Bloedwarme kameraadschap

OP 8 MEI 1909 SCHREEF Henriette Roland Holst haar neefje Jany een brief vol wijze raadgevingen. De jonge poeet had blijk gegeven van socialistische aandriften en tante Jet was bang dat hij zich uit verkeerde motieven tot het socialisme wilde bekeren. ‘Maar het socialisme, dat is de arbeidersbeweging, en de arbeidersbeweging… dat is geen hapje, en geen grapje, maar harde werkelijkheid’, aldus tante. Neef Jany moest eerst maar eens grondig de marxistische klassieken bestuderen. Als hij dan nog trek had, dan kon hij de arbeidersbeweging komen versterken, maar dan moest hij wel van het idee af dat hij hiermee het onderdrukte proletariaat hielp. ‘Jij bent het voorloopig zelf, die geholpen moet worden, in jou is door je bestaan als jong heertje, lid van een zatte en vadzige bourgeoisie, onderdrukt het beste menschelijke, het gevoel van eenheid met je medemenschen, wat het socialisme je terug moet geven en waartoe het je opvoeden moet.’

Voor Henriette Roland Holst was het socialisme een uiterst serieuze zaak. De in 1869 in een voorname familie geboren Jet van der Schalk had alles mee om een zorgeloos leven te leiden. Ze verkeerde in cultureel zeer verfijnde kringen, was een begaafde dichteres en trouwde in 1896 met de getalenteerde kunstenaar Richard Roland Holst. De bevriende dichter Herman Gorter mocht er dan niet in slagen zijn geestdrift voor Spinoza op haar over te dragen, toen hij Marx ‘ontdekte’ reageerde ze laaiend enthousiast. In de geschriften van Marx, Engels, Kautsky en Plechanov vond zij een coherente maatschappijvisie en een richting voor haar vaag omlijnde idealisme en sterk ontwikkelde hang naar rechtvaardigheid. Het socialisme leek de levensvervulling voor jonge intellectuelen die zich onbehaaglijk voelden bij hun geprivilegieerde afkomst.
Toen Henriette Roland Holst en Herman Gorter zich in 1897 aanmeldden bij de SDAP, werden zij daar geestdriftig verwelkomd. De behoefte aan geschoold kader was enorm en ze stonden inmiddels te boek als veelbelovende dichters, zodat hun lidmaatschap de partij een zeker cultureel cachet gaf. Maar hoewel veel proletariers hunkerden naar algemene ontwikkeling, ging het ze in de eerste plaats toch om materiele verbeteringen. Vandaar dat de arbeiders over het algemeen meer vertrouwen hadden in 'reformistische’ leiders als Troelstra, Vliegen en Schaper dan in de theoretisch zeer onderlegde intellectuelen die van mening waren dat elke toenadering tot de bourgeoisie verder weg voerde van het socialistisch einddoel.
Voor Henriette Roland Holst was, alle marxistische materialisme ten spijt, het socialisme een 'stralende Idee’. Dat de praktijk van alledag weinig te maken had met de glorieuze toekomstverwachtingen, moet haar heel wat frustraties hebben bezorgd. De proletariers die zij tegenkwam, vertoonden weinig overeenkomsten met de van idealisme stijf staande arbeiders die haar man op de muren van het bondsgebouw der diamantbewerkers penseelde.
'De proletarier was voor haar meer een sociaal-politiek begrip dan een levend mensch’, oordeelde Troelstra in zijn memoires. De politiek leider van de sociaal-democraten was van mening dat ze niet alleen elk gevoel voor humor ontbeerde, maar tevens zin voor de realiteit. 'Haar politiek hield niet rekening met jaren, maanden en weken, maar slechts met eeuwen. In de normale tijden, die wij hebben beleefd voor den oorlog, kon het geld van den klassenstrijd slechts als pasmunt worden uitgegeven. Mevrouw Holst erkende dit niet; voor haar begon het pas bij den rijksdaalder.’
De 'harde werkelijkheid’ waar ze haar neef voor waarschuwde, bleef voor Henriette gedeeltelijk verborgen achter een gordijn van marxistische theorie. Echtgenoot Richard schreef aan Jany: 'Een natuur als zij (en ook Herman) kan ten slotte alleen een fantoom najagen, en dat kan alleen nagejaagd worden op de uiterste grens van de redelijkheid of daarbuiten. In de praktische politiek is voor die naturen niets te doen, en daar voelen zij zich katterig en lusteloos, als een visch in een emmer.’
Het is dus niet verwonderlijk dat Henriette, die in 1912 uit de SDAP stapte om zich aan te sluiten bij de radicaal-marxistische Sociaal-Democratische Partij, opleefde toen de banaliteit van het alledaagse werd doorbroken door dramatische gebeurtenissen en toen zij een echte arbeider ontmoette die voldeed aan haar eisen. De dramatische gebeurtenis was de Russische revolutie en de arbeider heette Henk Sneevliet. In de zojuist verschenen briefwisseling tussen Henriette Roland Holst en Henk Sneevliet kunnen we nalezen hoe de grootse toekomstverwachtingen die zij in 1917 koesterde, verbleekten in de harde realiteit van de communistische beweging.
Henk Sneevliet was in 1883 geboren in een onvervalst proletarisch gezin en had zijn jeugd doorgebracht in het katholieke ’s-Hertogenbosch. Door een beurs in staat gesteld om de HBS te volgen, kwam hij als beambte in dienst van de staatsspoorwegen. In de vakbeweging en de SDAP steeg de ster van deze intelligente arbeiderszoon snel. In Zwolle werd hij als eerste sociaal-democraat in de gemeenteraad gekozen en in 1911 werd hij landelijk voorzitter van de vakbond van spoor- en tramwegpersoneel. Die functie bekleedde Sneevliet slechts korte tijd, aangezien hij nog in datzelfde jaar in conflict kwam met de top van de 'moderne’ vakcentrale, het NVV, over de houding ten aanzien van de internationale zeeliedenstaking. Hij trok aan het kortste eind en toen de SDAP het optreden van het NVV goedkeurde, bedankte hij voor de partij. Enige tijd was hij lid van de SDP van Wijnkoop en Van Ravesteijn, maar al spoedig keerde hij terug naar de SDAP.
OMDAT HIJ IN 1912 gedwongen werd zijn functie van vakbondsvoorzitter neer te leggen, zocht hij een andere werkkring. Als zovelen in die tijd die maatschappelijk waren vastgelopen, vertrok hij naar Nederlands-Indie. Daar was hij een van de oprichters van de snel radicaliserende Indische Sociaal-Democratische Vereeniging (ISDV), die later zou worden omgevormd tot de Partai Kommunis Indonesia (PKI). De Nederlandse overheid in de kolonie was zo'n oproerkraaier liever kwijt dan rijk, zodat Sneevliet in 1918 het land werd uitgegooid.
Begin 1919 keerde hij terug in Nederland, maar in de communistische partij zat men niet echt op deze eigengereide en ervaren kameraad te wachten. Vandaar dat hij gretig inging op het aanbod om voor de Komintern in China te gaan werken. Hij was betrokken bij het op poten zetten van de Chinese Communistische Partij. Tot op de dag van vandaag weet iedere Chinese scholier wie Sneevliet was.
Henriette Roland Holst en Sneevliet hebben elkaar waarschijnlijk voor het eerst ontmoet in 1903, toen 'tante Jet’, zoals hij haar altijd zou blijven noemen, in Zwolle een lezing gaf. Sneevliet was een groot bewonderaar van de dichteres, en omgekeerd zag zij in hem een voorbeeld van hoe een arbeider zich door zelfstudie kon ontwikkelen tot een intelligente en gedreven klassenstrijder.
De verschillen tussen hen waren eigenlijk enorm. Niet alleen afkomst en ontwikkeling waren niet met elkaar te vergelijken, ook de wijze waarop zij in het leven stonden, verschilde als dag en nacht. Roland Holst hanteerde zeer hoge ethische normen, terwijl Sneevliet nogal eens de neiging had eerst naar het mogelijke resultaat te kijken. Bovendien had hij een turbulent liefdesleven, terwijl Henriette leek op een vroeg oud geworden non. Maar misschien was juist het feit dat Sneevliet haar in de eerste plaats zag als een oude, wijze tante, er de oorzaak van dat ze het ondanks politieke meningsverschillen zo lang met elkaar uithielden.
Hoewel er wel wat brieven uit Sneevliets Indische tijd bewaard zijn gebleven, ligt het zwaartepunt van de correspondentie in de jaren dat zij samen een rol speelden in de Nederlandse communistische beweging. En dat was na Sneevliets terugkeer, eind 1923. De minuscule CPN noemde zich in de jaren twintig Communistische Partij Holland en had veel weg van een slangenkuil waarin de verschillen facties sissend door elkaar glibberden, daarbij vrijwel alle energie stekend in pogingen zich van de steun van 'Moskou’ te verzekeren. Het leidende driemanschap - Wijnkoop, Van Ravestijn en Ceton - had de touwtjes in handen sinds de partij zich in 1909 als SDP had afgescheiden van de sociaal-democratische moederkerk. Omdat zij zich door die vroege breuk met het 'reformisme’ te goed voelden om klakkeloos de bevelen van de Komintern op te volgen, was de verhouding met de Russische bolsjevieken niet al te best. Uiteindelijk werd de leiding er in 1925 uitgegooid, waarna Wijnkoop tot 1930 vergeefse pogingen deed om met een concurrerende communistische partij (CPH-Centraal Comite) het Nederlandse proletariaat in revolutionair vaarwater te loodsen.
Roland Holst en Sneevliet, die in 1924 voorzitter was geworden van de radicale vakcentrale het Nationaal Arbeidssecretariaat (NAS), speelden een belangrijke rol in de oppositie tegen Wijnkoop en de zijnen. Henriette trad in 1924 zelfs voor korte tijd uit de partij om zich bij de door Jacques de Kadt opgerichte Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs (BKSP) aan te sluiten. Na het verdwijnen van Wijnkoop keerde zij weer terug. Omdat Wijnkoop bij het schisma het theoretisch tijdschrift van de partij had meegenomen, moest er een nieuw maandblad worden opgericht. In de redactie van dit nieuwe orgaan, Klassenstrijd geheten, zouden Roland Holst en Sneevliet een aantal jaren nauw samenwerken. Het grootste deel van de briefwisseling heeft betrekking op deze periode en hun gezamenlijke arbeid.
HOEWEL ROLAND Holst en Sneevliet zeer enthousiast waren over de Russische revolutie en ook voor Nederland veel verwachtten van het communisme - in een brief aan Johan Huizinga uit 1920 noemde Henriette het communisme een 'tooverzwaard dat de wonden, die het slaat, ook kan heelen’ - is het beeld van de vaderlandse bolsjevieken dat uit hun briefwisseling oprijst, deerniswekkend. Eind 1917 beschreef Henriette het partijtje als 'een troepje kibbelende sektaristen’ en een 'absolute quantite en qualite negligeable’. Ook van de revolutionaire potentie van het Hollandse proletariaat had zij geen hoge pet op: 'De arbeiders komen soms even in beweging uit honger, als wilde dieren die willen eten, en zakken dan weer in stompzinnigheid terug.’
Een constante in de brieven uit de jaren twintig zijn de klachten over het lage niveau der kameraden. Vooral Roland Holst ergerde zich aan kaderleden die zelf nauwelijks scholing hadden genoten en vervolgens hun halfbegrepen wijsheden uitstortten over de hoofden der overige partijleden. Dit 'fordisme’, deze lopende-bandscholing wees ze volstrekt af.
Ook Sneevliet was niet erg enthousiast over het intellectuele gehalte van de partij, maar voor hem waren andere problemen nijpender. Hij kwam steeds meer overhoop te liggen met 'Moskou’ omdat zijn positie als NAS-voorzitter niet goed paste bij de officiele vakbondspolitiek, die georienteerd was op 'moderne’ vakcentrales als het NVV. Volgens deze politiek dienden communisten toe te treden tot het door sociaal-democraten gedomineerde NVV, teneinde deze massavakbeweging te 'revolutionaliseren’. Ook het uitschakelen van Trotski en de vervolging van elke vermeende oppositie door Stalin werd door zowel Sneevliet als Roland Holst verafschuwd. Daarbij kwam nog de door de Komintern verordonneerde 'bolsjevisatie’ van de verschillende communistische partijen, die inhield dat in ieder land de partij op Russische wijze diende te worden georganiseerd en dat iedere oekaze uit Moskou klakkeloos diende te worden uitgevoerd. Sneevliet brak in 1927 als eerste met wat hij noemde 'de communisten van het nauwe straatje’. Na de verbanning van Trotksi volgde Roland Holst zijn voorbeeld.
Dat ze nu beiden buiten de 'officiele’ communistische partij stonden, wilde nog niet zeggen dat ze het eens waren over de te volgen strategie. Sneevliet was in de eerste plaats de aanvoerder van het strijdbare maar steeds kleiner wordende NAS. Dat had hem binnen de CPN verzekerd van een zekere Hausmacht. Roland Holst ontleende haar gezag aan haar prestige. Voor veel arbeiders waren haar gedichten een eerste kennismaking met poezie, of met cultuur uberhaupt. Anders dan de vakbondsman Sneevliet was zij in de eerste plaats een intellectueel, was zij dus zoekende naar 'De Waarheid’. Voor beiden was het marxisme heel lang de inspiratiebron en het referentiepunt geweest. Voor Sneevliet zou het dat trouwens ook blijven. Sneevliet hanteerde het marxisme echter als een handige gereedschapkist, vol met bruikbare 'verklaringen’ en aanstekelijke slogans.
Volgens Fritjof Tichelman, in zijn zeer verhelderende inleiding bij deze correspondentie, mocht Roland Holst dan geen belangrijk marxistisch theoretica zijn geweest, het werd haar in de jaren twintig wel duidelijk dat het marxisme begon te verstarren tot een dogmatische leer die onvoldoende aansloot bij nieuwe ontwikkelingen. Volgens haar dreigde het 'te versteenen, en achter te raken bij de ontwikkeling der wetenschap - speciaal der biologie en psychologie’. Het 'mechanistische’ karakter van het marxisme begon haar tegen te staan en zij achtte een 'herziening van de grondslagen van het socialisme’ zeer urgent. Met grote belangstelling volgde ze dan ook het werk van theoretici als Hendrik de Man, Karl Korsch en Gyorgy Lukacs, al ging het haar allemaal niet ver genoeg.
Roland Holsts grootste frustratie was de hopeloze verdeeldheid van de arbeidersbeweging. Bijkans wanhopig vroeg ze zich in 1926 af: 'Waar is toch het bloedwarme gevoel van kameraadschap gebleven? Is het dood? Of slaapt het alleen? Is deze tijd een golfdal tusschen twee hoogten in? Of voelen de massa’s intuitief, dat het oude Europa naar de bliksem gaat? Bevindt het Europeesche socialisme zich voorgoed op de neergaande lijn?’
Ook Sneevliet had in haar ogen sektarische neigingen, stelde te veel de belangen van zijn vakbondje boven die van het ganse proletariaat. Daarbij kwam nog dat Sneevliet en de zijnen gebruik maakten van dezelfde bedenkelijke methoden als de Moskou-getrouwe communisten. Van de opvatting dat het doel de middelen heiligt, wilde zij niets weten. Sneevliet reageerde nogal korzelig: 'Het practische werk eet al mijn tijd; ik ben dus niet in de gelegenheid om als het ware los van de arbeidersbeweging rustig alle verschijnselen te ontleden, conclusies te trekken, daarin onderling verband te brengen en zoodoende tot het trekken van een gedragslijn te geraken.’
TOEN SNEEVLIET IN 1929 de Revolutionair Socialistische Partij (RSP) - in de praktijk de politieke vleugel van het NAS - oprichtte, bleef Roland Holst aan de kant staan. Dat zij ondanks herhaald aandringen niet toetrad tot de partij, was voor Sneevliet een grote teleurstelling en spoedig bloedde het contact dood. Toch waren zijn nooit volledig uit elkanders gedachten, zoals blijkt uit de sympathieke brieven die Roland Holst schreef toen Sneevliet in 1933 in de gevangenis zat wegens 'opruiing’ inzake de muiterij op De Zeven Provincien.
Maar de kloof was te groot geworden voor hernieuwing van de vriendschap. Sneevliet ergerde zich vooral aan Roland Holsts ontwikkeling in religieus-socialistische richting. Het was hem allemaal veel te vaag, te slap. 'Meer dan ooit eischt de strijd voor het socialisme mijns inziens die sterke eenzijdigheid, die alleen het marxisme geven kan’, aldus Sneevliet. Hij verklaarde dat hij eenvoudig het zintuig miste voor religieuze gevoelens. Wat hem in het bijzonder stak, was dat iemand als Roland Holst, die voor zijn ontwikkeling tot marxist zeer belangrijk was geweest, met haar kritiek op het marxisme de antisocialistische elementen in de kaart speelde.
In 1935 hield het contact definitief op, nadat Sneevliet geld had gevraagd ten bate van Trotski terwijl het NAS nog altijd niet een forse lening van het echtpaar Roland Holst had terugbetaald. Sneevliets dood in april 1942, voor een Duits vuurpeleton in kamp Amersfoort, schokte Roland Holst enorm en zette haar aan tot het schrijven van een vijfenveertig strofen tellend gedicht 'In memoriam H. Sn’. Hierin laat zij Sneevliet in het hiernamaals verwelkomd worden door Rosa Luxemburg, haar in 1918 vermoorde vriendin aan wie zij een prachtige biografie had gewijd. Het gedicht getuigt van een grote sympathie voor Sneevliet, en van enorme bewondering voor zijn moed, maar aan het slot wordt duidelijk hoever zij van hem verwijderd was geraakt: als gelovige christen vroeg zij God genadig te zijn voor zijn moordenaars.