Oscar van den Boogaard, Het verticale strand

Bloemetjes plukken en zwaaien

Oscar van den Boogaard

Het verticale strand

De Bezige Bij, 320 blz., e 19,90

Oscar van den Boogaard liet zich voor zijn roman Het verticale strand inspireren door de foto van Ed van der Elsken die ook het omslag siert: drie jonge vrouwen in minirok en op pumps steken een straat over. Wat moet Van der Elsken toch een onweerstaanbaar leuke man zijn geweest dat die vrouwen zo naar hem lachen, denk je als je die foto ziet. Met hun vrolijkheid is het ín het boek verder wel zo’n beetje gedaan. Brenda, Gloria en Zoe heten ze bij Van den Boogaard. Ze zijn in elkaars nabije omgeving opgegroeid, in Utrecht, in de statige buurt rond het Wilhelminapark. In de zomer van 1969 besluiten ze het verstilde provinciale leven achter zich te laten en naar Parijs te gaan. Zie vervolgens dit zesbenige wezen de Boulevard Saint Germain oversteken. «Deze drie vrouwen hebben geen duidelijk doel, wel een onduidelijk doel, iets waar ze naar toe gezogen worden zonder dat ze het kunnen benoemen, iets waarvoor ze hun stad hebben moeten verlaten en 600 kilometer hebben moeten rijden…» In lange, dromerige scènes volgt Van den Boogaard hun wedervaren. Zo dromerig dat je er bijna overheen leest dat hun verwachtingsvolheid op tamelijk gruwelijke wijze om zeep wordt geholpen: na een bezoek aan een café worden ze wakker in een vreemde kamer, tussen bebloede lakens en met slechts verwarde herinneringen aan fysieke sensaties. Twee van de drie meisjes keren zwanger huiswaarts.

De Engelse schrijver Jonathan Coe, tijdgenoot van Van den Boogaard en gedreven door een vergelijkbare ambitie een tijd en een generatie in literair proza te vangen, zei eens dat een schrijver zijn lezers alles kan aandoen zolang hij de verhaallijn maar sterk genoeg houdt. Die verhaallijn is in Het verticale strand zwak. Iedere spanningsboog ontbreekt. Nu heeft Van den Boogaard al in eerder werk laten zien dat het hem nooit zozeer om het vertellen van een verhaal te doen is. Zijn proza laat een bijzondere mengeling van sereniteit en uitbundigheid zien, altijd balancerend op het randje van te veel of te weinig. De heftige gemoedsstemming die uit romans als De heerlijkheid van Julia (1995), Liefdesdood (1999) en Een bed vol schuim (2002) spreekt, lijkt ontstegen aan het hier en nu en heeft iets negentiende-eeuws. Tegelijkertijd is de door hem beschreven wereld uiterst modern, en zijn zijn personages jong en trendgevoelig. Verlies, verraad en liefde vormen zijn thematiek en van deze drie liefde het meest, zoals hij ook in Het verticale strand laat zien.

Twee aspecten zijn nieuw: de reikwijdte van zijn verhaal, en daarmee samenhangend de nadrukkelijkheid waarmee hij verschillende generaties in beeld wil brengen. Deze roman gaat ook over de moeders van de drie Parijs- gangers, Lucy en Inga – Brenda en Zoe zijn zussen – en over hun verhouding met hun mannen, én over de kinderen die het resultaat zijn van het Parijse tripje. Gloria krijgt een dochter, Rickie, en Brenda krijgt een tweeling, Solange en Samantha geheten. Deze jongste generatie gaat op haar beurt het geluk beproeven, maar doet dat inmiddels natuurlijk in de States. Ondertussen blijven de beide grootmoeders, en met name Lucy die iedereen lijkt te overleven, uitstaren over het majestueuze Wilhelminapark.

Op een losse manier schakelt Van den Boogaard tussen heden en verleden, Parijs, Amerika en Utrecht, zo los dat je af en toe niet goed weet waar je bent en bij wie. Bij een schrijver als Van den Boogaard valt er desondanks altijd wel wat op te merken en te genieten – «Het leven is bloemetjes plukken, zwaaien, toelachen, en toegelachen worden» – maar toch wekt die losheid uiteindelijk een meedogenloze gaaplust op. Ook omdat nogal wat nuffige prietpraat – al die mensen doen ook maar in kunst en aanverwanten – de bladzijden vult. Wat ook de bedoeling van een schrijver moge zijn: nooit dat zijn lezers in slaap dreigen te vallen. De kracht van zijn eerdere werk was juist de combinatie van een bijna ijle verteltoon en een sterke onderhuidse spanning. De ijlheid is gebleven, maar de spanning is ten enenmale verdwenen. Het is alsof de schrijver zich heeft vertild aan zijn eigen onderneming, want de verschillende vrouwen, laat staan de verschillende generaties, krijgen eigen gezicht noch stem. Heel spijtig, want afzonderlijke passages laten de grote oorspronkelijkheid zien van Van den Boogaard, en zijn bijzonder liefhebbende en meedogende oog voor vrouwen. Erg mooi brengt hij bijvoorbeeld onder woorden hoezeer vrouwen leven bij het feit be geerd te worden. En hoe hun geluk verbonden is met zich voortdurend be schikbaar te tonen. Interessante zaken, die in de context van zo’n generatie roman tot schrijnende inzichten hadden kunnen leiden. Zelden vertoond in de literatuur is bijvoorbeeld ook de figuur van de hoogbejaarde Lucy, met wie de roman begint en eindigt. De man die zijn leven lang om haar heen heeft gedraaid, kijkt met een Van der Elsken-achtige blik naar de kracht die op 85-jarige leeftijd nog steeds in haar schuilt, naar haar nek en haar oude vel. Na zoveel jaren verlangt hij onverminderd naar haar overgave. Het is een slotscène die een ontroerende apotheose had kunnen zijn als het voorgaande een dwingender kracht had gehad.