Hoofdcommentaar

Bloemenrevolutie

reageer online

Rozen verwelken, schepen vergaan. Georgië ondervond beide volkswijsheden de afgelopen weken aan den lijve. Bij een storm op de Zwarte Zee zonken vier schepen, waaronder een olietanker, en in de straten van Tblisi ging de Rozenrevolutie van 2003 ten onder. Die was al verbleekt, door president Saakasjvili’s autoritaire regeerstijl, zijn economische shocktherapie en zijn virulente nationalisme. Deze maand riep Saakasjvili de noodtoestand uit, liet de protesten tegen zijn bewind uit elkaar slaan en legde een enkel kritisch medium het zwijgen op. Inmiddels is de noodtoestand weer opgeheven. Maar over de democratische make-over van Georgië zal niemand zich nog illusies maken.

Ook elders eet de revolutie haar eigen bloemen op. Oekraïne gaat gebukt onder een langdurige politieke impasse. In Libanon is het niet veel anders. Het land van de Cederrevolutie balanceert zelfs als vanouds op de rand van een burgeroorlog. In Servië, bakermat van de bloemenrevoluties, heerst weliswaar democratie, maar wordt het debat nog steeds gedomineerd door nationalisten van uiteenlopende snit. En wie herinnert zich anno 2007 überhaupt nog de glorieuze Tulpenrevolutie in Kirgyzië, het Centraal-Aziatische bergstaatje?

Het leek zo mooi. In navolging van het Servische Otpor schoten in tal van autoritair bestuurde landen verzetsgroepjes van studenten en jonge professionals uit de grond. Met vreedzame acties en een gelikte pr – een bloem als symbool, een vrolijke kleur en een goed bekkende kreet – slaagden zij waar de voltallige oppositie faalde. Het ene na het andere ancien régime werd gewipt. Westerse politici en media, van links tot rechts, bejubelden de nieuwe, fluwelen democratiseringsgolf. President Bush toonde zich enthousiast. De veelgeprezen Britse historicus Timothy Garton Ash zag in de Cederrevolutie een uniek, vreedzaam alternatief voor de democratisering van het Midden-Oosten.

Zoveel naïviteit is niet enkel te verklaren uit slimme branding of geopolitieke belangen, ook al stonden de Verenigde Staten en Europese landen de rebellen bij met geld en adviezen. De westerse publieke opinie zag wat zij wilde zien: op vreedzame wijze stootten liberaal gezinde demonstranten de ene na de andere despoot van de troon. De opstandelingen waren bescheiden in hun eisen. Democratische verkiezingen en vrijheid van meningsuiting, wie kan daar tegen zijn? De tegenstelling met de diverse twintigste-eeuwse revolutiepogingen kon niet groter zijn. Dit keer geen geweld, geen hooggestemde idealen, en daarmee voor de supporters in het Westen geen risico achter een Pol Pot of L chtend Pad aan te lopen. De bloemenrevoluties waren even pragmatisch als apolitiek. En dan wilden ze diep in hun hart ook nog allemaal bij de Europese Unie horen!

Het wás te mooi om waar te zijn. De internationale vrienden gingen voorbij aan het feit dat het nieuwe succesmodel alleen werkte tegen ‘autoritarisme light’. Dictaturen die bereid waren hun macht ten koste van alles te verdedigen – Wit-Rusland, Iran of Egypte – bleken heel wat minder vatbaar. De straatprotesten en tentenkampen op centrale pleinen ten spijt voltrok de werkelijke omwenteling zich voornamelijk achter gesloten deuren, in de bestaande instituties. Daar bleven de verborgen agenda’s, onderlinge tegenstellingen, machtsspelletjes en het nationalisme onverminderd van belang.

Maar in de toespraken van politici en de berichtgeving in de westerse media was amper plaats voor die genuanceerde realiteit. De opstandelingen waren moreel zuiver, de solidariteit was onvoorwaardelijk. Dat lijkt verdacht veel op de internationale solidariteit van de verguisde rode jaren zeventig, het ‘hun strijd onze strijd’. Maar in plaats van die ervaring serieus te nemen en te kijken waarom het in sommige gevallen vreselijk mis ging, is gekozen voor de gemakkelijke weg, die in alles het tegenovergestelde lijkt: geweldloze, apolitieke, moreel zuivere en liberaal aandoende bewegingen. Omdat die zelfs niet in sprookjes bestaan, worden de grijstinten ontkend. Wat lijkt op een totale breuk met het idealistische verleden is in sommige opzichten eerder een voortzetting daarvan.

Bij zulk zelfbedrog is niemand gebaat. Wij niet, omdat enkele jaren na de bloemenrevoluties er weinig veranderd lijkt, en zij niet. Want hoewel het onmogelijk is aan het ideaalbeeld te voldoen, zal een oppositie toch een poging doen om de steun van het vrije Westen te krijgen. Hoe onredelijk dat is, bleek deze zomer nog eens bij de Birmese ‘saffraanrevolutie’. Geweldloze monniken lieten zich molesteren en oppakken door de wrede junta. Daarmee bereikten ze niets anders dan een heldenstatus en politieke steun van links tot rechts in de rest van de wereld. Maar wat heeft de Birmese bevolking daaraan? Zou het niet van oprechtere betrokkenheid bij haar lot getuigen om de vraag te stellen of zij niet beter af was geweest met een goed voorbereide en bewapende, ondergrondse oppositie? Waar wij dan niet onvoorwaardelijk solidair mee zijn, maar wel kritische steun aan verlenen, zolang het ernaar uitziet dat zij het dagelijkse leven voor de Birmezen daadwerkelijk verbetert?

Maar dan moet je praten over geweld, doel en middelen, over politieke plannen en economische maatregelen. Kortom, over de smerige werkelijkheid. Die wordt bevolkt door mensen van vlees en bloed, en die kunnen fouten maken. Daar willen we niets mee te maken hebben. Wij zijn liever solidair met zeehondjes. En wentelen ons in onze morele verontwaardiging als die voor het oog van de wereld doodgeknuppeld worden.