Bloody bela het bosnische trauma

Ze zou Salih Juzunovic met een mes de buik opengereten en daarna doodgeschoten hebben. Of nee, ze zou hem onder de ogen van zijn kleinzoon gekeeld hebben. Er gaan vele geruchten over de bloeddorstige Servische Bela Jovanovic. Of verwart men haar met een Moslim-misdadigster?
BRATUNAC - Dankzij ‘Dayton’ mogen de wapens in Bosnie-Herzegovina dan voorlopig tot zwijgen zijn gebracht, de psychologische oorlogvoering gaat onverminderd verder. Moslims, Serviers en Kroaten zitten elkaar dwars waar ze maar kunnen. Het tegenover de eigen bevolking en de buitenlandse publieke opinie zwartmaken van de tegenpartij is een beproefd strijdmiddel.

In deze situatie is het amper verwonderlijk dat waarheidsvinding het onderspit delft. De wildgroei aan aanklachten en de geruchtenstroom over lijsten met vele duizenden gezochte personen houden de wederzijdse argwaan in stand en vormen een extra belemmering voor het door het vredesakkoord beoogde vrije verkeer tussen het Moslim-Kroatische en Servische deel van deze voormalige Joegoslavische republiek.
Een willekeurig voorbeeld uit de omgeving van Srebrenica. De Servische Bela Javonovic wordt van moslimzijde beschuldigd van de meest wrede misdaden. Maar wat zijn de verschillende getuigenverklaringen waard? En wat vindt de als dader aangewezen persoon er zelf van?
‘WIJ KENNEN geen onderwijzeres Jovanovic en zeker niet een “Bela” (Witte) heet - zo'n naam geeft men hier aan koeien, niet aan mensen. En zij zou dat allemaal op haar kerfstok hebben? In deze streek weten we slechts van een Servische die welgeteld een Moslim heeft gedood - zij knalde hem neer toen hij haar huis binnenviel. Dat gebeurde toen de Turken (bedoeld worden de Bosnische Moslims - rg) op 14 december 1992 haar woonplaats Bjelovac en andere Servische dorpen en gehuchten hier in de buurt aanvielen, waarbij ze 66 mensen doodden. En de veel indrukwekkender prestaties van die andere vrouw zouden ons geheel ontgaan moeten zijn? Die Moslims toch, ze beweren maar wat.’
In het landerige Bratunac, waar alleen het schaarse doorgaande verkeer naar het negen kilometer verderop gelegen Srebrenica en de duizenden vluchtelingen uit Servisch Sarajevo voor enig leven zorgen, verwijst mijn gastgezin deze massamoordenares naar het rijk der fabelen. Maar op de ochtend van mijn laatste dag in het deel van Bosnie dat de Serviers tot het hunne rekenen, kondigt de familie een 'verrassing’ aan. 'We hebben overal geinformeerd en uiteindelijk jouw Bela gevonden. We hebben haar voor vanavond uitgenodigd.’
Ik vraag ze of het wel verstandig is deze Bela met de beschuldigingen in al hun gruwelijkheid te confronteren. 'Speel maar open kaart. Ze weet inmiddels wel zo'n beetje waarover je met haar wilt spreken’, antwoordt de familie.
Als een forse blonde vrouw van middelbare leeftijd de tuin binnenkomt, is mijn eerste reactie er een van ongeloof. De Moslimbronnen omschreven haar als een donkere, kleine vrouw van om en nabij de dertig. Ook valt het op het eerste gezicht zwaar in deze nerveuze persoon degene te zien die 'lustig een vuil en onmenselijk werk deed’ door 'op 4 april 1992 vijfendertig mannen van de Moslimnationaliteit op wrede wijze te doden’.
Aanklachten tegen haar zijn te vinden in de publikaties van de Staatscommissie voor het Verzamelen van Feiten over Oorlogsmisdaden (Gemeentelijke afdelingen van Tuzla en Zivinice), geschriften die bijvoorbeeld hun weg gevonden hebben naar Tadeusz Mazowiecki, de speciale VN-rapporteur die er na de val van Srebrenica de brui aan gaf.
Al mijn Servische gesprekspartners in Srebrenica en Bratunac verwierpen overigens de gedachte dat de Servische troepen zich in Srebrenica schuldig hebben gemaakt aan wreedheden en verkrachtingen. 'Het was een felle strijd op leven en dood. Bij gevechten zijn velen omgekomen, maar marteling en verminking, opzettelijk doden van ongewapende burgers, krijgsgevangenen en gewonden, daaraan hebben juist Moslims zich schuldig gemaakt.’ Ook de suggestie van verkrachting werd afgewimpeld. Dat zou absoluut niet passen binnen de Servische krijgscultuur, en bovendien, zo zegt men erbij, iedereen weet toch dat de Moslimvrouwen uit de omgeving van Srebrenica al sinds mensenheugenis syfilis hebben?
IN AFWACHTING van de komst van 'Bela’ roep ik de aan haar gewijde passages in mijn herinnering. In een van deze passages komt een zekere H. G. aan het woord, een vrouw die naar verluidt in Kravica gevangen heeft gezeten. Volgens andere verklaringen bestond in dat dorp een 'kerk-gevangenis’ die plaats bood aan naar schatting vierhonderd mannen en vrouwen uit de wijde omgeving. Ik vond het wel wat vreemd dat Serviers hun eigen kerk 'schonden’ door er Moslims in onder te brengen, te meer omdat daar ook zou zijn gemarteld, verkracht en gemoord, maar goed, hier in dit land is het meest onwaarschijnlijke mogelijk.
'Het vermoorden van de dorpelingen uit Glogova is uitgevoerd op de weg in de richting van de gevangenis in Kravica. Toen wij de weg bereikten, werden vrouwen en kinderen naar de ene kant weggevoerd en de mannen naar de andere kant’, zegt H. G. De meeste vrouwen en kinderen kregen toen de gelegenheid naar Moslimgebieden uit te wijken. In die dagen, de tweede week van mei 1992, voltrok zich tevens de exodus van de Servische minderheid uit het stadje Srebrenica en velen van hen trokken in de achtergelaten Moslimhuizen van Bratunac.
'Toen wij richting Kravica gingen’, vervolgt H. G., 'selecteerde onderwijzeres “Bela” Jovanovic de mannen, die ze op tien tot twintig meter afstand voor ons doodde met pistoolschoten. Enkelen van hen doodde ze ook met een mes, zoals Saban Gerovic, terwijl ze Nurija Rizvanovic met een geweerkolf tegen het hoofd sloeg zodat zijn beide ogen eruit vielen. Vervolgens schoot ze hem dood. Ze heeft Salih Juzunovic met een mes de buik opengereten zodat de darmen eruit sprongen. Daarna vuurde ze op hem en zo doodde ze hem.’
Nadat de 62-jarige Salih Juzunovic was neergezegen, zo wil een alternatieve versie, pakte Bela hem bij de haren en keelde hem. Iedereen kon dit schouwspel zien, inclusief Juzunovic’ negenjarige kleinzoon - tot voor kort Bela’s eigen leerling - voor wie hij zowel vader als moeder was omdat de jongen geen ouders had. 'Als dat u wordt verteld door een kind van negen, dan moeten we hem geloven, want kinderen kunnen niet liegen, althans niet als het om dergelijke dingen gaat’, aldus het commentaar van de redactie.
H. G. zegt voorts: 'Toen zij deze wandaden pleegde, werd ze terzijde gestaan door enkele Cetnici (benaming voor nationalistische Serviers - rg), maar toen een van hen aan “Bela” vroeg: “Heb je wel een hart als je dat kunt doen”, antwoordde ze hem: “Ik heb geen hart”, om vervolgens voort te gaan met het ombrengen van onschuldige mensen.’ De getuige somt vervolgens de namen op van alle dertig mannen uit Glogova, en verklaart: 'Het is mij bekend en ik heb zelf gezien dat ze door onderwijzeres “Bela” zijn gedood.’
EEN ANDERE, NIET nader aangeduide, vrouwelijke getuige geeft een andere lezing van het gebeuren: 'Bij de moskee in het centrum van Glogova bevonden zich al heel wat inwoners van die plaats. Ook wij kwamen daar aan. Toen wij ons bij de overige bewoners aansloten, begonnen ze de mannen van de vrouwen en kinderen te scheiden. Het vermoorden van de mannen begon toen. Saban Gerovic, een man van ongeveer zeventig jaar, kwam het eerst aan de beurt. Het was een vrouwspersoon die hem doodde. Ze was zwart, klein en droeg burgerkleding. Nadat ze hem tegen de grond had gewerkt, doorstak ze hem. Behalve hij zijn ook Nevzet Omerovic, geboren 1974, en Nezir Omerovic gekeeld. Camil Rizvanovic is daarentegen door schoten uit een pistool vermoord. Hij is door datzelfde vrouwspersoon gedood. Camil was invalide en zat in een rolstoel. Nezvet moest hen tot aan het moment dat hij vermoord werd gehoorzamen, daarna grepen ze hem bij zijn hoofd en sneden zijn hals open. Dat alles vond voor onze ogen plaats, en het duurde tot ongeveer drie uur ’s middags. De mannen moesten op het asfalt gaan zitten, werden mishandeld, achter de moskee geleid en vermoord. Ik denk dat er toen meer dan zeventig mannen zijn vermoord, van wie ik slechts enkele namen ken…’
DE GETUIGENIS van weer een andere Mosliminwoonster van Bratunac, de in 1977 geboren B. G., maakt het beeld er niet duidelijker op. 'Op 9 mei 1992 vielen onze buren - ze waren goed bewapend en hadden het gezicht bedekt - aan en voerden de bewoners van ons gehucht weg. Aangekomen bij de weg die naar de moskee voert, werden wij gescheiden en begonnen ze te slaan. Daar zag ik tussen de Cetnici twee vrouwspersonen. Het waren twee Servische onderwijzeressen. De ene noemden ze “Bela”, terwijl ik de naam en bijnaam van de andere niet ken. De eerste onderwijzeres, respectievelijk “Bela”, stak Nezvet in de hals waardoor hij overleed. Bij die gelegenheid schoot een van deze onderwijzeressen ook Nezvets vader dood met een pistool. Voordat de vrouwen Saban Gerovic doodden, vroegen ze hem waar ze het mes in zijn lichaam moesten steken. Camil Rizvanovic hebben ze op overeenkomstige wijze vermoord. Hem hebben ze gevraagd van welke kant hij wenste te worden gedood, maar toen hij niet antwoordde heeft een van hen, zoals ik zag, hem met haar pistool de schedel ingeslagen.’ Na dit bloedbad werden B. G. en haar nichtje H. door drie Cetnici verkracht.
Een andere vrouwelijke getuige verklaarde: 'Op de kruising in Glogova troffen wij een stoet Moslimmannen aan. Ze waren krijgsgevangen gemaakt. Het waren er bij benadering twintig. Ze stonden aan de ene kant en de Cetnici aan de andere. Zij waren met zo'n veertig. Het waren Witte Adelaars (“Beli Orlovi” - een paramilitaire eenheid - rg). Bij hen waren twee meisjes in gecamoufleerde uniformen. Een van hen, een lerares uit Kravica, heette “Bela”. Daar maakten ze mijn vaders handen los en hielden hem bij zich. Wij werden naar het centrum van Glogova gevoerd. Vrouwen, kinderen en mannen - het hele dorp verzamelde zich. Hun werd opgedragen op het asfalt te gaan zitten, documenten te voorschijn te halen en die te verscheuren. Ook moesten ze met geld en goud over de brug komen. Toen werden ze bij de haren gepakt en bij het huis van Dzemal Delic de rivier in gesleurd, waaruit ze niet zijn teruggekeerd. Rifet Golic, Edin Omerovic, zoon Hajre (ongeveer 23 jaar), Nezir Omerovic (ongeveer 45 jaar) en de invalide Camil Rizvanovic trokken ze met zich mee. “Bela” heeft de laatste met pistoolschoten gedood, evenals mijn verwant. Wij zagen het met onze eigen ogen. Mijn vader is vijftien dagen later in het bos gedood.’
'Uit later onderzoek is gebleken’, zo luidt de toevoeging van de redactie, 'dat het gaat om de persoon genaamd Bela Jovanovic, onderwijzeres uit het dorp Glogova sic), gemeente Bratunac.’ Hoe en wanneer dat precies gebleken is, blijft helaas onbeantwoord.
Bij vergelijking van de getuigenissen springt een aantal zaken in het oog. Op de eerste plaats is het opvallend hoe weinig succesvol 'Bela’ en haar trawanten zijn geweest in het verbergen van hun identiteit. Verder is het opmerkelijk dat volgens de ene getuige het hoofd van Nurija Rizvanovic het moest ontgelden, terwijl de ander Camil Rizvanovic als slachtoffer van dit misdrijf noemt. En dan is er de lezing die helemaal niet gewaagt van het inslaan van schedels; van Camil Rizvanovic zegt deze alleen dat hij door 'Bela’ is doodgeschoten. Eveneens ontbreekt de gruwelijke moord op Salih Juzunovic in meerdere getuigenverklaringen.
Het meest eigenaardige element is evenwel het plots opduiken van een vrouwelijke collega bij moorden die eerst voor rekening van 'Bela’ alleen kwamen. Daarnee rijst ook de vraag wie Saban Gerovic nu heeft gedood. Was het onze 'Bela’ van in de vijftig, met haar grote gestalte en lichte haar, of juist haar mysterieuze dertigjarige, kleine, donkere medemoordenares/onderwijzeres? Waren beide dames nu in burger of droegen ze uniformen?
Tussen de ruim vijfhonderd namen van beweerde Servische oorlogsmisdadigers uit de hele regio (Tuzla-Podrinje) zocht ik in ieder geval tevergeefs naar de metgezellin van 'Bela’. Het half dozijn vrouwen dat op deze lijst figureert, was elders actief. Overigens kan geen hunner zich wat de opgetekende wreedheden ook maar enigszins meten met 'Bela’ en haar collega.
Op 9 en 10 mei zouden bij de moskee in Glogova, en wel in de wei van Mustaf Rizvanovic, 64 gearresteerde personen, onder wie een vrouw, zijn doodgeschoten - volgens de Moslims de eerste grote slachting in deze contreien sinds de Tweede Wereldoorlog. De namen van Bela’s veronderstelde slachtoffers komen echter vrijwel allemaal voor op de lijst van deze 64. Twee overlevenden en tien overige getuigen van deze massamoord noemen 59 Servische schuldigen bij naam, uitsluitend mannen. Geen woord over Bela’s aandeel.
TERWIJL deze ongerijmdheden door mijn hoofd suisden, ontspon zich aarzelend het gesprek met mijn onverwachte gast. Ik vroeg haar om te beginnen iets over zichzelf te vertellen. Bela: 'Mijn eigenlijke voornaam is Jelika, maar iedereen noemt mij Bela. Mijn meisjesnaam luidt Nikolic. Ik ben getrouwd met Ljubisav Jovanovic. We hebben twee kinderen, een jongen en een meisje. Beiden studeren momenteel in Servie. Ik ben 55 jaar oud. Ik ben opgeleid aan de pedagogische academie in Tuzla en later heb ik me in Belgrado verder bekwaamd tot remedial teacher. Al vele jaren sta ik voor de klas op de basisschool van Bratunac en op die in mijn dorp Kravica.’
Waar verbleef u toen de oorlog begon?
'Mijn zoon zat in Tuzla op school. Hij was toevallig thuis in het dorp toen we op 4 april 1992 hoorden van gevechten in Zvornik en Bijeljina. Ook uit Brod, Kupres en andere Bosnische plaatsen kwamen verontrustende berichten binnen over gedode Serviers. Mijn zoon is sindsdien nooit meer naar Tuzla teruggekeerd.
Al de eerste dag van de oorlog heb ik met mijn dochter een veilig heenkomen gezocht aan gene zijde van de Drina. We bewoonden een vakantiehuisje in Ljubovija, enkele kilometers hiervandaan in Servie. In die tijd bezocht ik regelmatig mijn achtergebleven man en mijn gemobiliseerde zoon. Ik bracht ze warme maaltijden aan het front. Pas eind juni van het volgende jaar ben ik teruggekeerd. Sindsdien werken we met onze beperkte middelen aan het herstel van ons huis, dat bij de grootscheepse Moslimaanval op Kravica van 7 januari 1993 - de dag het orthodoxe kerstfeest - is verwoest.’
Hoe lang bent u al op de hoogte van de Moslimbeschuldigingen aan uw adres?
'Sinds voorjaar 1993, toen Serviers voor het eerst kans zagen Tuzla te verlaten. Van hen hoorde ik dat radio Tuzla had gemeld dat ik mijn eigen schoolkinderen zou hebben gedood. Een plaatselijke krant schreef ook over mij. Via-via heb ik een knipsel gekregen uit een in Duitsland in onze taal verschijnend blad, waarin staat dat ik in Kravica een kamp zou hebben geleid voor mannen uit Glogova. In mijn dorp was geen enkel kamp! Vermoedelijk zijn Moslims die in het voorjaar en de zomer van 1992 via Crni Vrh naar Tuzla zijn uitgeweken, de bron van die verzinsels. Maar dat ik Moslimmannen zou hebben gedood, en dan nog wel 35 op een dag, dat hoor ik nu voor het eerst. Ik heb nog nooit een wapen gedragen!
Ik heb nooit eerder problemen met Moslims gehad, en zeker niet met die uit Glogova - ik ken die plaats amper, want ik kwam zelden in echte Moslimdorpen. In mijn klassen had ik altijd ongeveer evenveel Moslims als Serviers. Aan het begin van het nieuwe schooljaar in september 1991 werden de spanningen echter goed voelbaar. Op een avond ging mijn zoon, zoals wel vaker, naar de promenade in Bratunac. Toen ik vernam dat daar Moslims bij de legerpost een demonstratie hielden met als leuze “Leve het onafhankelijke Bosnie”, waarbij ook geweervuur was gehoord, sloeg mij de angst om het hart. Doodsbenauwd heb ik later die avond mijn zoon bij de bushalte opgewacht. Een Moslimleerling, Asmin Muminovic, begon toen rond te bazuinen dat ik daar met geweer en mes had gestaan, terwijl ik ongewapend was! Daarna hoorde je steeds weer: mijd die onderwijzeres! Volgens mij was dit een onderdeel van de campagne van de regionale afdeling van de SDA (de Moslimpartij van Alija Izetbegovic - rg).
In september 1991 was het nieuwe schooljaar net een week aan de gang toen de meeste ouders uit de omliggende Moslimdorpen besloten hun kinderen van de basisschool in Kravica te halen en ze naar de school in het negen kilometer verderop gelegen Konjevic Polje te sturen. Desondanks bleven een paar Servische kinderen in Konjevic Polje naar school gaan en tot 4 april 1992 behield de school in Kravica drie Moslimleerlingen.’
Heeft u echt geen enkel idee wat de reden van de beschuldigingen kan zijn?
'Het kan te maken hebben met schoolpolitiek. Om de definitieve scheiding in het schoolwezen erdoor te krijgen kunnen Moslimpolitici griezelverhalen over mij verspreid hebben om zo hun volgelingen angst in te boezemen. Eveneens is het niet uitgesloten dat ze mij uitkozen vanwege de broer van mijn vader, Stane Nikolic. Hij was voor de oorlog een belangrijk figuur in de onderwijswereld in Tuzla. Moslims beschouwen hem als een ongewenst persoon. Gelukkig heeft hij Tuzla tijdig kunnen verlaten. En er zijn ook andere Nikolici op wie ze het gemunt hebben.’
De Moslimlijsten met vermoedelijke oorlogsmisdadigers noemen inderdaad meerdere leden van die familie. Ook laten ze Bela’s echtgenoot niet onvermeld: 'Ljubisav Jovanovic heeft als soldaat in dienst van de agressor deelgenomen aan het in brand steken van het dorp Hranca, en heeft de Moslimbevolking van dat dorp geslagen, mishandeld en gemarteld en naar de Vuk Karadzic-basisschool in Bratunac afgevoerd. Hij is verantwoordelijk voor de moord op Sacir en Osman Ramic.’ Een aanklacht die vermoedelijk eveneens betrekking heeft op gebeurtenissen uit de eerste helft van mei 1992.
'Ik heb genoeg van al die aantijgingen’, vervolgt Bela strijdvaardig. 'Liefst zou ik me zo snel mogelijk van die schande en vuiligheid bevrijden.’ Als ik opper dat ze een aanklacht wegens smaad kan indienen, zegt ze: 'Als ik al zou weten bij welke instelling je daarvoor terecht kunt, beschikte ik niet over het benodigde geld en evenmin over de energie.’
Nadat ze schuchter heeft gevraagd of het zo wel genoeg is en of ze kan gaan, zegt ze: 'Welke indruk laat ik bij u achter?’ Maar zonder het antwoord af te wachten, laat ze erop volgen: 'U ziet maar wat u ervan maakt. Ik hoop dat u alleen maar de waarheid zult schrijven. Stuur me alstublieft niet naar Den Haag, want dat is wel het laatste waarop ik zit te wachten.’
Later zegt het nichtje van de gastfamilie tegen me: 'Heb je niet gezien dat Bela op en top vrouw is? Volgens mij zijn vrouwen die mannelijke trekken ontberen, zelfs niet eens in staat te doden.’
EENMAAL TERUG in de Servische hoofdstad hoor ik van een opvallende parallel in de persoon van Esma Kiveric. Deze voormalige onderwijzeres uit Srebrenica (geboren 1951) wordt van Servische zijde beschuldigd van actieve betrokkenheid bij aanvallen, plunderingen en het in brand steken van Servische dorpen en gehuchten. Hoewel zij zich, naar men zegt, van meet af aan met dergelijke zaken heeft ingelaten, is zij vooral berucht vanwege de aanvallen van 14 december 1992 en 7 januari 1993 op Servische dorpen in de gemeente Bratunac. Op eerstgenoemde datum zou zij een aandeel hebben gehad in de dood van tientallen bewoners en verdedigers van Loznica, Sikiric en Bjelovac. Op 7 januari 1993 had zij mede de hand in de dood van een paar dozijn Serviers bij de aanval op Kravica en talrijke kleinere nederzettingen. Gvozdenija Matic uit Sikiric, een vrouw van middelbare leeftijd, verklaarde tegenover een Servische onderzoekscommissie op 14 december 1992 Esma Kiveric herkend te hebben. Zij zegt haar bij die gelegenheid duidelijk te hebben verstaan toen zij andere Moslims opdroeg: 'Ga van deur tot deur, wacht ze bij de deur op en doodt ze. Nadat je ze gedood hebt, plunder je ze.’ Voor dezelfde commissie getuigde Stoja Petrovic (1948) uit Loznicka Rijeka die dag te hebben gezien hoe Esma Kiveric op de bevolking schoot. Overigens zegt zij toen ter plaatse nog twee andere schietgrage Moslimdames te hebben gezien.
Mijn Servische gesprekspartners concluderen hieruit dat Bela het slachtoffer is geworden van een doorzichtige poging tot het aanbrengen van symmetrie in de beschuldigingen over en weer. Zolang dergelijke beschuldigingen niet door een onpartijdige instantie worden getoetst, kunnen beide groepen ongehinderd voortgaan ze naar believen te uiten en daarmee het nationalistische vuur aan te wakkeren.