Bloedwraak in albanie

In Albanië bloeit de bloedwraak weer. Nu er vrijheid is - komend weekend worden er parlementsverkiezingen gehouden - gaat het vechten verder waar het vijftig jaar geleden is gestaakt. Maar er is hoop: particuliere Bloedwraakverzoeningscomités trekken de bergen in om de geesten rijp te maken voor de volgende eeuw
Met dank aan Viola Tusha en Harry Linde.
SHKODER, Noord-Albanië - Professore Velaj pakt zijn doos met voorgerolde sjekkies, stopt een exemplaar in een houten mondstuk, en begint zijn verhaal. ‘In de bergen van Orosh werd eens een man uit de Çoku-clan wegens verraad vermoord. De moordenaar ging naar de vader van het slachtoffer en vroeg hem om besa, een periode waarin geen wraak mag worden genomen. “Hoeveel besa wil je?” vroeg de vader. “Een jaar.” “Ik geef je 101 jaar.” Dat was in 1834. In 1935 doodde daarom een achterachterkleinzoon van de Çoku’s een achterachterkleinzoon van de moordenaar. Toen was er weer evenwicht.’

Mooi verhaal, professore. Heeft u er nog een? ‘Begin jaren zestig, tijdens het communisme, hadden twee mannen ruzie over een appelboom. Een van hen werd daarbij doodgeschoten. De ander werd vorig jaar vermoord.’ Waarom zo laat? 'Omdat de communisten alles onderdrukten, ook de bloedwraak.’ Dat was dan een geluk bij een ongeluk. 'Het is maar hoe je het bekijkt. Ik zou zeggen: het communisme zelf doodde en doodde, dat redde het wel zonder familievetes.’
Tussen 1990 en 1992 zette Albanië het steile marxisme-leninisme à la Enver Hoxha bij het oud vuil. Sindsdien verkeert het Balkanstaatje in een surrealistisch aandoende overgangsfase richting democratie en kapitalisme. Sindsdien bloeit ook de bloedwraak weer, een eeuwenoude traditie die dictator Enver Hoxha c.s. vijftig jaar lang met harde hand onderdrukten. Opnieuw worden tegenwoordig rekeningen vereffend, nieuwe en oude, sommige al van ver vóór de Tweede Wereldoorlog.
Bloedwraak komt vooral voor in dunbevolkte, geïsoleerde bergstreken in het noorden, ver weg van de hoofdstad, Tirana. Geen kwestie derhalve om hoog op de landelijke politieke agenda te zetten, ware het niet dat de zaak uit de hand dreigt te lopen. Doordat Albanezen sinds kort toestemming hebben te verhuizen, breidt het probleem zich bovendien uit naar de steden. Vorig jaar wijdde een verontrust Albanees parlement een hoorzitting aan het verschijnsel. Daaruit kwam naar voren dat circa dertig procent van de moorden in Albanië is toe te schrijven aan bloedwraak en dat het aantal moorden met bloedwraak als achtergrond tussen 1991 en 1994 verviervoudigd is. Anno 1995 zouden in het noorden zo'n tweeduizend vetes smeulen.
Alleen al in het district Malësia e Madhe, tegen de grens met Montenegro, konden daarom 36 families (zo'n driehonderd mensen) hun huis niet uit wegens kans op een kogel. Het psychiatrisch ziekenhuis van Tirana meldde patiënten te hebben die gek waren geworden uit angst voor een aanslag. 'Bloedwraak groot sociaal probleem aan het worden’, bevestigt Teodor Keko, behalve schrijver en journalist een vooraanstaand lid van het parlement in Tirana voor de oppositionele Democratische Alliantie. 'Nu er vrijheid is, begint het vechten weer waar het vijftig jaar geleden is gestaakt. Het lijkt wel alsof die bergmensen maar in één ding zijn geïnteresseerd. Bloedwraak, dat is hun leven.’
Al ver voor er andere volken op de Balkan arriveerden, leefden er Albanese clans in het onherbergzame gebied in het noorden van het land. Een raad van (mannelijke) familiehoofden nam de beslissingen in bestuurlijke en politieke kwesties. Huwelijken moesten door hen worden goedgekeurd. In geval van diefstal, overspel, smaad, ruzies tussen erfgenamen et cetera fungeerde de Raad van Oude Mannen als rechtbank. In de vijftiende eeuw, zo wil de overlevering, werd dit tribale recht gecodificeerd in de kanun of Code van Lekë Dukagjini. Keko: 'In het verleden was deze code de Tien Geboden van de bergen. Een andere grondwet heeft men nooit willen accepteren.’ Dankzij de ontoegankelijkheid van de bergen overleefde de kanun tot in deze eeuw iedere overheersing van buitenaf, van de Ottomanen tot het regime van koning Zog I (in 1939 het land uit gevlucht voor Mussolini’s troepen). Alleen de communisten, in 1944 aan de macht gekomen, slaagden erin de kanun te vervangen door eigen wetten.
Kernwoorden van deze kanun zijn 'eer’ en 'wraak’. Zo zegt artikel 600 (van de 1263): 'Een man die van zijn eer is beroofd, wordt door de kanun als dood beschouwd.’ Dat is snel het geval, want een man is zijn eer al kwijt als iemand naar hem spuugt, zijn vrouw beledigt of hem een leugenaar noemt. Lichte en middelzware aantastingen van de eer kunnen worden hersteld met smartegeld of vergeving. In ernstige gevallen, zoals overspel of de dood van een lid van de familie, moet er bloed vloeien, tenzij (art. 969) vrienden of religieuze leiders erin slagen beide partijen te verzoenen. Lukt dit niet, dan volgt er vrijwel onvermijdelijk een vendetta tussen twee families of clans die generaties kan aanhouden, want, zegt artikel 917, 'bloed blijft nimmer ongewroken’.
Lange tijd was de kanun een goede code, oordeelt Keko. Streng doch rechtvaardig. 'Maar net als de wet van het schoolplein is de kanun star en conservatief. Van moderne ontwikkelingen als scheiden wil men in de bergen niets weten. In de huidige overgang naar democratie en wetgeving volgens Europees model leidt dat tot grote contradicties.’
MET DE VAL VAN het communisme zijn oude vetes ontwaakt uit een 'winterslaap’ van vijftig jaar. Tegelijkertijd ontstaan nieuwe conflicten. Een bron van nieuwe bloedwraak is de privatisering van voorheen collectieve landbouwgrond. Door de zwakte van de huidige Albanese politie en justitie en de traditionele populariteit van wapens in de noordelijke bergen, bungelt het geweer losjes op de rug. Wordt het ook gebruikt en valt daarbij een slachtoffer, dan is de schade niet te overzien, zegt Keko. Als potentieel doelwit van een wraakactie verbergen alle mannelijke familieleden tussen vijf en 55 jaar zich in huis, soms jaren achtereen. Jongens kunnen niet naar school, want vooral zij vormen een geliefd mikpunt. Keko: 'Men probeert altijd de gevoeligste plek te raken. Dus liever de enige zoon van de familie dan de moordenaar zelf.’ Ondertussen doen de vrouwen al het werk. Keko: 'Het is vreselijk. Maar de mensen wìllen het, zo is hun mentaliteit.’
Ligt hier een taak voor de Albanese regering? Ja en nee, zegt Keko. Natuurlijk vormen moderne wetgeving en een krachtig politie- en justitieapparaat op termijn de beste oplossing. Maar er zal verzet zijn; in de bergen komt de staat pas op de laatste plaats, ver na de eigen traditie, want ook dat is traditie. Satellietschotels en andere moderne communicatiemiddelen kunnen wellicht het isolement opheffen en de geesten rijp maken voor de jaren negentig van de twintigste eeuw. Keko: 'In de tussentijd schuilt de enige mogelijkheid om de keten van geweld te doorbreken in bemiddeling door privé-personen met een goede reputatie. Wie dat zijn? Probeer het eens in Shkodër, in het noorden. Vraag naar “de man van de missie”, dat is genoeg.’
Het spoor leidt naar het lokale koffiehuis en van daar naar Luk P. Velaj (61), koosnaam Luka of professore, oud-leraar, achttien jaar politiek gevangene onder Hoxha, sinds 1991 vrijwilliger van het particuliere Bloedwraakverzoeningscomité, kortweg 'de missie’.
Een klassieke aanslag, doceert Velaj, vindt plaats in de open lucht. In zijn eigen woning mag een man niet worden gedood. Veel andere spelregels zijn er niet. Nu ja, je moet een goeie moordenaar zijn, want je krijgt maar één kans - ook als je doelwit niet sterft, is je beurt voorbij. Het beste werke men dus overdag, van dichtbij, bijvoorbeeld tijdens een praatje op straat, en met een vuurwapen. Verder eist de gewoonte dat het gezicht van het slachtoffer naar boven wordt gekeerd, anders moet er nog een tweede persoon worden gedood.
De moordenaar hoeft in geen geval in paniek weg te vluchten; de eerste 24 à 48 uur is de dader 'onkwetsbaar’. Na afloop gaat hij juist op de koffie bij de nabestaanden, bij wijze van afronding, en de volgende dag bezoekt hij de begrafenis. Pas nadat de door de raad van ouderen vastgestelde 'afkoelingsperiode’ is verstreken, treedt de cyclus weer in werking. Tenzij de getroffen familie tevreden is met een afkoopsom. Velaj: 'Maar meestal zijn ze daarvoor te gekwetst.’
IETS VOOR HET stadje Lezhë, ten zuiden van Shkodër, schuift de auto de berm in. Over een steil pad lopen we naar een huis, waar Velaj overlegt met de oudste man. Het buitenlandse bezoek blijkt welkom. De gastheer laat koffie en sigaretten komen en stelt ons voor aan zijn zoon. Ardian Nikulaj is 22 jaar, mager, met bruine krullen en een lome oogopslag. Tussen zijn ouders gezeten vertelt hij wat er misging.
Op een avond, ruim een jaar geleden, ging hij na zijn werk naar het benzinestation bij de kruising waar een vriend als pompbediende werkte. Het was warm, ze dronken een biertje. De jongens werden wat lacherig. Toen de eigenaar van het tankstation, een nieuwkomer uit Kosovo, naar buiten kwam, maakte Ardian een opmerking. Wat hij precies zei staat hem niet meer voor de geest, 'maar het was geen grap’. De losse flodder viel verkeerd. Geërgerd zei de eigenaar 'iets extreem slechts’ over Ardians moeder. Ardian: 'Ik kon niet reageren. Hij was veel ouder, 36 of zoiets. Dus ik zei: Ik heb niets te zeggen, want ik ben jonger dan u. Daarop begon de man te lachen. Ik zei: U bent nieuw hier, lach me alsjeblieft niet uit, ik kan niets terugzeggen.’ Maar de man bleef Ardian provoceren: 'Als ik even oud als jij was geweest, wat had je dan gezegd? Nou?’ Waarop Ardian uiteindelijk antwoordde: 'Dan had ik u op de grond geworpen en gedood.’
Er werd geduwd, de jongen sloeg de pomphouder in het gezicht. De broer van Ardian, toevallig in de buurt, kwam tussenbeide. Weer zei de man 'iets wat niet herhaald kan worden’, nu tegen Ardians broer, 'en hij gìng maar door met beledigen’. De ruzie trok de aandacht van de omgeving, een broer en een neef van de pomphouder verschenen op het toneel. Ardian: 'Toen zag ik geen andere uitweg dan mijn mes te pakken. Niet om te steken, alleen maar om ze af te schrikken.’
De tijd dat je in dit land een mes móest dragen is voorbij, zegt Ardian; normaal gaat hij ongewapend over straat. Die dag toevallig niet. 'Ik ben schoenmaker, het was een mes voor het snijden van leer. Ongeveer zo groot als een vleesmes.’
De pomphouder, diens broer en de neef zagen het mes in Ardians hand. 'Toen viel de pomphouder me aan. Volgens mij zag ik dat hij naar een pistool greep. Uit zelfverdediging heb ik hem daarop twee keer in z'n buik gestoken.’ Zwaargewond werd de pomphouder afgevoerd naar het ziekenhuis; hij overleefde ternauwernood. Ardian vluchtte de bergen rond Rrëshen in. Pas vijf maanden nadat zijn vader uit angst voor het leven van zijn zoon professore Velaj om interventie had gevraagd, vond Ardian de moed uit zijn schuilplaats te komen. 'Voor een wraakactie had ik geen angst, de professor probeerde me immers te beschermen. Maar ik was erg bang voor de politie. En ik schaamde me voor mijn vader, dat was net zo'n groot probleem. Ik wist dat hij zo boos was dat hij me wel dood kon slaan.’
Driehonderdtweeënzestig dagen na het incident tekenden de familie van Ardian en de familie van de pomphouder het document dat hen verzoende. Een afkoopsom hoefde niet te worden betaald, de pomphouder en de zijnen stelden zich tevreden met een spijtbetuiging en het respect dat de Nikulajs hun de rest van hun leven verschuldigd zijn. Ook tussen vader en zoon is de breuk gelijmd. Bijna dan. In afwachting van een positief besluit van de plaatselijke politiechef - Velaj heeft weten te regelen dat de zaak waarschijnlijk terzijde wordt geschoven - houdt Ardian zich schuil in zijn ouderlijk huis.
Bij de deur zegt zijn vader te hopen dat dat niet lang meer duurt. 'Zodra Ardian weer aan de slag is, is het goed. Maar nu - ik ben arbeidsongeschikt, de jongen brengt al meer dan een jaar geen inkomsten binnen en hij werkt me op de zenuwen. In plaats van dat hij zegt “Dank u voor de slechte woorden aan het adres van mijn moeder, ze zijn onwaar”, en vervolgens wegloopt, verliest hij zijn hoofd. Hij staat zó snel in brand.’
VEEL ALBANESE benzinestations zijn omgeven door een ijzeren kooi vanwaaruit de pomphouder slangen ronddeelt aan automobilisten aan de andere kant van de tralies. Tankstation Zeven September is nog ouderwets open. Pomphouder Ali Saliu treffen we er niet aan, wel broer Fadil (46), ingenieur en mede-oprichter van het tankstation. Drie jaar geleden kwamen de gebroeders met hun gezinnen vanuit Kaçanik in Kosovo naar buurland Albanië om te investeren in kleine ondernemingen als dit benzinestation. Net als negentig procent van de inwoners van de Servische provincie Kosovo zijn de Saliu’s van Albanese afkomst.
Als we Fadil Saliu mogen geloven is wat Ardian zei in essentie juist, mits men hier en daar dader en slachtoffer verwisselt. Zijn broer, 'een erg serieus man, goed opgeleid, getrouwd, vader van drie kinderen’, vertolkte in het hele incident niet meer dan een bijrol, die van lijdend voorwerp. Zeker, er is vuile taal gebezigd - door Ardian. Zelfverdediging? Geen sprake van, de jongen werd niet aangevallen. Ardian rende juist achter Ali aan het kantoortje in, waar hij niet twee maar vier keer stak, twee keer in de lucht en twee keer in Ali. 'Het enige wat mijn broer tot dat moment had gezegd was: “Ik ben nieuw hier, ik ken jullie niet, maar dit soort taal is niet nodig.” Meer niet. We hebben ons niet laten provoceren.’
Volgens Saliu waren circa tien mensen getuige van de steekpartij, onder wie een agent. 'Niemand kwam tussenbeide. Na afloop vormden ze een muur, zodat de criminelen konden ontsnappen.’ Het is dan ook zonneklaar, meent hij, met welk motief Ardian jacht maakte op Ali. 'De mensen die hier altijd hebben gewoond kunnen nog niet investeren zoals wij. Men is jaloers op de rijkdom van Kosovo-Albanezen.’ Ardian zou slechts een zijn in een komplot dat tot doel had de Saliu’s terug te jagen naar Kosovo.
Blijft de vraag waarom de Saliu’s geen wraak namen. Kon men niet tijdig, voor Velaj intervenieerde, een geschikt doelwit vinden? Nee, zegt Fadil Saliu, dat was niet het probleem. Toen zijn broer Ali in het ziekenhuis lag, lag daar toevallig ook Ardians vader, opgenomen wegens hartklachten. Het was een kleine moeite geweest de trap naar de tweede verdieping te nemen en vader Nikulaj te vermoorden. 'Ongeveer dertig mensen kwamen mijn broer opzoeken, zo bezorgd was men in Lezhë. Een aantal zei me dat ik bloed moest nemen. Maar naar onze traditie, de Albanese traditie, heb ik toen geantwoord dat we ons niet moesten wreken op zieke mensen en dat ik hoopte dat hij weer gezond werd en spoedig naar huis mocht.’ Lag het dan in de bedoeling revanche te nemen zodra Ardians vader weer op de been was? 'Absoluut niet. Mijn broer en ik zijn hiernaartoe gekomen om te investeren, niet om te doden. De code wordt door heel veel mensen verkeerd begrepen, ook in ons eigen, vredelievende Kosovo. Maar wraak is niet het enige medicijn tegen aantastingen van de eer. De kanun zegt ook: “Hij die kan vergeven en zich verzoent, is dapperder dan de ander.”
Op de terugreis naar Shkodër laat Velaj doorschemeren dat het toch niet zo eenvoudig lag - de gebroeders Saliu waren wel degelijk van plan geweest wraak te nemen, het had grote moeite gekost hen te winnen voor het idee van verzoening. Slechts met zeer veel wilskracht was het hem gelukt 'de steen te bewegen’. Meer dan dat wil hij niet kwijt over de affaire. Wie er gelijk had doet er niet meer toe, want 'liefde is sterker dan gerechtigheid’.
Een ding moet hem nog van het hart. Pendelend tussen twee families lopen missievertegenwoordigers soms urenlang door de bergen, en dat iedere paar weken, maanden achtereen. Ze bestuderen de achtergrond van beide families, op zoek naar de woorden waarmee ze mild kunnen worden gestemd. Door deze omzichtige werkwijze geniet het Bloedwraakverzoeningscomité het respect en vertrouwen dat een staatsinstelling nooit zal hebben, zegt Velaj: 'We krijgen bijna alles voor elkaar als het gaat om gekwetste ijdelheid, problemen op beperkte schaal en adventure killings. De afgelopen vijf jaar hebben we 168 verzoeningen tot stand gebracht.’
Het zou goed zijn als de Albanese regering als tegenprestatie het bezit van wapens aan banden legt, bijvoorbeeld door controle op smokkel van kalasjnikovs uit voormalig Joegoslavië. Een rechtsstaat die het feitelijke monopolie op wapens heeft, moord uit bloedwraak streng bestraft en zich verder nergens mee bemoeit, dat is alles wat Velaj van Tirana vraagt. 'Het ombuigen van de mentaliteit van de mensen in de bergen is werk voor de missie: De staat moet de rivier tegenhouden, dan leggen wij de zee droog. Alleen volgens dit scenario is er een kans dat bloedwraak ooit uitsterft.’