Schande en schaamte in de Middeleeuwen

‘Bloets hoeft ende barvoet’

Large game of thrownes cersei
Lena Headey als koningin Cersei Lannister in Game of Thrones. Als straf moet zij naakt door een mensenmassa lopen om vernederd te worden © HBO

In 1532 maakte Hendrik VIII levend gekookt worden tot een legale vorm van doodstraf. Steeds weer liet hij mensen ophangen, vierendelen, onthoofden, verminken. In het openbaar, zodat de gestrafte te schande werd gezet. Waarin verschilt de moderne mens van de middeleeuwer?

In het vijfde seizoen van de populaire fantasieserie Game of Thrones komt een scène voor die onmiskenbaar ontleend is aan het tijdperk waarop heel de serie losjes is gebaseerd: die van de Rozenoorlogen oftewel de binnenlandse strijd tussen de huizen van Lancaster en York in het Engeland van de tweede helft van de vijftiende eeuw. De scène in de hbo-serie draait om Cersei Lannister, ooit de machtigste persoon van de Zeven Koninkrijken maar nu gevallen en beschuldigd van koningsmoord, overspel en incest. Als straf moet zij de vernederendste aller vernederingen ondergaan: naakt lopen door een mensenmassa, bespuugd worden, uitgescholden, bekogeld. Ze wordt begeleid door een vrouw met een bel die telkens hetzelfde woord scandeert: shame, shame, shame.

Iets vergelijkbaars maar dan echt overkwam een van de maîtresses van Edward IV, koning van Engeland tussen 1461 en 1483: Jane Shore. Shore was nogal een schoonheid, in ieder geval had ze een enorme aantrekkingskracht op mannen en Edward was dan ook niet de enige die een relatie met haar had. Maar na zijn dood moest de vrouw haar gedrag duur betalen en ‘without all attire save her outer petticoat alone’, zoals Thomas More in zijn geschiedenis van Richard III schrijft, over straat, tijdens een processie nog wel, lopend vóór het kruis en met een kaarsje in haar hand.

Veel meer weten we niet van de publieke straf van Jane Shore. Des te meer is er naderhand over geschreven, geschilderd, getekend en gefilmd, door Shakespeare, Nicholas Rowe, William Blake en onlangs dus door de makers van Game of Thrones. Shore’s zogenoemde Walk of Shame spreekt al meer dan vijf eeuwen tot de verbeelding. Dit mag verbazen, want een straf als de hare was destijds heel gewoon – er waren talloze ergere straffen. Maar Shore was Shore, iemand die tot de bovenste regionen van de samenleving was doorgedrongen. Bovendien had haar straf een seksuele, zo niet licht pornografische connotatie – regelmatig is ze hoer genoemd. Maar het belangrijkste van al: de man die haar de straf oplegde, was een York en werd opgevolgd door een reeks Tudors. Anders gezegd: de regering van Richard III moest zo zwart mogelijk worden afgeschilderd; beklemtoning van de wreedheid van de straf die Shore moest ondergaan was een van de middelen daartoe. Beeldvorming dus. Propaganda.

Maar kloppen doet het beeld niet. Hendrik VIII, die het een paar decennia later voor het zeggen kreeg, ging zelfs zo ver dat hij zijn tweede vrouw, Anne Boleyn, publiekelijk liet onthoofden. Dat was niet alles. In 1532 maakte hij levend gekookt worden tot een legale vorm van doodstraf. Steeds weer lieten hij en zijn uitvoerders mensen ophangen, vierendelen, onthoofden, verminken of op een andere manier doden dan wel onherstelbaar geweld aandoen. Ook hierbij bleef het nog niet. Dit alles gebeurde bijna altijd in het openbaar zodat de gestrafte niet alleen fysiek maar ook moreel gestraft werd: hij werd te schande gezet. Robert Aske bijvoorbeeld, een van de katholieke tegenstanders van Hendrik VIII, werd niet alleen opgehangen maar daarna ook publiekelijk tentoongesteld.

Toch is ook dit weinig nieuws. Het gebeurde niet alleen in Engeland maar ook op het vasteland van Europa en niet alleen tijdens Richard III en Hendrik VIII maar ook daarvoor, én nog lang daarna. Niettemin zouden deze ‘barbaarse’ of ‘middeleeuwse’ praktijken langzaam plaatsmaken voor de ‘beschaafde moderniteit’ – aanhalingstekens in alle gevallen gepast. Een behandeling als die van Jane Shore zou in toenemende mate tot het verleden behoren.

De middeleeuwse cultuur, aldus het dominante beeld, was een schande-, geen schuld- of schaamtecultuur. Deze terminologie is ontleend aan een artikel van Margaret Mead uit 1937 en werd bekend door de studie die een vriendin van Mead, de Amerikaanse antropologe Ruth Benedict, in 1946 over Japan publiceerde: The Chrysanthemum and the Sword – de chrysant was het nationale symbool van Japan. In deze studie beweert Benedict dat de Amerikaanse cultuur gedomineerd wordt door gevoelens van trots en schaamte terwijl het in Japan veeleer draait om eer en schande. Terwijl de moraal in de Verenigde Staten is geïnternaliseerd is hij in Japan publiek. In het ene geval legt iemand zichzelf sancties op en schaamt zich c.q. voelt zich schuldig (of is trots), in het andere geval worden de sancties door de omgeving opgelegd en wordt iemand te schande gezet (of geëerd).

Sinds de publicatie van het boek van Benedict heeft het onderscheid tussen (wat in het Engels heet) shame en guilt culture naam gemaakt. Dit kwam te meer doordat het spoorde met inzichten van anderen. Onder hen socioloog Norbert Elias (Über den Prozess der Zivilisation, 1939), filosoof Michel Foucault (Surveiller et punir: Naissance de la prison, 1975) en mentaliteitshistorici als Emmanuel Le Roy Ladurie (Montaillou, 1975) en Jean Delumeau (Le péché et la peur: La culpabilisation en Occident, XIIIe-XVIIIe siècle, 1983). Bij nauwkeuriger inzien blijkt dat genoemde auteurs zelden hetzelfde bedoelen en bijna altijd verschillende accenten leggen. Niettemin werd het begrippenpaar schande- en schaamtecultuur steeds vaker toegepast, ook op andere landen en andere culturen dan die van de VS en Japan – én op andere tijden dan de onze. Daaronder ook de Middeleeuwen.

Hiermee werd voor de zoveelste keer in de afgelopen vijfhonderd jaar bevestigd dat dit ‘tijdperk’ zich fundamenteel onderscheidt van het onze. Het was niet alleen gewelddadig, bloederig, grof, ja donker, ook zouden middeleeuwers in vergelijking met ons als kinderen zijn: onbeteugeld, driftig, emotioneel, gelovig, bijgelovig. Vandaar dat zij alleen door externe dwang nog enigszins in toom gehouden konden worden. Dit is hetzelfde als zeggen dat de middeleeuwse cultuur gebaseerd was op uiterlijkheden als schande en eer. Innerlijke beschaving en individuele moraal, wat Elias Selbstzwang en Benedict (feelings of) guilt noemt, zouden uitzonderlijk zijn.

Het is niet moeilijk via literatuur, film, internet en publiek debat (‘de islam is middeleeuws en heeft Nederland niets te bieden’) in dit beeld van ‘primitieve Middeleeuwen’ bevestigd te worden. Tegelijkertijd bulkt het in de historische wetenschap van de relativeringen, zo niet ontkenningen van dit beeld. Klopt dat onderscheid tussen schande- en schaamtecultuur wel? Zijn wij wel zo ‘innerlijk’ terwijl andere culturen en andere tijden vooral ‘uiterlijk’ waren of zijn?

Bij het beantwoorden van deze vragen doemen twee problemen op. Het eerste heeft met het thema zelf niets van doen en betreft de overstelpende overvloed van feiten, bronnen, meningen, citaten, artikelen, boeken en meer in onze welhaast kompasloze wereld. Wat je ook beweert of wilt beweren, je vindt altijd wel feiten en bronnen, argumenten en autoriteiten die het bevestigen. Het maakt zo goed als elk betoog tot een dronkenmansrit in een oerwoud.

Het tweede probleem betreft taal. Dit wordt snel duidelijk als je je realiseert dat wij twee, schijnbaar tegengestelde begrippen hebben voor het Engelse shame: schande én schaamte. Vandaar dat vermoedelijk de meest juiste vertaling voor guilt culture schaamtecultuur en niet schuldcultuur is. Schuld associëren wij in het Nederlands in de eerste plaats met boete en dus met openbare strafoplegging door een autoriteit. Schande refereert eveneens aan openbare strafoplegging maar dan door de publieke opinie. Schaamte daarentegen betreft het innerlijk. Maar deze verschillen worden niet in alle talen gemaakt terwijl ze in het Nederlands evenmin duidelijk zijn. Schaamte en schande zijn dus ingewikkelde begrippen, in het Nederlands suggereren ze een scheidslijn tussen innerlijk en uiterlijk. Maar bestaat zo’n lijn wel? En is de eventuele betrekkelijkheid van die scheidslijn wellicht de reden dat het Engels slechts één begrip kent?

Wat betreft het lastige onderscheid tussen schaamte en schande valt op dat Johan Huizinga de begrippen in Herfsttij der Middeleeuwen door elkaar gebruikt. Sterker nog, hij gebruikt ze voor ons gevoel precies verkeerd. Zo schrijft Huizinga: ‘Men beschouwde het als een ondragelijke schande voor zich zelf, als men den meerdere niet de plaats liet, die hem toekwam.’ Wij zouden in plaats van ‘schande voor zichzelf’ van schaamte spreken; als je zoiets doet, schaam je je. Bij de ergste moord- en plunderpartijen laat men de slachtoffers het hemd of de onderbroek; de Burger van Parijs (een van Huizinga’s belangrijkste bronnen, een dagboek over de jaren 1405-1449) is over niets zo verontwaardigd als over het feit, dat die regel werd geschonden. Daaruit spreekt schaamte, schrijft Huizinga. Schande, zouden wij zeggen: zoiets doe je niet. Als je iemand berooft, dan niet van de onderbroek.

Schandpalen, schopstoelen, vernederen, kaalscheren, het is allemaal door onze soortgenoten verzonnen

Eenvoudiger wordt het als in Herfsttij de tegenhangers van schande of schaamte ter sprake komen. Van trots spreekt Huizinga zelden (wel van hoogmoed), van eer des te meer. Het begrip komt maar liefst 76 keer voor. Dat strookt met het heersende beeld – zie bijvoorbeeld Het woord van eer: Over literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400 van Frits van Oostrom. Huizinga noemt eer dan ook ‘de pool van het adellijk leven’. Maar wat zegt dat? Dat de middeleeuwse cultuur inderdaad meer gericht was op uiterlijke zaken dan wij? En in dat geval: dat de tegenhanger van eer, schande, in de middeleeuwse cultuur vermoedelijk net zo belangrijk werd gevonden maar wellicht minder klemtoon kreeg, bijvoorbeeld omdat men haar, de schande eigen, liever verborgen hield?

Of zou het zo zijn dat de beklemtoning van het een en relatieve verwaarlozing van het ander vooral iets zegt over onze gevoeligheden, om te beginnen die van een negentiende-eeuwse estheet als Huizinga die liever sprak over de kleurrijke vreugde van de eer dan over de grauwe ellende van de schande? Het is niet eenvoudig te zeggen. Aan het feit verandert het niets. ‘Die schande woenet [hoort] bijder eer’, zoals in een vijftiende-eeuws leerdicht van Dirc Potter over de liefde staat.

Laat ik uit de talloze bronnen die over schaamte en schande in de Middeleeuwen ter beschikking staan eerst een paar regels citeren uit een gedicht van de Antwerpse schepenklerk Jan van Boendale, begin veertiende eeuw. Dit gedicht gaat over een thema waar Van Boendale en zijn tijdgenoten vaak en graag over schreven: angst. Dits vanden Anxt heet het gedicht waaruit de volgende regels komen dan ook – ze staan in de fameuze handschriftenverzameling van Van Hulthem:

Ridders, knechten, in striden, in storme,
mids anxt comt hem een manlijc vorme
datse hem hoeden vore selc gherochte,
desse hem namaels scamen mochten.
Die anxt doet hem verwerven
eren vele ende daer in sterven.

In vrije vertaling: in het strijdgewoel laten ridders en hun manschappen zich uit angst van hun mannelijke kant zien. Dit omdat ze beducht zijn voor verhalen waarover ze zich later zouden schamen. Het is dus angst die hen eer doet verwerven en eventueel zelfs daarvoor doet sterven.

Dit staat behoorlijk haaks op het beeld van het fundamentele verschil tussen schaamte- en schandecultuur, want het gaat over een innerlijke ervaring (angst) met betrekking tot een publieke gebeurtenis (schande) die een nieuwe innerlijke ervaring (schaamte) oproept: anxtselc gherochte (zulke geruchten) – scamen. Eenvoudiger gezegd: ridders zijn zo bang voor een slechte naam dat ze alles liever hebben dan dat, zelfs de dood. Weliswaar is dit de visie van een man die zelf niet op het slagveld stond, maar dat maakt haar niet minder waar. Integendeel, denk ik. Van Boendale hoefde niet te doen wat ridders volgens hem juist wel deden: stoer. Hij kon de waarheid onder ogen zien. En dus kon hij stellen dat mensen, ook ridders, bang zijn: voor de dood maar nog meer voor schande en schaamte. Het klinkt allemaal buitengewoon modern. De dood is afschrikwekkend. Maar levend dood zijn, bijvoorbeeld in de positie verkeren van een man als Harvey Weinstein, is misschien nog wel erger. Hoeveel mensen plegen geen zelfmoord om minder?

Als Beatrijs in de stilte van de nacht het klooster verlaat om zich te voegen bij haar geliefde, legt ze haar kovel (habijt) op het altaar, doet haar schoenen uit, hangt de sleutels van de sacristie bij het Mariabeeld en verlaat halfnaakt (‘met enen pels al bloet’) het pand. Even later ontmoet zij haar geliefde in de tuin. Maar ‘Doen si beide te samen quamen,/ Si begonste hare te scamen/Om dat si in enen pels stoet/ Bloets hoeft ende barvoet.’ In de vertaling van Anke Passenier: ‘Maar toen zij daar samenkwamen/ Begon zij zich opeens te schamen/ Omdat zij hem op blote voeten/ En zomaar in haar hemd begroette.’ Bijbelse schaamte, ingetogenheid, moderne gêne.

De middeleeuwse chirurg Jan Yperman (ca. 1300), werkzaam in Ieper, liet twee teksten na. Daarin heeft hij het ook over verloning en schrijft: ‘Ende hy sal helpen den armen na sijnre macht, ende hy en sal hem niet scamen van den riken to nemen gueden loen.’ Opnieuw: niets nieuws onder de zon. Arme mensen behandel je anders dan rijken. In het laatste geval schrijf je gewoon een gepeperde rekening. Daarvoor hoef je je allerminst te schamen.

Tot slot een laatste voorbeeld, uit Karel ende Elegast, het eind-dertiende-eeuwse verhaal over Karel de Grote die uit stelen gaat en daarbij de door hem verbannen ridder Elegast ontmoet. Als Karel de man voorstelt bij de koning (bij Karel zelf dus) uit stelen te gaan, reageert Elegast verontwaardigd en zegt dat de man hem weliswaar slecht behandeld heeft maar toch zijn ‘gherechtich heere’, koning, blijft.

Dade ic hem anders daneere,
Ic mocht mi scamen voor gode.
Men mochs mi gheraden node.

Als ik hem niet vereerde, zou ik me schamen tegenover God. En dat is dan ook de reden dat ik me tot zo’n diefstal niet laat verleiden.

Gezien de populariteit van de vele films en spelletjes met vreselijkheden lijkt het beschavings­laagje flinterdun

Je schamen tegenover God. Dat is eigenlijk mooier en misschien ook wel duidelijker dan de veronderstelde moderne schaamte die ‘een gevoel tegenover jezelf’ zou zijn. Want wie of wat is die zelf dan? Hij (zij, het) moet op z’n minst iets zijn wat tijdelijk verwijderd was van de ‘persoon’ die datgene deed, dacht of ervoer dat schaamte oproept. Waarom anders schaamte? Daarbij is het immers de andere ‘ziel’ in de borst die spreekt – of kwelt. Die andere ziel kun je geweten noemen, moreel besef of wellicht nog anders, maar je kunt er ook het etiket god op plakken, in de zin van het moreel besef, eventueel kennis van het goede die elke mens in zich zou hebben. Eerlijk gezegd zie ik het verschil niet zo. Volgens mij is het meer een kwestie van taal dan van inhoud. Vandaar dat het innerlijk gevoel dat wij schaamte noemen in middeleeuwse teksten meestal geassocieerd wordt met God, geloof of zonde. Deze lijken een uiterlijke – maar zijn net zo goed en misschien wel meer een innerlijke kracht. God spreekt in jou: jouw God, jouw geloof, jouw geweten.

Small rp p ob 44.766
Jan Luyken, ­Onthoofding van Anna Boleyn, 1526, 1699. Ets © Rijksmuseum amsterdam

‘Dat die ere blive rijck/ Ter werlt, al ist voer Gode zoende’, staat in het eerder geciteerde leerdicht van Dirc Potter over de liefde, Der minnen loep [loop]. Bedoeld wordt: je weet dat je je ten opzichte van God moet schamen maar zolang jouw zonde niet bekend wordt, heb je er, behalve tegenover God (en eventueel jezelf), geen last van. Hetzelfde dicht de veertiende-eeuwse ‘sprookspreker’ Willem van Hildegaersberch:

Sonde is schande, dat weet voirwair,
Wanneer si schijnt int openbaer.
Al en vereyschtmensnymmermeer (Maar ook als je er nooit iets van hoort)
Nochtan is schande voerden Heer (Blijft het een schande tegenover God).

Kortom, op basis van bovenstaande voorbeelden (en nogal wat secundaire literatuur) kun je niet anders dan constateren dat het grootste verschil tussen toen en nu, Middeleeuwen en onze tijd, niet ligt aan de onzichtbare binnenkant. En als dat wel zo is, dan kunnen we dat onvoldoende waarnemen. Zoals het woord ook zegt, is en blijft het innerlijk verborgen. Schaamte, althans die van anderen, is een te ingewikkeld fenomeen om duidelijke uitspraken over te doen. En schande? Ligt het verschil tussen toen en nu dan vooral aan de waarneembare buitenkant, bij de publieke moraal én de wijze waarop deze gevormd, gehandhaafd, uitgedragen, afgedwongen en, hoe moeilijk dus ook waarneembaar, eigengemaakt (‘geïnterioriseerd’) wordt. In ieder geval is het eenvoudiger hierover iets steekhoudends te zeggen.

Om te beginnen de moraal. De verandering hiervan is onmiskenbaar. Neem slechts het actuele thema seksuele intimidatie. ‘Vroeger’, dat wil zeggen afgezien van de laatste paar eeuwen, was zelfs het summum hiervan, verkrachting, een vrij normaal en in ieder geval een veel voorkomend verschijnsel. De belangrijkste figuur uit het Griekse pantheon, Zeus, verkrachtte wat af. Antiope, Europa, Hera, Leda – de Griekse oppergod heeft minstens vier verkrachtingen op zijn naam staan, terwijl zijn hemelse vrienden en andere Griekse helden het zelden voor minder deden. Door hun machogedrag verloren Griekse goden en helden hun verheven status niet. Integendeel, de verheven status verschafte hun het recht op verkrachting.

Ius primae noctis, het recht op de eerste nacht, Droit de seigneur, Herrenrecht heet dat in middeleeuwse teksten. Het gaat hier om het recht van een edelman om de meisjes uit zijn gebied te ontmaagden. Weliswaar staat niet vast dat zoiets ook daadwerkelijk (veel) voorgekomen is en is dit recht ook nergens met zoveel woorden opgetekend, dat er regelmatig over geschreven en gesproken werd, geeft aan dat het op z’n minst tot de mogelijkheden behoorde. Een dergelijke verkrachting was, althans voor de dader, geen schande maar een ‘recht’. In sommige Afrikaanse gebieden bestaat of bestond dit recht tot voor kort overigens nog steeds.

Macht en verkrachting lagen in elkaars verlengde. Vandaar ook dat verkrachting onlosmakelijk verbonden was aan oorlog. Verovering van een land, overwinning op een volk impliceerde ‘het recht’ met de bevolking te doen wat men wilde. Dat betekende steeds weer – en ook tegenwoordig nog vaak – verkrachting van vrouwen en meisjes. Het is best denkbaar dat individuele soldaten zich realiseerden dat zij hiermee een morele grens passeerden, maar in de publieke mond, door het algemeen besef werd dit zelden met zoveel woorden gesteld. Zo was het nu eenmaal. Vrouwen waren buit. Daarmee handelde je naar willekeur.

Hetzelfde gold, vanzelfsprekend, voor slavinnen. Sinds ongeveer tweehonderd jaar, met Mauritanië in 1981(!) als hekkensluiter, is slavernij in heel de wereld verboden, maar in ‘de rest’ van de geschiedenis, duizenden en nog eens duizenden jaren lang, was zij normaal. Dat betekende dat mannen vrouwen konden kopen en met hen konden doen wat zij wilden. Vanuit ons perspectief is hiervoor geen ander woord dan verkrachting, met in dit begrip een morele veroordeling en de daarbij passende schande en schaamte. Een gemiddelde slavenbezitter zou van zo’n perspectief niets begrepen hebben. Hij had de vrouw toch gekocht – en betaald?

Geld c.q. bezit maakte de grens tussen recht en verkrachting regelmatig diffuus. In het verleden, het laatste stukje van de westerse geschiedenis wederom uitgezonderd, werden vrouwen uitgehuwelijkt. Van vrije wil was geen sprake. Van liefde of iets vergelijkbaars, in ieder geval aanvankelijk, evenmin. Een huwelijk was een contract en bij dat contract hoorde seks. In veel gevallen zal de grens tussen plichtsbetrachting bij de vrouw en verkrachting door de man uiterst diffuus zijn geweest. Dit verklaart ook waarom mediëvisten steeds weer een dubbele moraal waarnemen. Wat voor mannen gold, gold niet voor vrouwen. Mannen hadden rechten, de anderen plichten. Dit is tot voor kort zo gebleven. Binnen het christelijke of westerse huwelijk was verkrachting niet mogelijk.

Om dezelfde reden kon een daad die in onze ogen juist geen verkrachting was wel dat stempel opgeplakt kregen. Als een man en een vrouw, zoals in het geval van Beatrijs, verliefd werden maar de vader, echtgenoot, kerk of een andere gezaghebbende persoon of instantie daarvan niet wilde weten, werd die liefde als verkrachting gezien. Hetzelfde gold overspel – eveneens veelal een daad uit liefde. Maar in boeken en de volksmond kreeg zo’n daad steeds weer het stempel misdaad of zonde opgeplakt. Om deze redenen was verkrachting, bijvoorbeeld in het Romeinse wetboek, een strafbaar feit. Hierbij ging het niet om de schending van de rechten van een meisje of vrouw, het ging om de schending van de rechten van degene die over het vrouwspersoon het gezag uitoefende, veelal de pater familias. Zonder zijn instemming was seksualiteit niet toegestaan. Wat de betrokkene zelf meende, was ondergeschikt, zo niet onbelangrijk. Vandaar ook dat een vrouw geacht werd haar mond te houden als haar man iets deed dat niet hoorde. Haar boosheid of verdriet was volstrekt ondergeschikt aan de goede naam van de echtgenoot. ‘Een goet wijff is veel eeren waert’, schrijft Potter, ‘Die wislic leeft ende [haar man] schanden spaert.’

Zo anders als de moraal was, zo anders was de omgang ermee. Dankzij de bizarre populariteit van duister toerisme (‘dark tourism’, doodtoerisme), in het bijzonder de alomtegenwoordige verschijning van ‘torture museums’ en de overvloed van films en spelletjes over voorbije, barbaarse tijden, staan de wreedheden van weleer op ieders netvlies. Daarmee zijn we terug bij Game of Thrones, Jane Shore en andere gevallen van publieke strafoplegging, plus de daaraan gerelateerde schande. Schandpalen, schandmaskers, schopstoelen, schandstenen, publiekelijk doden, vernederen, radbraken, vierendelen, kaalscheren, onthoofden, het is allemaal door onze soortgenoten verzonnen en uitgevoerd.

Maar zoals dode dieren in de moderne wereld plaatsmaakten voor onherkenbaar gesneden stukjes vlees in vacuümverpakking, zo is elk opgelegd geweld uit de publieke ruimte verdwenen. In sommige landen, zoals bij ons, komt het ook daadwerkelijk niet meer voor. In andere landen, zoals in de VS, heeft het zich teruggetrokken in afgesloten ruimtes. Maar elders in de wereld, zeker in landen waar de sharia heerst, is het nog altijd zichtbaar. Dit tot onze afschuw, met daarbij zelfs een gevoel van plaatsvervangende schaamte. Maar het is de vraag tot welk aspect van ‘onze beschaving’ deze afschuw te herleiden is – mededogen met de ander, overgevoeligheid, hypocrisie?

Tot voor kort zou ik hierover niet nagedacht hebben en meteen het sociaal gewenste antwoord hebben gegeven. Tegenwoordig betwijfel ik of dat terecht is. Gezien de populariteit van duister toerisme, de vele films en spelletjes met vreselijkheden en recente ontwikkelingen op internet, lijkt het beschavingslaagje flinterdun, minstens zoveel ideologie als werkelijkheid. Evenals de schaamte is de schande universeler dan het lijkt. Het is de verpakking die het verschil maakt.