lobby’s. Zo haalde het verbond een jaar later de Braziliaanse boswet onderuit. In de oude wet van 1934 werd bepaald dat een eigenaar niet meer dan twintig procent van zijn land mocht ontbossen. ‘Toename van ontbossing zegt me niks’, loeide Maggi in de Senaat als voorzitter van de milieucommissie. ‘Brazilië ligt er nog bijna net zo bij als toen we het ontdekten’, zei hij later tegen de indiaanse bevolking. ‘Een gebied, groter dan Europa is haast niet aangeraakt. En bovendien: is Europa zelf niet rijk geworden door het vernietigen van zijn bos?’ Inmiddels is Maggi minister van Landbouw in de regering Temer en beijvert hij zich voor het opheffen van alle natuurgebieden en indianenreservaten.

In de tijd van het Verbond van de Koe rijd ik met Samuel Andrade en zijn collega’s door de laatste restjes ‘dik bos’ van Mato Grosso. Samuel is een van die zeldzame bevlogen boswachters die nog in zijn missie gelooft. Zij hebben de onmogelijke opdracht het Braziliaanse regenwoud te beschermen met omgerekend anderhalve boswachter per oppervlakte zo groot als Nederland.

De witte boswachtersjeep stopt bij een aantal mannen die aan de weg werken. ‘Wat weten jullie van die brand?’ vraagt Samuel terwijl hij naar de verte wijst. ‘Vuur?’ vragen de mannen. ‘Wij zien geen vuur.’ De horizon is rood van de vlammen. Dikke rookkolommen stijgen op naar de hemel. Samuel lacht: ‘Hier ziet, hoort en praat niemand.’ Hij is het gewend. Het hoort bij het vak, zoals ook de bedreigingen erbij horen.

Kilometers lang rijden we over een onafzienbaar slagveld van gevelde bomen naar het hart van de brand. Samuel kijkt op zijn telefoon. ‘Dacht ik het niet’, roept hij. ‘Er ligt al beslag op dit land.’ Hij checkt opnieuw. ‘Dit is niet te geloven, toch? Minder dan een maand geleden hebben we beslag laten leggen omdat het bos hier illegaal werd omgekapt. De boetes zijn uitgeschreven, het proces is begonnen. En toch hebben die lui het hart om de boel onder onze ogen in brand te steken.’

Bij de brandhaard is het zaak iemand te betrappen. In de Braziliaanse milieuwetgeving is alleen heterdaad strafbaar. Hoewel er bewijs is dat de brand is aangestoken, zijn de daders ontsnapt. Verslagen staart Samuel naar de vlammenzee. Hij wijst op een brandende paranotenboom. ‘Honderd jaar heeft zo’n boom erover gedaan om te worden wat hij is. Dit komt nooit meer terug.’ De daders, als hij ze al betrapt, komen sowieso niet in de gevangenis. Op brandstichten en ontbossen staan alleen boetes.

‘Wat wij te vertellen hebben is een vervloekte atoombom. We zullen geen dag, geen minuut achter de tralies zitten’

’s Avonds kruipt Samuel achter zijn computer. In het halfduister van zijn kantoor vertelt hij dat de boswachters van alle overheidsinstellingen de meeste boetes uitschrijven, maar het minste binnenhalen. Niet meer dan 4,7 procent van de milieuboetes wordt betaald. Hij scrolt door documenten, klikt een passage open: ‘Kijk nou’, wijst hij opgetogen. ‘Die gast is niet de eigenaar. Het land is van de staat. We hebben hem.’

Wanneer Samuel en zijn team de ‘landheer’ de volgende dag een bezoekje brengen, overlegt de man een vergunning om het bos af te branden. Afgegeven door de lokale autoriteiten, op de dag van de brand zelf. Samuel en zijn team staan met hun mond vol tanden. Zwijgend rijden we terug.

Landloze boeren houden een bijeenkomst over hoe aan land te komen om te overleven, São Félix do Xingu, Brazilië, 2012 © Sebastian Liste / NOOR

Eind 2012 werd de nieuwe boswet aangenomen. In de beschermde Amazone mogen grondbezitters nu vijftig procent van hun land ontbossen, in plaats van twintig. Er kwam een amnestie voor alle milieudelicten begaan vóór 2008. De macht en ook het budget van de boswachters werden nog verder ingeperkt. En voor de aanleg van wegen, spoorlijnen en havens in de Amazone is geen toetsing van de milieuregels of overleg met de bevolking meer nodig.

De boswet was onderdeel van een groot offensief van het Verbond van de Koe, met het afzetten van de linkse president Dilma Rousseff als uiteindelijk hoogtepunt. De ‘Coup van de Koe’ wordt de aanstelling van president Temer ook wel genoemd. Alle tweehonderd afgevaardigden van het Verbond stemden voor impeachment van de gekozen president Rousseff.

Al in zijn eerste jaar voerde Temer dertien van de zeventien punten van de agenda van de lobby door. Brazilië is bijvoorbeeld de grootste gebruiker van landbouwgif ter wereld. Het gebruik verdrievoudigde de laatste tien jaar. Toch ‘flexibiliseerde’ Temer de gifwet. Ook werd de arbeidswet aangepakt. Vrijwel alle artikelen die slavenarbeid moesten voorkomen zijn geschrapt. Loon hoeft niet meer in geld te worden uitbetaald. Slechte werkomstandigheden en lange werkdagen mogen weer. Terwijl het plan om het houden van mensen in slavernij te bestraffen met de gevangenis van tafel is geveegd.

Vorig jaar juni draaide Temer ook de voorzichtige landhervorming de nek om. Tot dan toe mocht het Nationaal Instituut voor Kolonisatie en Landhervorming’ (Incra) beslag leggen op land dat lange tijd niet bebouwd werd, om het te verdelen onder landloze boeren. Die kregen dan een concessie om de grond te bewerken, maar ze mochten het niet verkopen. Nu mag het Incra geen beslag meer leggen. Alle boeren moeten hun land tegen marktprijzen kopen. Volgens de beweging van landloze boeren leidt dit tot een nog grotere concentratie van land in handen van enkelen: kleine boertjes kunnen de prijs voor een landtitel niet opbrengen, raken in de schulden en zien zich gedwongen hun land aan de grondgrondbezitter te verkopen. Bovendien krijgt iedereen die land van de staat heeft ingepikt amnestie.

Een van de meest bittere overwinningen van de koeienlobby raakt negenhonderdduizend Braziliaanse indianen. In de grondwet van 1988, na de dictatuur, werd het recht van de indiaanse volken op eigen grondgebied vastgelegd. De afbakening van de reservaten moest in 1993 zijn afgerond. Dertig jaar later is nog maar één op de drie indiaanse gebieden officieel gemarkeerd. Inmiddels heeft Temer een grondwetswijzing goedgekeurd. Niet de nationale indianenbescherming (Funai), maar het parlement beslist nu over de grenzen. Daarmee is het grondrecht op eigen land de indiaanse volken definitief afgenomen en in handen van parlementaire meerderheden gelegd.

Een aantal jaren geleden bezocht ik de Bororo-stam in het zuiden van de Amazone. De honderdduizend hectare waarop het Bororo-volk leeft, is al in 1912 afgebakend en officieel tot reservaat verklaard. Toch zit stamhoofd María Eurekeudo met haar mensen op twee hectare kale grond achter prikkeldraad. ‘Er was veel vis. Veel jacht. En nu? Kijk zelf. Alleen koeien. Geen bos’, beschrijft ze het uitzicht vanuit haar openluchtgevangenis. Het totale leefgebied van de stam bestaat uit zeven hectare droge rode aarde met een aantal rieten hutten. Ook de toegang tot de rivier, hun levensader, is afgesloten door koeienboeren. ‘Als we ons willen wassen moeten we de witte man om toestemming vragen.’

‘De deelstaat geeft de witte man gewoon landtitels’, geeft Eurekeudo als verklaring. Doet de indianenbescherming zijn werk dan niet? Meewarig schudt ze haar hoofd. ‘Hetzelfde’, zegt ze en klakt met haar tong. ‘Dat is ook politiek.’

Sinds een paar jaar is de Funai ‘van’ de kleine evangelische partij psc. In de politieke verkaveling van de overheid krijgt elke partij een staatsonderneming of controleorgaan toegewezen. Daarin mogen ze hun eigen ‘peetkinderen’ neerzetten om hun partijbelangen te dienen. De ultraconservatieve psc heeft weinig op met de ‘heidenen’. ‘Waarom zouden wilden en goddelozen voor niets krijgen waar beschaafde christenen hard voor moeten werken?’ vroeg een psc-parlementslid zich onlangs nog af. De partij maakt deel uit van het ‘parlementair evangelisch front’, het verbond van evangelische pinksterkerken in de Kamer. ‘Koe’ en ‘Kerk’ trekken steeds vaker samen op omdat hun belangen elkaar overlappen. Samen zorgden ze dan ook voor de tweederde meerderheid die nodig was voor de grondwetswijziging aangaande de indianengebieden.

‘De grond is onze moeder’, zegt María Eurekeudo. ‘Dus moet je vechten om haar niet te verliezen.’ Vijf jaar geleden boekte ze haar eerste overwinning. Na meer dan tien jaar procederen bepaalde de rechter dat de illegale koeienhouders ‘per direct’ zevenhonderd hectare moesten teruggeven aan de Bororo’s. Maar de indianenbescherming verroerde geen vin. ‘Funai bezoekt ons een keer per jaar. Vraagt of het goed gaat. Wij zeggen nee. En ze gaan weer weg.’ Ook de politie hielp María niet de uitspraak van de rechter uit te voeren. De agenten worden aangestuurd door de deelstaat en zijn afhankelijk van lokale kolonels.

Op een avond kregen de Bororo’s bezoek van een jongen uit het nabijgelegen stadje. Hij waarschuwde María dat er een aanval op haar stam was beraamd door gewapende mannen. De opdracht zou komen van de grootste koeieneigenaar in het gebied. Opnieuw probeerde María de indianenbescherming om hulp te vragen. ‘Ze zeiden: ga maar naar de politie. Ik ging naar de politie. Die wilde de naam van de tipgever. Alleen dan konden ze wat doen.’ Eurekeudo verzamelde haar mensen, verliet de prikkeldraadomheining en verstopte zich dagenlang met haar stam in de bergen. Toen ze eindelijk terug durfden, hoorden ze dat de jongen die hen waarschuwde door twee agenten was vermoord.

‘We vonden hem in een greppel. Maar hij herkende niemand. Hij riep steeds: maak me niet dood, ik wil niet dood’

Sindsdien komen er ’s nachts gewapende mannen in pick-uptrucks naar het indianendorp. ‘Om ons bang te maken. Iedereen met een wapen om ons te bedreigen’, vertelt María. Midden op het terrein liggen de uitgebrande resten van een bestelauto. Het was het enige vervoermiddel van de stam. Haar schoonzoon reed erin toen hij werd aangevallen. Op het nippertje ontsnapte hij aan een lynchpartij. ‘Dagenlang was hij kwijt’, vertelt María. ‘We organiseerden zoekacties. Andere stammen kwamen helpen. We vonden hem in een greppel. Maar hij herkende niemand. Hij riep steeds: maak me niet dood, ik wil niet dood. Hij is nog steeds niet normaal.’

Na het failliet en de nederlagen van democratisch links in Zuid-Amerika laait overal op het platteland het geweld weer op. In Peru en Chili, Paraguay, Ecuador en Honduras worden landarbeiders, indianen en milieuactivisten vermoord. Ook in Colombia betekent het einde van de oorlog met de guerrillabeweging Farc niet het einde van het geweld op het platteland. Meer dan ooit worden beschermde indianengebieden binnengevallen en kleine boertjes verdreven.

De mensenrechtenorganisatie Global Witness berekende dat het aantal moorden op het platteland in Brazilië de laatste twee jaar zelfs verdubbelde. Sinds het aantreden van de regering-Temer vonden in Brazilië verschillende slachtingen plaats. In de Amazone-deelstaat Pará viel de politie vorig jaar mei een kampement binnen van landloze boeren. Tien mannen en een vrouw werden doodgeschoten. De agenten zijn al weer vrij. In diezelfde tijd werden in een reservaat bij de grens met Peru tien tot achttien indiaanse mannen, vrouwen en kinderen van een geïsoleerd levende indianenstam vermist. De lichamen zijn nooit gevonden. Maar lichaamsdelen en kleding doen vermoeden dat de indianen zijn vermoord en in stukken gehakt. Eerder al werd het Kaiowá-volk aangevallen door honderd met pistolen en hakmessen bewapende mannen die in busjes werden aangevoerd.

Opgehitst door een parlementariër van ‘de Koe’ op de radio lokten gewapende grootgrondbezitters in het noorden van Brazilië in april vorig jaar de indiaanse Gamela-stam in een hinderlaag. Van mannen en vrouwen werden handen afgehakt. De parlementariër noemde de Gamela’s ‘pseudo-indianen’ die ‘ordelievende en hardwerkende’ burgers in de weg zouden zitten. Een paar dagen eerder werden in een dorp bij het Amazone-stadje Colniza negen kleine boertjes gemarteld en vermoord door huurmoordenaars onder leiding van een politieagent. Volgens het OM werkten de pistoleiros in opdracht van de eigenaar van het houtbedrijf Cedro Arana dat zijn illegale houtkap in het gebied wilde uitbreiden. De eigenaar was al eerder beschuldigd van illegale ontbossing. Greenpeace beschrijft hoe er eind mei vijftien schepen met hout van Cedro Arana in de VS en Europa aankwamen, terwijl de eigenaar al was aangeklaagd en op de vlucht was. Na de VS is Nederland de grootste afnemer van hout van de veronderstelde moordenaar. Hoewel Europese wetgeving de import van illegaal gewonnen hout verbiedt, kochten Nederlandse bedrijven als Hoogendoorn Hout, Van der Hoek, Van der Sijde Hout en Derlage Jr. het ‘bloedhout’ van Cedro Arana gewoon aan.

‘Ik geef zo’n geweer aan elke grootgrondbezitter’, beloofde Jair Bolsonaro begin dit jaar op een drukke landbouwbeurs. ‘Privébezit is heilig. Dus als je land geschonden wordt geef je die criminelen gewoon de kogel met je 7.62 geweer. Punt uit.’ De extreem-rechtse presidentskandidaat kreeg een staande ovatie. Vuisten en cowboyhoeden gingen de lucht in. ‘Je moet daar radicaal in zijn’, ging de man verder. ‘Die landloze boeren moeten worden behandeld als terroristen.’

Bolsonaro is de leider van het derde parlementaire genootschap dat met een ‘K’ begint. Officieel het ‘Parlementair Front voor Openbare Veiligheid’, kortweg ‘de Kogel’ genoemd. De lobby van ‘de Kogel’ dweept met de militaire dictatuur: recht en orde, volk en vaderland en de doodstraf. Sinds de linkse ex-president Lula in de gevangenis zit en niet mee kan doen met de verkiezingen in oktober, staat Bolsonaro bovenaan in de peilingen. Hoewel hij al 27 jaar in de Kamer zit, lanceert de voormalige legerkapitein zich als de ‘buitenstaander’ die de elite van de corrupte politiek en het ‘peetvaderkapitalisme’ te lijf zal gaan. Hij wil dat alle burgers zich mogen bewapenen en leert kleine kinderen op verkiezingsbijeenkomsten met duim en wijsvinger het symbool van een pistool te maken. Hij vergelijkt zich met Donald Trump – ‘maar ik ben beter’. Sinds kort wil hij ook de linkse beweging van landloze boeren tot terroristische organisatie laten verklaren. ‘Ze zijn het rode leger van Lula. En wij hebben maar één vlag: de vaderlandse.’

Op internet circuleren vele filmpjes waarop te zien is hoe gewapende grondbezitters kampementen en dorpen van landloze boeren in brand steken. ‘Bolsonaro, kijk’, zegt een man in een filmpje met een geweer en een fakkel in de hand.

Elf jaar na mijn eerste bezoek is de onverharde weg naar São Félix geasfalteerd. De houten huisjes zijn vervangen door stenen huisjes. Behalve aan de rivier, waar de indianen wonen die uit hun reservaat zijn verdreven. De barretjes hebben neonlicht en televisies die standaard staan afgesteld op Canal Rural, de exclusieve zender voor boeren. Op de schermen koeienveilingen waarop je via een telefoonnummer een koe kunt kopen. Er wonen nu 120.000 mensen in de gemeente. En meer dan drie miljoen koeien.

‘Geloof, werk, ontwikkeling’, staat op de verweerde posters van de burgemeestersverkiezingen van een paar jaar eerder. Daaronder: ‘Stem João Cleber’. De moordende houtzager heeft het als echte coronel tot burgemeester geschopt.

‘De koe is onze bestemming’, lacht de grootgrondbezitter op de nieuwe veerpont die me nu naar de overkant van de Xingu-rivier brengt. Behalve veel auto’s en brommers varen er deze keer ook koeien mee. Ja, ook hij heeft hier koeien. Een kleine vierduizend, op vijfduizend hectare beschermd natuurgebied. Natuurlijk mag ik mee om te kijken. ‘Dit was dus allemaal bos’, zegt de boer met een breed armgebaar als we ons een paar uur later te paard tussen zijn koeien begeven. ‘De boswachters hebben me er al twee keer voor beboet’, zegt hij. ‘Voor illegaal ontbossen en voor afbranden. Schandalige boetes! Van een half miljoen tot één miljoen dollar.’ Nee, natuurlijk betaalt hij die niet.

‘Als wij het bos vernietigen is het omdat God ons het land gaf. Om te overleven’, zegt hij plechtig wanneer we afstijgen. ‘Dit land is niet van u, maar van de staat’, werp ik tegen. ‘Ik ben van mening dat het land van ons is’, zegt hij glimlachend. ‘Ik denk dat God geen land aan regeringen geeft, maar aan de bevolking. Om te overleven. Als de wereld niet wil dat we dit bos vernietigen, moeten ze ons maar betalen. Vindt u niet?’

’s Avonds klinken de donderpreken van de predikanten van de vele nieuwe pinkstergemeenten door de straten van São Félix. De Italiaanse priester met zijn slavenbevrijdingsfront is verdwenen, het geweld is gebleven. Als ik weer ben vertrokken hoor ik dat er die dagen opnieuw landarbeiders vermoord zijn.

In april dit jaar werd burgemeester João Cleber samen met een paar ambtenaren opgepakt voor het leegroven van de gemeentekas.


Dit is het eerste deel van een drieluik over de KKK in aanloop naar de presidentsverkiezingen op 7 oktober in Brazilië.