Bloemen voor albert

Al tientallen jaren is hij een Bekende Nederlander. Overal is hij al geïnterviewd. Maar kennen we hem ook? Albert Mol, tachtig jaar, heeft nog een tweede ik. Een man met een hoedje, helemaal in het wit.
ALBERT MOL heeft ze allemaal gehad: Meijer, Bibeb, Van Verre. Maar ook Van der Meyden en de verslaggevers van het Amsterdams Stadsblad namen na Hotel Witkamp te Laren de eerste weg rechts: ‘Een zanderige landweg. Aan het eind: de boerderij. Een ezel. Daarachter Albert Mol.’ Of: ‘Daar, ver weg in de Achterhoek woont hij, samen met zijn Amerikaanse levensvriend Guerdon. De man van Fanfare en Wie van de drie, schrijver van Wat sien ik.’ De laatste jaren scheen er, door samenwerking met Paul de Leeuw, Wim T. Schippers en Arjan Ederveen, een nieuw licht op het fenomeen Mol. Toen hij begin dit jaar in het Amstelhotel zijn tachtigste verjaardag vierde, wilde iedereen daarbij zijn. Appie Mol is in. Een opnieuw krijgt hij bezoek.

Op prietpraatvragen geef je, las ik, prietpraatantwoorden.
‘Prietpraatvragen? Prietpraatantwoorden!’
En wanneer geef je geen antwoord?
'Als ze me voor de zoveelste keer iets vragen wat betrekking heeft op mijn zogenaamde geaardheid. Ja, nou weten we het wel hoor, dáág! Dan zou ik hooguit kunnen zeggen: “Wil jij weten wat dat nou is met die homoseksualiteit? Doe je broek uit, dan gaan wij naar bed. Ben je getrouwd? Doet er niet toe. Kan je d'r lekker over schrijven. Hoe wil je ’t: oraal? Anaal?” Maar dan hollen al die journalisten toch meteen de dijk af?’
Er bestaan nog altijd impertinente vragen.
'Dat hangt ervan af. Ze vragen maar een eind weg. Kijk, ik ben natuurlijk altijd een beetje confusing geweest. Meneer Mol is een nicht. Meneer Mol heeft een dochter. Meneer Mol heeft een Rolls Royce. Meneer Mol heeft geen geld. Meneer Mol is al zo oud en hoe doet-ie dat nou? Meneer Mol heeft een scheet gelaten. Wat is er nou weer aan de hand met meneer Mol?’
GEVRAAGD WORDEN voor 'Dertig minuten’ heet eervol te zijn.
'Nou dat hangt er nog maar van af. Heb je die aflevering gezien?’
Over het foute oorlogsverleden van de dochter, met jou in de rol van moeder. De mooiste aflevering van allemaal.
'Ja, eh, nou, Arjan Ederveen kwam hier dus en vertelde in grote lijnen waar het om ging. Ik dacht: dat kan ik niet, daar moet je Joop Admiraal voor vragen. Maar hij wou mij hebben, waarom weet ik niet want hij is ook niet zo'n prater. Je weet, daar zit Theo, van Theo en Thea. Peter, van Creatief met kurk. Sublieme stukken. En die man is zo eenvoudig en zo zonder flauwekul, dan ben je al verkocht. Hij kwam nog eens terug met Pieter Kramer - ook al niet zo'n schreeuwerd.
Twee keer een intens gesprek gehad. Goed, ik naar Haarlem voor de opname, maar ik bleef denken: o god, als ik dit maar kan! Ik moest naar boven, mijn baard moest eraf, mijn snor ook, dat witte pruikje moest op en het nachtjaponnetje moest aan. Ik dacht: als ik naar beneden ga, lacht iedereen en dan is het afgelopen. Maar het was en het bleef doodstil. Ik was op een andere planeet, met iemand tegen wie ik Elsbeth zei. Die ik haatte en liefhad tegelijkertijd. Ik ben twee opnamedagen lang niet mezelf geweest. Toen ik het terugzag, dacht ik: dat ben ik niet, het kàn niet dat ik dat ben.’
Waar was je zo van onder de indruk?
'Ik had het gevoel: ik spring van de brug. Maar ik landde op een zachte matras. Ik bezeerde me niet. De attentie, het respect dat je krijgt van iemand die toch zoveel jonger is, dat is weldadig. En het gekke is: hij heeft mij overgehaald, terwijl vriend en vijand tegen hem zeiden: “Appie Mol? Dat moet je niet doen, hoor. Dan moet je een echte acteur nemen.”
Want dat ben jij niet.
'Ik ben in het laatje gestopt van Malle Appie.’
Is het dan extra bevredigend om…
'Dat is natuurlijk het beste medicijn dat je krijgen kunt! Zeker op je oude dag. Dat je kunt bewijzen - nee, ik denk er eigenlijk niet over na dat ik iets moet bewijzen. Wanneer je zoiets doet, gebeurt er een wonder. Ik weet niet hoeveel mensen mij hebben opgebeld na afloop. Er waren erbij die zeiden: “Ik zag pas op de aftiteling dat jij het was!”
Als je daarmee bezig bent, denk je dan niet: spelen is genoeg, uitzenden is onnodig?
'Jawel! Goed, ik denk op dat moment niet aan de uitzending maar het was wel zo dat mijn ego, toen ik uit die verdoving kwam, groter bleek dan mijzelf. Dit moeten ze zien hoor, ja dit moeten ze allemaal zien! En ik ben ontzettend gepikeerd als iemand zegt: “Daar hou ik niet van.”
JE WILT ERKEND worden als de man die ook serieuze, mooie dingen kan maken.
'Iedere acteur die het plakkaat van Malle heeft, wil dat. Dat is zo oud als het toneel zelf. Iedereen wil Hamlet spelen. Het was ook prettig om nu eindelijk met mezelf af te rekenen, dat ik het zo voor m'n snufferd kreeg: dat kan je en het is goed.’
Je hebt ook boeken geschreven. Geldt daar hetzelfde voor?
'Weet je, vroeger kon ik ontzettend kwaad worden om een slechte toneelrecensie. Dan belde ik op en schold die kerels uit. Maar met iets wat mijn vak niet is, doe ik dat niet. Schrijven is mijn vak niet. Ik heb eens in het stadion gezongen voor Johan Cruijff, dat-ie mee naar Zuid-Amerika moest. In een vol stadion, voor een verbijsterd publiek. “Johan, o Johan”, weet ik veel, schandelijk. De volgende dag stond er in de Volkskrant: “De nationale gek werd ook nog even het veld opgestuurd.” Ik voelde me niet miskend, ik dacht: ze hebben alle gelijk van de wereld. Een nationale gek. Maar ja, het schommelt bij mij nogal. De ene dag ben ik ontzettend wijs en de andere ben ik gewoon onvoorstelbaar dom.’
En wat ze over je schrijven: zolang het de waarheid maar is.
'Als er maar niet gelogen wordt, ja. En geen gedraai. Ik ben verschrikkelijk kwaad geweest toen de dagboeken van Wim Kan uitkwamen. Daarin stond: “Albert Mol vervelend flikkerig, maar op de repetities doet hij z'n best…” etcetera. En wat schreef toen een krant - ik weet niet meer welke secretenkrant het was - “Albert Mol vervelend flikkerig.” Punt. Daar kan ik ontzettend de pest in hebben.’
Ik lees anders vaak genoeg dat alles je 'je reet zal roesten’.
'Moet je horen: tachtig procent zal me m'n reet roesten, maar je hebt dan toch altijd nog twintig procent over. Vind ik wel. Vroeger moest ik me tegen opmerkingen over mijn geaardheid wapenen, nu tegen rotvragen als: “Is het leuk om oud te zijn?” Nou, het is fantastisch dat je het haalt, maar leuk… kijk straks maar eens in de spiegel, dan zie je hoe leuk het is.’
WAAROM STOORT het je zo dat ze jou op je leeftijd aanspreken?
'Omdat het altijd synoniem is met niets doen. Dan gaan ze vragen: “Doe je nog wat?” Nou, ik doe een heleboel ja. Het zijn meestal de dames en heren die winkelen in de P.C. Hooftstraat en penthouses kopen van een miljoen, die zeggen: “Zeg, Albert, we zien je haast nooit meer op de televisie.” Maar, wacht…’
Hij staat op, drukt zijn bril recht en zoekt in de kast naar een videoband. 'Ik werk ook in Egmond aan Zee, met verslaafde kindjes. Ik zal je eens laten zien wat een heer van tachtig nog meer doet - ah, hier heb ik hem: Vierhuizen, ik werk er al achttien jaar - en ik zou de mensen die zeggen me nooit meer te zien, willen vragen of zij hier misschien iets aan doen. Moment…’
De video draait. Amateuropnamen. Een man met een hoedje, helemaal in het wit, zit in een kring mongolen en laat hen liedjes zingen. Van Imca Marina. En 'Hup Holland hup!’ De man in het wit lijkt sprekend op Albert Mol. Hij wordt omhelsd. Er wordt geklapt, gedeind, gezoend. Ineens is het afgelopen. De videorecorder gaat uit.
'Ik heb altijd geweigerd om het daar uitgebreid over te hebben want ik zie er het nut niet van in. En ik moet het ook niet willen opdringen aan een massa die het enig vindt om naar Ron Brandsteder te kijken. Die heeft hier geen boodschap aan. Maar als je het weten wilt: daar kan ik pas echt huilen.’
Mag alles wat jou beweegt beschikbaar komen voor het publiek of hou je de boot toch liever een beetje af?
'Wanneer je in de volle running bent, schijnt het inderdaad goed voor het publiek te zijn. Wanneer je in ruste bent, is het meestal napraten en dan ga je zeggen: ik heb twee keer de Midzomernachtsdroom gedaan, in Salzburg, met tachtig man van het ballet van de Weense Staatsopera en de acteurs van het Wiener Burgtheater. “O, maar dat wist ik niet” zeggen ze dan. Nee. En ook niet dat ik een jaar in San Francisco heb opgetreden, een jaar in Praag, dat ik tweeëneenhalf jaar in het Zweedse ballet heb gezeten en in de Scandinavische landen heb gewerkt. Dat ik in Zwitserland cabaret heb gedaan met het Schauspielhaus. Dat ik veertien operettes heb gedaan met het Theatre National in de Elzas, in Straatsburg, Lyon en Parijs. Dat ik vanaf 1936 balletles heb gehad van de ballerina Olga Prejobasjenska. “Dat hebben wij niet geweten!” En dat k†nnen jullie ook niet geweten hebben! Als je 80 bent ben je eigenlijk al 120.
Maar, los daarvan, hoe ga je met iemand om die net je huis binnenkomt? Als je elkaar geen zoen geeft, of even gaat huggen zoals dat nu de gewoonte is, dan is er toch al afstand? Er is een natuurwet die zegt: op het eerste gezicht is het okee, of het is volledig mis. En als het mis is: laten we het karweitje snel afmaken en maak er maar iets leuks van. Maar soms komt er ineens iemand langs met wie je meteen intens bent. In dat geval is er nooit tijd genoeg om door te praten. En daarbij: het is jou misschien een beetje bekend wat ik heb gedaan, maar ik weet van jou geen ene moer. Het is gissen voor mij en een gotspe van jou om te denken dat ik maar meteen mijn ziel en zaligheid bloot ga leggen. We zeggen je en jij tegen elkaar, dat is nou eenmaal gemakkelijk, maar of je tot een wezenlijk begrip komt van wat er in mijn kop rondgaat - hoe ik in het leven ben komen te staan door verdriet of verlies - is nog maar de vraag. De gulden middenweg is dan: “Meneer Mol, ik heb dit of dat over u gelezen, klopt dat?”
VIND JE HET LEUK om geïnterviewd te worden?
'Eh ja, ik vind het wel leuk, want ik ben een ouwehoer zoals je gemerkt zult hebben.’
Wil je graag gezien worden?
'Ah, natúúrlijk! Wij toch allemaal? We willen toch allemaal een veer in onze kont hebben? Als je nog helemaal in the picture bent, wil je er een heel boeket in hebben. Ben je dat niet, dan zeg je dat je dat niet meer nodig hebt, maar de dag waarop iemand met dat boeket voor de deur staat…’
Vorig jaar, meen ik, werd je, zo rond je verjaardag, gebeld door Radio 10 Gold. Je klonk alsof je van God en iedereen verlaten was, dolblij dat er iemand belde.
'Vergeet niet dat je als je hier zit dat - nee, laat ik het zo zeggen: the opportunity to act, die vind ik enig.’
Raak je gefrustreerd als die mogelijkheid verdwijnt?
'Nee, niet gefrustreerd, maar wanneer een redactielid van een televisieprogramma me uitnodigt en ik vraag: “Wat betaalt het?” dan moet zo'n vent niet aankomen met: “Een bloemetje en een leuk uurtje.” Er komt een moment waarop ik zeg: “Dat bloemetje mag u in de reet van meneer Van Willigenburg stoppen!” Maar dan ben je ineens heel ordinair.’
Misschien kan ik het je nu vragen: waarom kun je daar huilen, bij die mongolen in Vierhuizen?
'Ik huil om de onmacht. Wat zou ik graag zo iemand beter willen maken. Wat zou ik graag de dokter zijn die dat onrecht ongedaan maakt. Het is geen dooddoener om te zeggen dat ze gelukkig zijn, dat zijn ze ook, maar ik zou meer willen doen.’
Die jongen op de videoband omhelst niet Albert Mol, maar de man die iets moois bij hem losmaakt. Is dat wat het belangrijk maakt, die onvoorwaardelijkheid?
'Voor mij wel. Maar dat is een andere Albert Mol dan Albert Mol die zonodig publiciteit wil en aandacht moet trekken.’
Ben je in twee Mollen op te splitsen?
'Zeker. Je kunt rustig stellen dat ik - dit klinkt misschien idioot - te maken heb met twee-in-één en het hangt er nou maar net van af wie de een en wie de andere ontmoet.’
Je bent voor jezelf ook verwarrend.
'Soms wel. Soms vind ik het enig. In de tijd van Wie van de drie ging ik tot afschuw van mijn toenmalige vriend uitgerekend altijd de dag voor Sinterklaas naar de Bijenkorf om boodschappen te doen. “O! Dat is Appie Mol van Wie van de drie!” Vond ik leuk.’
Wat vindt die andere Mol daarvan?
'Die heeft niets met hem te maken, dat is het prettige ervan. Hij woont ook in een ander huis. Die Mol is ook niet aan seks gebonden, dat is een alles begrijpende vader-moederfiguur.’
Is dat Albert Mol op zijn meest wijze momenten?
'Eh… dat is weer een strikvraag, dat weet ik zo gauw niet. Ik kan wel mensen uit de nood helpen, ja, dat kan ik heel goed. Met ze praten als ze het moeilijk hebben.’
Krijgen die twee Mollen een even grote plaats in jouw bestaan?
'De, laat ik zeggen, dokter Jekyll van Vierhouten heeft niks nodig, geen publiciteit, geen luxe leventje. Die is niet met zichzelf bezig. Dat hij oud is of pijn in z'n rug heeft. Dat vervaagt, is allemaal weg. Terwijl die andere alles te maken heeft met wat hij wel of niet gekregen heeft in dit leven. Of hij belazerd is of niet. Of hij alles heeft kunnen bereiken wat hij wilde bereiken. Dat is degene die zich druk maakt om het feit dat hij haast nooit iets heeft verdiend terwijl ze het nu, voor minder, met scheppen tegelijk krijgen.
Wil ik leven zoals die man die je op de video zag, met niks bij wijze van spreken, of zoals die ander die recht heeft op een duur huis, zich beledigd kan voelen, een man die, kortom, veel gecompliceerder is? Een keuze tussen die twee maken, is een onmogelijkheid.’
HET BEVALT JE om die twee mensen in je te hebben?
'Ja, zo ben ik niet alleen maar bezig met het er steeds maar willen zijn. Ik word trouwens overal herkend. Mensen van veertig zeggen tegen me: “Mijn ouders gingen altijd gniffelen als u in beeld kwam, wij vonden u reuze spannend.” En die ouders maar fluisteren: daar heb je die Mol, die flikker.’
Ga je dan extra gek doen?
'Nee hoor, ik heb natuurlijk wel een verweer. Aangezien ik ze niet knock-out kan slaan, heb ik een scherp bekkie ontwikkeld. Ik zeg dan dingen als: “Ik zou jou nog niet eens willen neuken met een krant op je kop.” Tegen belangrijke heren!’
Grappig. Maar het heeft toch ook iets verdrietigs.
'Dat kan best zijn. Maar wat is er eigenlijk verkeerd aan dat het iets verdrietigs heeft? Ik ga heus niet huilend af hoor, als ik iemand heb afgebekt.’
Is het voldoende om ze zo van repliek te dienen?
'Voor mij wel, ja. Als ze je voor paal zetten, moet je ze meteen de nek omdraaien voor het uit de hand loopt. En niet gaan analyseren van: ben ik nou verdrietig of heb ik het juiste teruggezegd. We leven in een tijd waarin achter alles wat we zeggen, veel te veel gezocht wordt.’
Nee hoor, ik vind het volkomen duidelijk.
'Da’s maar goed ook.’
Je hebt alles bewaard, kasten vol knipsels. Lees je die interviews nog wel eens?
'Ik lees een artikel één keer en dan ken ik het uit mijn hoofd. Dan weet ik ook meteen of het goed of slecht is. Als het slecht is, zeg ik: die komt hier niet meer binnen. Heeft m'n boterhammen op zitten vreten en nog een rotverhaal geschreven ook. Of ik zeg: hij vroeg dingen waar ik langer over na moest denken. Er stapte ook een andere jongen uit die auto dan ik had verwacht. Helemaal niet blits. Daar heb je het weer: blitse vragen, blitse antwoorden. En die vragen van hem, die gingen dieper. Nu is het zijn talent om er een mooi en zinnig verhaal van te maken. En ik zeg niets meer. Want ik ben moe.’