Bloemen van het kwaad

Tot groot verdriet van mijn vrouwelijke compagnons interesseert het me niet wat ik aan heb.

Ik draag een spijkerbroek, zo’n jasje met een capuchon, daaronder een T-shirt en gymschoenen. Soms, bij officiële gelegenheden, doe ik een ander jasje aan.

Kleren maken de man – ik ben dan maar een slordige man, die buiten de mode staat, en ook geen smaak heeft. Ik kom wel eens mensen van vroeger tegen en die zeggen: ‘Toch zag je er destijds heel goed uit.’ Dat kwam dan door mijn toenmalige vriendinnen. Bij AT5 werkte, herinner ik me, een dame met smaak en die gaf ik dan duizend gulden mee en mijn kledingmaten en die moest dan kleren voor me kopen, onder het motto: vlot en intellectueel.

Dat werkte verdraaid goed. En ik hoefde niets te passen! Ze kwam altijd met iets aanzetten dat me stond. Maar ik wil niet meer voor de televisie, en zij is ook verdwenen.

En toch heb ik in de kunst een voorkeur voor de Decadenten.

Of je nu Joris-Karl Huysmans leest of Wilde, Swinburne of Walter Pater, Baudelaire of Valéry, Beardsley of Péladan, de enkelvoudige schoonheid van de natuur was ze niet genoeg. Er moest met die schoonheid iets gebeuren wilde het Schoonheid (met een hoofdletter) worden. Of Swinburne of de romanheld Des Esseintes (in À rebours van Huysmans) zegt ergens: ‘De natuur is vervelend en erg ouderwets.’ En Oscar Wilde hield niet op te betogen dat hij emotioneel meer geraakt werd door een goed geschilderd schilderij van een zonsondergang dan door de zonsondergang zelf. I second that.

Vooral toen ik zeventien, achttien was. Ik hield van het kunstmatige in de kunst; niet het schone was schoon, maar het zieke, het wrede, het sadistische, het kwade, het zwarte was Schoonheid.

We – je bent in zo’n tijd altijd met een groepje – wilden verdorvenheid bewonderen. We noemden vrouwen ‘sinners’ in plaats van ‘sisters’, en ook wel gewoon zondaressen. We hielden niet van hoerigheid, maar van – ik zeg het nog maar eens, maar ik weet het verschil niet meer zo – verdorvenheid. Vrouwen moesten rottend zijn en breekbaar, ze moesten hun eigen schoonheid niet kennen. Een beetje ziek strekte tot aanbeveling.

Wij, jongens, gaven elkaar bloemen (die stierven snel nadat zij ons hun schitterende bloei hadden geschonken) op onze verjaardagen, en bezigden natuurlijk een eigen kringtaal waarmee we ons onderscheidden. We spraken zo archaïsch mogelijk en noemden elkaar gij. ‘Gij, waarde Wilhelmus, zet u neder op mijn geheel zelf van de Rue de Jacob Obrecht geraapte fauteuil en verlustig u aan de derde druk van Nietzsche’s Mensliches, Allzumenschliches.’

Waarom je dit allemaal op je zeventiende wil, weet ik niet. Want ondertussen luisterden we ook naar Bob Dylan, speelde ik in een bandje, demonstreerde ik tegen de oorlog in Vietnam en sloot ik mij aan bij het communisme.

Maar tegenwoordig grijp ik weer naar mijn oude decadente liefdes.

Het moet met deze tijd te maken hebben. Ik staar weer lang naar een schilderij van Dante Gabriel Rosetti, uiteraard een vrouw met rode haren en geniet – echt waar – van de anekdote dat hij het lijk van zijn vriendin na twee jaar liet opgraven, omdat hij haar begraven had met het manuscript van een dichtbundel en hij geen kopie had gemaakt. Hij wilde die gedichten weer hebben. Hij zag het door maden aangevreten, stinkende lijk van zijn vriendin en zei dat ze ‘nog net zo mooi’ was.

De schoonheid van het verval maakt je angstig als je aan de politieke consequenties denkt. Je bewondert het kwade, maar wie en wat is dat precies?

Je bent bang dat je de verkeerde beslissingen neemt.

Hoe esthetischer je een samenleving wil hebben, hoe meer gericht op schoonheid en symboliek, hoe dichter je een oorlog nadert.

Of een andere vorm van zelfvernietiging.