Nederlanders in Zuid-Afrika

Bloemenboer, bankier, buitenbeentje

Nederlanders, zowel de oude als de nieuwe generatie, doen fijne zaken in Zuid-Afrika. Ze zouden niet meer kunnen aarden in Holland, waar «alles maar is toegestaan». Sommigen vinden zichzelf een deel van de lokale bevolking geworden. «Ja, de Afrikaners. Niet de zwarten natuurlijk. Dat is toch een heel andere cultuur.»

«Zuid-Afrika is heel veilig», grapt bloemenvertegenwoordiger Noud Vissers, «totdat je iets overkomt.» Vissers heeft zelf nog niets van de notoire Zuid-Afrikaanse misdaad gemerkt sinds zijn aankomst hier enkele maanden geleden, maar dat betekent nog niet dat hij zich in slaap laat sussen. «Je moet wel op je tellen blijven passen. Je kent de weg hier niet en er zijn grote tegenstellingen. Laatst hoorde ik van twee Nederlandse vrouwen die zich zomaar door een vreemde man een auto in hadden laten praten, om die man zijn huis te gaan bekijken. In het donker, in een vreemde stad. Misschien wilden ze niet wantrouwig doen omdat hij zwart was, maar zoiets doe je zelfs in Nederland toch al niet?»

Vissers’ medegast op de Open Avond voor Nederlandse zakenlieden op de Nederlandse ambassade te Pretoria (haring, kroketjes, oude jenever), boer Willem Slootweg, geeft ronduit toe dat hij vaak «hartstikke bang» is. «Er zijn zoveel moorden op blanke boeren. En dan die Zimbabwe-geschiedenis. Maar in Nederland is je rand niets waard, dus ik blijf toch maar.»

Vissers en Slootweg contrasteren ietwat met de algemene optimistische toon vanavond, die geheel in solidariteit met Thabo Mbeki’s African Renaissance wordt gezet door de Nederlandse Kamer van Koophandel en luid wordt uitgedragen door bijvoorbeeld Markus Schouten, manager van Metabo Powertools. «Ik ben ver-schrik-ke-lijk optimistisch», roept Schouten. «Zuid-Afrika, dat is het helemaal.» Zijn mening baseert hij vooral op het feit dat Metabo, dat vlak voor de afschaffing van de apartheid het land verliet, hem nu sinds twee jaar weer hier heeft gestationeerd: «In 1985 zat ik hier ook. Nee, daar schaam ik me niet voor. Wij hebben aan de economie van dit land bijgedragen. En ik zeg tegen de tea lady op kantoor dat ze me gewoon Markus moet noemen, in plaats van meneer. Maar ze blijft meneer zeggen. Dat zit in die cultuur, denk ik.»

Schoutens optimisme blijkt na wat doorvragen nogal dun. «Wat is er nu helemaal veranderd na de apartheid? Er was toen armoede en geweld en dat is er nu nog steeds. En Zimbabwe, dat is natuurlijk een reële dreiging.» Als het misgaat, zo geeft Schouten ronduit toe, dan zijn Metabo en hijzelf hier zo weer weg.

Het is een luxe-keuze die boer Slootweg niet heeft. «Ze moeten opschieten met die landhervorming», vindt hij. «Alle stammen moeten hun voorouderlijke grond snel terugkrijgen. Dat is de enige manier om een Zimbabwe te voorkomen.» Slootweg heeft zelf enkele tientallen ongeschoolde zwarte land arbeiders, met wie, zo heeft hij net enigszins triestig uitgelegd, het vaak niet zo goed communiceren is. Zou hij niet wat positieve-actie-programma’s kunnen invoeren? «Ja… Misschien…» twijfelt hij, zich zichtbaar afvragend hoe zoiets in Jezus’ naam zou moeten. «Maar ik ben nu eenmaal niet zo’n actief type.»

«Het duurt twintig jaar voordat het hier kapot is», zegt Lucy Kain gedecideerd. «Net als in Zimbabwe. Maar dat geeft niet, want dan zijn we toch dood.» Lucy Kain, gepensioneerd verpleegster, verloor haar beide ouders in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, en haar man Helmut zit al dertig jaar in een rolstoel als gevolg van een auto-ongeluk veroorzaakt door een zwarte. «Helmut restaureerde kerkorgels. Hij reed rond van dorp naar dorp met zo’n helper naast ’m. Op een dag zat die te slapen en hij kreeg een soort van nachtmerrie. Hij schrok op en schreeuwde: ‹Baas, baas! Daar kom ’n kar!› En hij begon aan het stuur te trekken. Sindsdien is Helmut verlamd.» Lucy Kain helpt haar man aan nog een lepel rijst met saté en schudt haar hoofd. «Die man kwam niet eens op bezoek toen Helmut in het ziekenhuis lag. Ze kennen geen wroeging, hè.» Wie? «Nou… ik bedoel hij.» Helmut slikt en corrigeert haar: «Nee, Lucy. Hij kwam wel op bezoek. Hij probeerde dat althans. Maar hij mocht het ziekenhuis niet in. Er was toen nog apartheid.» Dan doet Lucy er het zwijgen toe.

De jaarlijkse rijsttafeldag van de Vereniging Vrienden van Indonesië in Pretoria staat als altijd in het teken van de herdenking van Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetting. Maar de laatste jaren komt daar nog iets bij. Voor de aanwezigen, allen opgegroeid in het voormalige Nederlands Indië, begint de situatie in Zuidelijk Afrika meer en meer te lijken op de vijandige chaos die men daar ooit ontvluchtte. Toen Indië verloren was, was er nog een keuze: terug de kou in, of op weg naar een nieuw paradijs: Zuid-Afrika. Nu is zo’n alternatief er niet meer. En terug naar Nederland is te duur. Dus wordt er rijsttafel gegeten, en weemoedig gepraat over vroeger.

«Ik zou in Nederland ook niet meer kunnen aarden», zegt Peter Penning, bestuurslid van de VVN en ceremoniemeester van de middag. «Er wordt zoveel vuile taal gesproken, en alles is maar toegestaan wat seksualiteit betreft. Wij zijn hier deel van de lokale bevolking geworden.» Lokale bevolking? «Ja, de Afrikaners. Niet de zwarten natuurlijk. Dat is toch een heel andere cultuur.» Er zijn overigens ook te veel zwarten, dan wel buitenlanders, in Nederland, vindt Penning. «We kunnen toch al die handophouders niet ondersteunen? Velen van ons die nog in Nederland stemden, stemden op Pim Fortuyn.» Pim Fortuyn was toch ook de personificatie van wat in Pennings opvattingen «vuile seksualiteit» moet heten? Penning: «De Nederlandse maatschappij heeft zich nu eenmaal zo ontwikkeld. Maar de rest van zijn opvattingen, die ondersteun ik beslist.» Penning is blij met de nieuwe inburgeringscursus voor buitenlanders in Nederland, maar fronst bij de gedachte aan het equivalent: dat het nieuwe Zuid-Afrika hem weleens een verplichte cursus Zulu zou kunnen gaan presenteren. «Dat lijkt me niet nodig. Iedereen kan zich hier heel goed met Engels redden.»

Recht tegenover ons in het bruine-kroeg-achtige restaurantje zit aan een tafel een in roodgouden Afrikaanse traditionele dracht gehulde bruine vrouw met een blanke man. Ik knik in hun richting en vraag Penning of hij weet wie dat zijn. «Nee», schudt hij zijn hoofd. «Nee, die kennen we niet.»

Voor de Maranathakerk in Parktown, Johannesburg, staan enkele honderden zwarte families. Ze zijn opgedoft, de vrouwen in kekke blouses en gouden oorsieraden, de mannen gladgeschoren, de kinderen in pakjes dan wel kanten jurkjes. De voertaal, Frans, en de af en aan rennende individuen met formulieren in hun hand duiden erop dat zich hier een geheel andere immigrantengemeenschap heeft verzameld. Ja, dit is de Maranathakerk, knikt men welwillend, maar niemand heeft hier ooit gehoord van carnavalsvereniging de Springbokken. Pas aan de achterkant van het kerkcomplex merk ik dat ik hier toch goed terecht ben. «En we gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet», klinkt het daar, en door de ramen van een bijgebouw zie ik een lange stoet van grijze hoofden langstrekken. Polonaise!

De Carnavalsdag, in augustus, is speciaal georganiseerd voor de bewoners van het Nederlandse ouderentehuis De Oranjehof door de Springbokken, onder leiding van de Nederlandse entrepreneur Hans ter Ellen. In rode jasjes, met feestmutsen op, medley-zingend van Waar de meisjes zijn tot de Vogeltjesdans, zijn Ter Ellen en zijn mede-Springbokken zo aanstekelijk dat ik mezelf al snel betrap op meeneuriën. Lepelend van een advocaatje met slagroom luister ik naar de 78-jarige heer Van Eldik, die mij uitlegt hoe het zit met Zuid-Afrika. «Die zwarten kunnen gewoon niet regeren», zegt hij. «Maar ik wil ze best helpen, hoor. Daar ben ik heel loyaal in.»

Bejaardenhelpster Nellie, die ooit uit Rotterdam (en de luxaflexbranche) kwam, vindt van zichzelf dat ze eigenlijk zou moeten wennen aan het nieuwe Zuid-Afrika en fenomenen als wit-zwarte stelletjes. «Toch moet ik nog wat wegslikken als ik zoiets zie. We komen immers uit een tijd waarin afstand ten opzichte van zwarten heel normaal was. Je moet ze met de zweep geven, kreeg ik als advies te horen indertijd, toen ik hier naartoe kwam. Dat vond ik toen al wel griezelig, hoor.» Dat was zeker in het Pretoria van de jaren zeventig? «Nee, dat was in het Rotterdam van de jaren zeventig.»

Nellie is onlangs terug geweest in Nederland, «omdat we dachten dat we misschien terug wilden. Maar toen ik zag dat het daar ook al vol zit met allemaal verschillende kleuren, dacht ik, nou, dat maakt dan dus ook niets meer uit.» Ze denkt overigens dat «we in de toekomst wel aan elkaar zullen wennen», want «je houdt het toch niet tegen». «Nuchter zijn ze wel, die Rotterdammers», zeg ik, en dan mag ik nog een advocaatje.

Springbok-voorzitter Ter Ellen doet al een aantal decennia «fijne zaken» in Zuid-Afrika, en zou het heel erg vinden als hij hier weg zou moeten, maar hij heeft «als hij eerlijk moet zijn» toch geen fiducie in de toekomst hier. «De zwarte is egoïstisch, hè. Als leider, bedoel ik. Zodra het een beetje goed gaat, vergeet hij zijn eigen mensen. Dan wordt hij corrupt.» Zo’n beetje als de Nederlandse regenten en directeuren van vroeger, toen hun gedrag nog niet binnen de perken werd gehouden door vakbonden en stemrecht? Ter Ellen peinst even. «Ja… ja… misschien is dat wel waar. Dat we hier zo’n beetje nog in de jaren twintig zitten. Maar soms sta ik toch versteld van het gebrek aan ondernemingslust.» Hij vertelt over de zwarte serveerster die voor hem werkt in zijn Oud-Hollandse Bakkerij De Molen, een oostelijk van Johannesburg gelegen Nederlands monument waar elk jaar op 5 december Sinterklaas zijn opwachting maakt, vergezeld van een met schoensmeer geschminkte Nederlandse kompaan als Zwarte Piet. «Een heel aardig meisje. Ik moedigde haar aan om zelf een bakkerijtje in de township te beginnen. Maar ze zei dat haar familie alle gebakjes zou komen opeten zonder ervoor te betalen.» We concluderen dat niet iedereen in de wieg is gelegd voor ondernemer en dat je wel een familie nodig hebt die een beetje meewerkt.

«Inderdaad, in Drenthe zaten ze in de jaren twintig ook nog in plaggenhutten hè, dat vergeten we weleens», zegt Robert Borsje, voormalig bankier en voorzitter van de Nederlandse Vereniging in Zuid-Afrika, die ik spreek in zijn oud-Hollands ingerichte huiskamer met prachtig uitzicht over de bloeiende tuinen van Pretoria. «Maar of het zich hier ooit zal ontwikkelen zoals het bij ons gegaan is, dat weet ik niet, hoor. Afrika zit met een ontwikkelde wereld om zich heen. En geen enkele economie doet zichzelf schade om een zwakkere economie te helpen. Dat gebeurt gewoon niet.» Zuid-Afrika had veel verder ontwikkeld kunnen zijn als de apartheid niet het onderwijs aan zwarten had tegengehouden, vervolgt hij: «Het land zit met een verschrikkelijke erfenis.»

Borsje kwam hier in de jaren vijftig, in de hoogtijdagen van de apartheid. «Maar je hield je aan de wet van het land. Bovendien voelden we ons als immigranten vaak zelf met de nek aangekeken. ‹Julle kom ons kos vat, jullie komen hier ons eten opeten›, zeiden ze.» Dat is dus hetzelfde als wat in Nederland vaak wordt gezegd tegen Turken en Marokkanen? Borsje kijkt verrast, alsof hij niet gedacht had ooit op één lijn met zulk volk te worden gesteld: «Dat is heel anders. Wij kwamen hier wel met vakmanschap. Ja, als Nederland Turkse verpleegsters nodig heeft, dan is het natuurlijk wat anders.» De nieuwe generatie Nederlanders in Zuid-Afrika is overigens wel veel meer «geïntegreerd» dan de oude jaren-vijftiggolf, heeft Borsje gemerkt. «Die gaan in de toekomst misschien ook wel Zulu leren. Wat ik een heel goed idee vind.» «Ja», oppert zijn vrouw, die, binnengekomen met de koffie, staat mee te luisteren. «Dan kun je tenminste ook verstaan wat ze over je zeggen.»

Maar klopt het wel dat de nieuwe generatie zo aan het «integreren» is? De «nieuwe» zakenlieden Schouten, Vissers en Slootweg zijn daar bij lange na nog niet aan begonnen, en ook politiek linksige immigranten lijken zich van de ouderwetse Nederlandse ondernemer soms alleen te onderscheiden door een dun laagje anti-apartheidsvernis. Zo was er de journalist die een restaurantje opende «in het land van de regenboog, van Mandela», maar zich wel binnen de kortste keren bij de politie beklaagde over die «fucking bedelaars» in «zijn» uitgaansgebied. En township-tourgidsen in de Oostkaap spreken nu nog met ontzetting over een alternatieve Nederlandse reisleidster die hen beslist niet meer wilde betalen dan dertig rand (drie euro) per dag.

Sylvia van der Merwe, een knappe jonge Brabantse, getrouwd met een Afrikaner dokter en sinds een paar jaar hier woonachtig, kent de apartheid uit gruwelverhalen in Nederlandse kranten en wil zich absoluut niet scharen onder de blanke uitbuiters. Ze geeft echter wel ronduit toe dat ze «met die mensen (zwarten — eg) «toch nog niet zo goed weet om te gaan». «Ik gaf mijn halve klerenkast weg aan de huishoudster», vertelt ze. «Maar daarna werd die me toch lui. Ze werkte gewoon niet meer en gaf me een grote mond als ik haar vroeg om eens wat te gaan doen. Was ik waarschijnlijk te goed voor haar geweest.» Nu vindt Sylvia dat hulp en liefdadigheid nog steeds wel moeten, «tenminste als daar opvoeding bij komt».

Van der Merwe staat niet alleen in haar ervaring dat ook een overmaat aan goede bedoelingen soms problemen oplevert in de omgang met «die mensen». Noud Vissers zei het al: «Je moet wel op je tellen blijven passen.» Als illustratie hierbij moge dienen de vele verhalen over ontwikkelingsorganisaties die zich door lokale Tedjes van Es tonnenvol geld afhandig lieten maken, de al even talrijke anti-apartheidsactivistes die zich verslingerden aan gewetenloos veelwijvende freedom fighters en de reiziger die, beladen met camera, Rolex en portefeuille in de achterzak, Hillbrow — de meest criminele wijk van Johannesburg — in liep in de ijdele hoop dat «de zwarten» hem wel net zo aardig zouden vinden als hij hen vond.

«Je moet de aardige mensen van de klootzakken kunnen onderscheiden», is het simpele credo van Cor Pronk, Nederlands handelaar in (hogedruk)lucht. Pronk is de man die op de rijsttafeldag verscheen in het gezelschap van een goudbruine verloofde in West-Afrikaanse dracht. Marlene Liwanga-Ehumbu en Cor Pronk wonen samen in Sunnyside, het Hillbrow van Pretoria, en ze hebben het daar best naar hun zin. «Inburgeren kun je overal», weet accountant Marlene, die daar expert in is. «Zodra je je als een van de ‹locals› opstelt, gaat alles beter. En dan bedoel ik niet als de mevrouw die zo goed met de meid kan omgaan, maar een opstelling op basis van gelijkwaardigheid.»

Voorbeelden? Zo houdt Marlene net zo gemakkelijk een kroeggesprek in de bar in Sunnyside, waar ze Pronk ontmoette, als dat ze in een duur restaurant zonder blikken of blozen de achterkant van een blanke damesjurk dichtritst. «Die dame wist duidelijk niet dat ze open stond, en haar eigen gezelschap zag alleen haar voorkant.» Marlenes eerste man kwam uit de Congo, en een tante trouwde met een Angolees. «Soms doe ik een zwarte stip op mijn voorhoofd, dan lijk ik net hindoe. Ik heb ook een moslimpak. En op die rijsttafeldag dacht een mevrouw dat ik Indonesisch was — wat niet gek is, want in onze Kaapse coloured gemeenschap zit veel bloed van uit Indonesië aangevoerde slaven. Het mixen zit in mijn geschiedenis.»

Cor Pronk, duidelijk gek op Marlene sinds hij een jaar geleden met haar aan de praat raakte, is eigenlijk precies tegenovergesteld: «Ik paste nooit bij de andere Nederlanders. Ik diende drie maanden in Indonesië en hier kwam ik bij Armscor terecht. Maar ik werd nooit een van de old boys. Nu nog, als ik zie hoe negatief de blanken, ook de Nederlanders, soms reageren op Marlene en mij, dan wil ik wel in rook opgaan. Maar zij gaat altijd recht door confrontaties heen.» Zelf, net als Marlene, één worden met het nieuwe Zuid-Afrika, dat wil Pronk wel, maar het is niet zijn eerste keus: «Ik zou als ik heel eerlijk ben toch het liefst willen dat zij met mij mee weer de Eerste Wereld in gaat.» Met een aanpasdeskundige als Marlene aan zijn zijde moet het nu toch lukken, zie je hem denken, maar Marlene wil daar niets van weten: «Cor is zijn hele leven geïndoctrineerd door de blanken. We blijven lekker hier.»