Bloem

Twee op een brommer, leren jassen
tegen de wind. Eén lichaam zijn ze
dat zijn beste jaren gehad heeft.
Met mondvoorraad onder haar dijen:

Tassen vol broodjes, een thermoskan
met koffie. Twee op een deken
in de berm, zij schenkt en snijdt
de worst op het brood met voorzichtige handen.

‘We hebben het goed,’ zegt ze, ‘vroeger
had je geen boter maar reuzel, en worst
daar viel nog niet aan te denken.’

Ze reddert rond, een duif op het oude nest;
hij ziet het aan – de hond is dood,
hun dochters kwamen goed terecht.

‘Oud in Overijssel’, Renée van Riessen.
Uit: Jagend licht, Bert Bakker, 1984

Het is te warm voor een wandeling. Mijn dochter ligt in een rompertje op mijn linkerarm omdat ze niet op het kleed wil liggen. En ook niet in de box. Ze wil niet drinken en niet spelen met de knisperbeer, de bijt-bij of het dikke schuddeding. Ze wil alleen op mijn linkerarm liggen en dan langzaam de kamer rond. Ze wil de wereld zonder te bewegen. Haar blik monstert de boekenkast, de stoel, het raam, de bomen. Ze zal steeds hetzelfde steeds opnieuw willen zien. Dus loop ik de kamer rond, met de dochter op mijn linkerarm en in mijn rechterhand, onhandig, een bloemlezing waaraan ik was begonnen. Gedichten, waarvan het merendeel uit de twintigste eeuw.

In het voorwoord gaat het, zoals vaak het geval is, over de selectiecriteria van de bloemlezer. Ik hou van de taal die daarmee gepaard gaat. Dat poëzie moet ergeren, lees je dan bijvoorbeeld. Of weerbarstig moet zijn. En dat gedichten je aan moeten klampen, de adem moeten benemen of liever nog, de ruiten van je bestaan in moeten gooien – ik lees het altijd met genoegen. Er spreekt zo’n verlangen uit, namens alle dichters die zitten opgescheept met centrale verwarming, een kaasschaaf en stemrecht. Dichters die nooit achter de tralies zullen belanden, ondanks hun diep ontregelende sonnetten en verontrustende syntaxis. Ik kan er, nu ik slechts één arm en hand beschikbaar heb, alleen nog in bladeren door op een vrij lompe manier met mijn neus een aantal pagina’s om te slaan. (Daar gaat de zorgvuldig uitgedachte volgorde van de bloemlezer.) De geur van oude pockets: geheimen en openbaringen, zonlicht, goedkoop papier en alles wat vervlogen is, alles wat voor altijd blijft. Misschien is mijn liefde voor lezen in de aard olfactorisch. (Al heb ik ooit in een vochtig bos een vergeelde, maar door mij ongelezen Jeroen Brouwers in stukken gescheurd en gebruikt om de houtstapel mee aan te krijgen. Maar, moet ik erbij zeggen, het ging tussen hem, Connie Palmen en mijn lijfsbehoud – in zulke dingen moet je dan praktisch zijn.)

‘Mama doet alsof ze nog best kan lezen met jou erbij’, zeg ik tegen de dochter, die het uitzicht inmiddels negeert en een hevige interesse voor mijn boek heeft opgevat. Ik ben, bladerend met mijn neus, in Overijssel aanbeland. Een echt vakantiegedicht eigenlijk. Een echtpaar, een brommer en het woord ‘reuzel’. Niets opmerkelijks misschien, maar wat snap je ze, wat ken je ze, wat ben je ze of vrees je ze te worden. (Dát is pas verontrustend.)

Ik voel hoe mijn dochter haar buikspieren aanspant en probeert overeind te komen om het boek te grijpen. Ik sla de bloemlezing dicht en steek hem haar toe. Daar klemmen de klamme handjes al. Daar komt het gezicht, woest snuivend en gnuivend, alsof haar iets heerlijks ten deel valt, iets waar ze al tijden diep naar verlangde. Ze zet haar natte alles-proever-mond tegen de kaft, drukt haar lippen op de titel, steekt haar tong uit. Wat kleeft er eigenlijk aan zo’n bloemlezing, denk ik. Wat krijgt ze binnen? Stof misschien, vliegenpoep, nicotine, melancholie, tijdloze hoop. Je weet het niet. ‘Zo smaakt de poëzie’, zeg ik. ‘Je kunt er beter niet te vroeg aan likken.’