Saskia de Coster, Eeuwige roem

Bloot zijn en beginnen

Saskia de Coster

Eeuwige roem

Prometheus, 232 blz., € 15,95

Ook een schrijver heeft het recht af en toe opnieuw geboren te worden en niet iedere keer met het verleden om de oren te worden geslagen. Toch is het in het geval van de Vlaamse schrijfster Saskia de Coster, die onlangs haar derde roman publiceerde, Eeuwige roem getiteld, bijna onvermijdelijk haar eerdere werk erbij te pakken. Haar romans winnen aan betekenis als je ze in relatie tot elkaar beschouwt. Dan zie je ook, al klinkt dat wat maternalistisch, dat de schrijfster groeit.
Bij haar debuut, Vrije val (2002), ben ik met haar een korte mailcorrespondentie aangegaan, zozeer wist ik niet wat ik van dit boek moest denken en was ik nieuwsgierig naar haar beweegredenen. Het verhaal over twee mythische figuren die zich bij wijze van strafexpeditie samen op een schip bevinden dat om de aarde vaart, was zo weird dat het niet de bedoeling leek om het terug te brengen tot iets met een kop en een staart. «Tsja», antwoordde de schrijfster, «het is pure soap.» Ik concludeerde destijds dat het gemak en de vanzelfsprekendheid waarmee De Coster een absurde wereld neerzet haar kracht waren.
Iets minder positief was ik over haar tweede roman, Jeuk (2004). Te buitenissig, dit sprookje waarin een koninkrijk van een rattenplaag moet worden verlost en twee broers om de hand strijden van een prinses. Vooral te weinig dwingend, zowel in opbouw als in stijl, en daardoor uiteindelijk vrijblijvend. Destijds schreef ik dat misschien nog wel meer dan bij een realistischer getoonzet verhaal buitenissigheid vraagt om een interne noodzaak. De schrijver moet de geloofwaardigheid van iets ongekends afdwingen: zo is het en niet anders, en alleen met deze zinnen krijg ik het voor elkaar.
Eeuwige roem is een normaler boek, zou je kunnen zeggen, in die zin dat er menselijke personages in voorkomen, vrouwelijke nog wel. En de stijl is ook iets meer ingedamd, iets minder geneigd tot ontsporen. Het opvallendst is het vertelperspectief: een archaïsche alwetende verteller die zichzelf aanduidt met de pluralis majestatis. Dit perspectief heeft een groot ironisch effect op het vertelprocédé. De verteller weet bijvoorbeeld expliciet meer dan de aan zijn touwtjes bungelende personages: «Ze denkt dat ze tienduizend dollar bij zich heeft, maar wij hebben gezien dat Michael het stapeltje bankbiljetten net voor haar vertrek uit haar koffertje heeft gehaald.» Of over een klein jongetje met een kaalgeschoren kop: «Wij weten dat dit jongetje geen kankerpatiëntje is, maar de coolste van de kleuterklas.»
De Coster zet dit perspectief ook in om het kunstmatige van het schrijfproces te benadrukken. Als haar beide vrouwelijke protagonisten, Babs en Julie, zich dreigen te verliezen in een omhelzing, komt de verteller weer om het hoekje kijken: «En wij steken geen poot uit. Want wij weten: dit is een zaak voor twee. Als wij hen echt zouden willen leren kennen, zouden we moeten participeren, maar we willen ons niet opdringen, we willen het risico niet lopen dat ze zich anders gaan gedragen als we hen zo nadrukkelijk door de microscoop van onze blik bekijken, zo dicht op hun huid.» Op het moment dat bij wijze van spreken een blik vioolmuziek opengetrokken zou kunnen worden, last de schrijfster een vervreemdingseffect in en laat de omhelzing daarmee héél.
Maar ondertussen zitten wij, lezers, toch, ondanks dat mooie vertelperspectief, met een probleem. Eeuwige roem is een lastig boek. Geen idee bijvoorbeeld waar het over gaat. Ja, er is een Babs, met wie we reeds in pre-embryonaal stadium kennismaken. En er is een Julie, die net als haar moeder een hang heeft naar gewelddadige mannen. Er is een hond, Evelien, die iedere keer weer op komt duiken. Bedrieglijk luchtig en monter worden hun wederwaardigheden uit de doeken gedaan, maar ik zou bij God niet kunnen recapituleren waartoe en waarom. Geen idee ook wat die plaatjes tussendoor doen. Schimmige, grijzige foto’s van een neushoorn, een legertje hazewindhonden, het oog in een pauwenveer (?), een circuspaard, een jongetje bij de kapper. Zou De Coster ook over deze roman zeggen: tsja, het is pure soap? Ik denk het niet. De ondertoon in dit boek is in vergelijking met haar vorige werk ernstiger. Hartstochtelijker. De wereld moest gevangen worden, en dit boek is het resultaat. Dat wij tasten in het duister, daar gaat het juist om. Iets dergelijks zegt de verteller althans op de laatste bladzijde. «Wij zullen u alles vertellen. Dan zullen wij kunnen zeggen, statisch gezien: dit is een deel van de maatschappij dat wij in kaart hebben gebracht. Maar nu, helaas, toonden wij u enkel, en dan nog bij monde van gebrekkige getuigen, een paar foto’s en een Boek vol Wijsheid.»
Nu ik deze regels heb overgetypt, begint het me te dagen. De gebrekkige getuigen, de willekeurige foto’s, dit dwarse boek… Wie zei dat literatuur niet lastig mocht zijn? Iets boven de laatste regels staat: «Wij moeten bloot zijn en beginnen. Wij zullen er altijd zijn, wij zullen verder verslag blijven uitbrengen, wij zullen dromen binnenmarcheren.»
Goed, Saskia de Coster, marcheer maar binnen dan. Je hebt me nog niet helemaal overtuigd, maar ik kijk uit naar meer.