Bloeiende kleur

Zowel John McLaughlin als Jan Roeland is in staat talloze varianten van een kleur te verbeelden. Zo wordt zelfs een drijfsijs een levendig ensemble.

In het schilderij van Kurt Schwitters waarover het vorige week ging (Um den Kern der Sache) verloopt de passage van kleuren, van links naar rechts, als volgt: grijsbruin, lichtgrijs, oranje, wit, geel, roestbruin, wit, zwart, ivoorgrijs, zwart, ivoorwit - moeilijk te benoemen mengkleuren en allemaal eigenlijk gedempt in hun lichtwerking. Ze verschenen in langwerpig gebogen, in elkaar grijpende vormen. Hun dofheid viel me des te meer op toen ik onlangs stond te kijken naar een schilderij, aangeduid als #22-1958, van John McLaughlin (1898-1976). Het is een smal, hoog doek verdeeld in staande geometrische vlakken in drie kleuren: dun lichtgrijs, zwart en lichtgeel. Die vlakverdeling is zo raadselachtig eenvoudig dat je gaat kijken of er niet toch een bepaald soort rekenkundige maatverhouding aan ten grondslag ligt. Maar dat is niet zo. De verticale verdeling tussen grijs en geel, bijvoorbeeld, gaat niet langs het precieze midden van het schilderij. Hetzelfde geldt voor de horizontale deling. Het smalle zwarte vlak ligt wel gedeeltelijk nog op de verticale middellijn maar is toch meer naar links geschoven. Net zoals composities van vlakken en lijnen bij Mondriaan eigenlijk nooit meetkundig tot stand komen, heeft ook McLaughlin de vlakverdeling voorzichtig op het oog bepaald.
Schilderen was, voorzover ik weet, een late roeping voor hem. Hij was rond de vijftig toen hij begon en was dus een discrete tijdgenoot in Amerika van zulke veel bekendere schilders als Barnett Newman en Ellsworth Kelly. Dat is ook wel te zien. Maar toen ik #22-1958 voor het eerst zag, eind jaren tachtig in een galerie in Wenen, trof mij vooral de opvallende helderheid van het gele vlak. Het is een bijzonder geel: koel en helder, iets van citroen misschien maar meer nog het frisse geel van koolzaad als het, in mei, pas in bloei staat. (Of, omdat de schilder voornamelijk in Pasadena woonde, het mooie geel van de bladeren van de cotton tree in de vroege herfst?)
Hoeveel soorten geel en mutaties van geel een schilder kan bedenken kunnen we zien in het schilderij Eend van Jan Roeland, waarin zelfs de oranje snavel van de vogel een vorm van geel is. Het koolzaadgele vlak van McLaughlin heeft een vederlichte expressie en je kunt ook zien dat het stille grijs eromheen zo teer is gehouden om juist de lichtheid van het geel naar nog lichter te dragen. Het schilderij gaat vooral over dat wonderbaarlijke evenwicht tussen grijs en geel. Het is daarom ook zo egaal en fluweelzacht geschilderd - de kleuren gaan vrijwel onmerkbaar in elkaar over, zonder enige begrenzing door penseelwerk. Misschien is het smalle zwarte vlak net iets meer aangezet. Het lijkt daardoor op een klassiek repoussoir dat het grijs en geel voor ons oog wat meer ruimte geeft.
McLaughlin had een bijzondere interesse in Japan. Steeds bij het zien van de geheimzinnige vlakverdeling in #22-1958 probeerde ik me voor te stellen of hij iets gezien had - zoals een hoek in een kamer met een open raam en een donker meubelstuk ervoor. Dat is sowieso een gekend motief bij kleur-en-licht-schilders, bijvoorbeeld Matisse. Gezien ook de stille verfijning van het schilderij denk ik dat een hoek in een traditioneel Japans huis, met die schuivende wanden, McLaughlin misschien wel heeft geïnspireerd.
Aan zijn schilderij Eend kunnen we zien dat ook Jan Roeland een kunstenaar is die met een abstraherende blik kijkt naar figuratieve motieven. Eigenlijk maakt hij altijd stillevens. In dit geval is de eend zo waargenomen dat het beeld compact is: de vogel roerloos drijvend op het water terwijl hij, zoals eenden doen om om zich heen te kijken, zijn kop zijwaarts draait. Die waarneming levert twee zachtaardige profielen op: de kop met oog, wang en snavel, en daarachter het bolle lijf - plus op het derde plan het blauw van de lucht. Bij tekenles, op school, kregen wij soms een stilleven van kleurige vruchten voorgezet dat we vervolgens, met vettig wasco-krijt, moesten weergeven in alleen maar tonen van blauw. Wij gingen echter niet naar abstractie maar probeerden toch de volumes van de vruchten zo realistisch mogelijk weer te geven - zoals een zwart-witfoto van een gekleurd voorwerp ook realistisch blijft. Jan Roeland (die, zeven jaar ouder dan ik, ook zo tekenles gehad moet hebben) doet het anders. Hij zoekt de meest karakteristieke contouren zodat er, ondanks de vlakheid van het beeld, door de buiging van lijnen subtiele aanduidingen van volume ontstaan. De tekening van de eend is niet abstract, de uitgewogen kleurgeving is dat wel. Zo is het schilderij van niets anders dan een gewone Amsterdamse drijfsijs een prachtig ensemble geworden van warme bloeiende zomerse kleur. Nederlandse schilders, in het spoor van Vermeer, zijn goed in dat soort ontroerende eenvoud.

PS Het schilderij van John McLaughlin is als gast tot 25 april te zien in een tentoonstelling van Steven Aalders in het Haags Gemeentemuseum. Jan Roeland exposeert zijn werk (waaronder de Eend) tot 15 oktober in het museum Hedge House in Wijlre, Limburg (hedge.house@hetnet.nl)