Bloemlezing van menselijke zwakheden

Als historicus en journalist Timothy Garton Ash in november 1989 lijfelijk toekijkt bij de val van de Berlijnse Muur, realiseert hij zich dat niets ooit meer hetzelfde zal zijn. De Koude Oorlog is over, het communisme voorbij. Wat hij op dat moment echter niet weet, is dat de Stasi in de tijd dat hij in Oost-Berlijn studeerde en journalistiek bedreef, een dossier over hem heeft aangelegd. Aanleiding zou zijn dat hij ‘met opzet zijn officiële functie als onderzoeksstudent en/of journalist heeft misbruikt om inlichtingenactiviteiten te ondernemen’.

Enkele jaren later krijgt Garton Ash bij de zogeheten Gauck-Behörde in Oost-Berlijn, de instelling waar de Stasi-dossiers zijn opgeslagen, zijn vijf centimeter dikke, 325 pagina’s omvattende dossier overhandigd met de woorden: ‘U hebt een buitengewoon interessant dossier.’ Zijn codenaam: Romeo. Een naam die Westduitse journalisten gaven aan Stasi-agenten die eenzame secretaresses in Bonn verleidden, maar die volgens Garton Ash in zijn geval waarschijnlijk refereert aan zijn auto, een Alfa Romeo.
In het Stasi-dossier doet Garton Ash op zeer persoonlijke wijze verslag van wat hij aantrof in zijn dossier. Hij legt het Stasi-observatierapport naast zijn dagboekaantekeningen uit die tijd. Dat levert niet alleen een schokkende confrontatie met informanten op, maar tevens met de jongen die hij rond zijn vijfentwintigste was. Een beschrijving met het 'kille, uiterlijke oog van een geheime-politieman’ tegenover zijn 'eigen subjectieve, dubbelzinnige, emotionele zelfbeschrijving’. Hij schaamt zich vaak over wat hij over zichzelf schrijft, wenst dat het 'hij’ was waar 'ik’ staat geschreven, ergert zich als hij zich realiseert hoeveel hij is vergeten.
Lezenswaardiger zijn de confrontaties met de verklikkers, de Inoffizielle Mitarbeiter, die in zijn dossier voorkomen. Hij is nieuwsgierig naar hun toenmalige beweegredenen en hoe ze daar nu op terugkijken. Die ontmoetingen leveren welhaast schizofrene taferelen op. Zijn vlijtigste verklikster was 'Michaela’, die voor de Stasi werkte omdat het goed was voor haar carrière in de staatskunsthandel. Aanvankelijk praat ze op een zakelijke, uiterlijk zelfverzekerde manier, maar tijdens het lezen van de rapporten kan ze plots niet verder, voelt ze zich misselijk en moet ze overgeven. Bij het afscheid schudden ze elkaar de hand. Michaela zegt niet dat het haar spijt, maar vraagt of hij met de auto is gekomen. 'Nee, met de ondergrondse’, antwoordt Garton Ash. 'O, het is een heel goede verbinding, nietwaar?’ Garton Ash observeert dat ze moeite doet haar normale manier van doen te bewaren 'alsof er niets is gebeurd, niets eigenlijk.’
Of de oude Frau R., die Garton Ash bewonderde en echt als vriendin beschouwde, en die volgens zijn dagboek had gezegd: 'Och, was jij mijn zoon maar.’ Als Garton Ash haar vijftien jaar later met haar dubbelrol confronteert, vraagt ze of ze nu soms uit het raam moet springen. Ze ontkent dat ze bij de Stasi als verklikker te boek stond en weigert de meegebrachte kopieën uit het dossier te bekijken. Garton Ash heeft er bijna spijt van dat hij haar heeft opgezocht en verwijt zichzelf dat hij haar het voorrecht ontnam 'om selectief te vergeten’.
Garton Ash krijgt in Engeland geregeld te horen dat het een voorrecht zou zijn dat hij een dossier heeft. Mensen die iets met Oost-Europa te maken hadden, reageren daarentegen met 'ja, ik moet mijn dossier eens opvragen’ of 'het schijnt dat het mijne vernietigd is’. Nooit zegt iemand hem: 'Ik weet zeker dat ze er over mij geen hadden.’ Hij omschrijft dit syndroom met de freudiaanse term 'dossiernijd’. Als je maar een dossier hebt, dan ben je niet fout, in elk geval minder verdacht. Het doet denken aan de schrijver uit een gedicht van Bertolt Brecht, die wanhopig tegen de nazi’s schreeuwt dat ook zijn boeken op de brandstapel thuishoren.
Het openen van de Stasi-dossiers heeft voor velen verstrekkende persoonlijke gevolgen gehad, maar was ook een loutering, een catharsis, een wellicht noodzakelijke basis om verder te gaan.
Garton Ash voelt zich niet - zoals vele Oostduitsers - slachtoffer van die verklikkers. Hem is geen echt kwaad aangedaan, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de politieke activiste Vera Wollensberger uit Pankow, die ontdekte dat haar echtgenoot haar verklikte vanaf het moment dat ze elkaar ontmoetten. Alleen echte slachtoffers hebben volgens Garton Ash het recht te vergeven. Als niet-direct slachtoffer veroordeelt hij daarom niemand. Voor hem bestaat er geen fundamenteel verschil tussen de geheime dienst van een communistische staat of die van een democratie. 'Alle geheime diensten, waar dan ook, hebben verklikkers en informanten nodig.’
Is het dan zo simpel dat het 'goed’ is wanneer het een vrij land betreft en 'fout’ wanneer het om een dictatuur gaat? Hij zegt de verklikkers in zijn dossier te begrijpen: hun gedrag is intens beïnvloed door de omstandigheden. Hij vindt niet zozeer kwaadaardigheid als wel 'een dikke bloemlezing van menselijke zwakheid’. En in de gesprekken met de betrokkenen trof hem niet zozeer de opzettelijke oneerlijkheid als wel hun vrijwel 'onbeperkte vermogen tot zelfbedrog’.
Net als zijn term 'dossiernijd’ doet ook Garton Ash’ verklaring van het feit dat mensen voor de geheime politie gingen werken, freudiaans aan. De sleutel ligt in de jeugd: er is de afwezige vader, gesneuveld in de oorlog of een krijgsgevangenkamp. De Stasi zou hebben gefungeerd als een soort substituutvader. Dat verklaart echter niet waarom er ook mensen zijn die niet voor de geheime politie gingen werken.
Misschien is Garton Ash wel te mild. Hij is als een alles begrijpende, niets veroordelende psychoanalyticus, de empathie ten top. In een recent interview in NRC Handelsblad zei hij: 'Ik denk dat het belangrijk is om “je Berlijn” te vinden, je ergens druk over te maken. Geef mij maar iemand die uit idealisme een fout heeft gemaakt.’ Maar er vallen natuurlijk wel gradaties te onderscheiden in de fouten die mensen maken op basis van hun idealisme.
Wellicht had Garton Ash als echt slachtoffer een ander boek geschreven. Niettemin heeft deze confrontatie met dat inderdaad 'buitengewoon interessante dossier’ een bijzonder en fascinerend egodocument opgeleverd, van een in moreel opzicht toch bewonderenswaardig iemand.