Chrashtest Ibsen II: Volksvijand

Bloter dan bloot

Midden in de voorstelling (regie: Sarah Moeremans, productie: Noord Nederlands Toneel) gaat de rookmachine naar standje waanzin. De spelers komen één voor één poedelnaakt op in een dichte mist. Behalve de burgemeester, die een lafbek is. Hij houdt zijn broek aan.

Medium toneel

En zet meteen hoog in. Hij heeft immers een product te verkopen. Een weldadige onderdompeling in de geneeskrachtige bronnen van zijn stadje. In koel helder water. From Nature! In hoofdletters.

Helaas komt er ergens uit een verlaten ertsmijn hoog in de bergen viezigheid deze bronnen binnenstromen. Ze zijn dus vergiftigd. Heeft een klokkenluider uitgezocht. Hij schrijft er een long-read over. En flikkert de zaak op de sociale media, zoals dat tegenwoordig heet. De tot fabuleuze proporties opgerekte Ster-spot dient om die vervuiling te doen vergeten. Maar het pleidooi voor fris water from nature houdt geen stand. De van-recht-naar-krom-praatjes van de burgervader leggen het ruimschoots af tegen de potsierlijk-pathetisch opgediste feiten van de klokkenluider, zijn broer, de huisarts.

Ziehier een beknopte samenvatting van Henrik Ibsens toneelstuk Een vijand van het volk dat tegenwoordig zó populair is dat we het binnen enkele maanden voor de tweede keer (na de Vlamingen van stan) krijgen uitgeserveerd. Het is een drama dat actueel heet te zijn. Terwijl het hier, zoals te lezen valt op de opzichtige Noorse trui van de journalist onder de Ibsen-figuren, toch echt gaat om een tekst die reeds in 1882 werd geschreven. Kort voor de grote catastrofes van de twintigste eeuw. Waar Henrik Ibsen geen weet van kon hebben. De makers van de voorstelling smeren ons dit laatste feit uitbundig in het gezicht. Hebben we nu echt niks beters te doen dan ons bezig te houden met een milieuschandaal dat honderd-twee-en-dertig jaar geleden plaatsgreep in een saai fjordendorp?

Deze toneelmakersvraag, die ook een publieksvraag kan zijn, hangt als een tweesnijdend zwaard boven het lilliputtersbergdorp, de Legohuisjes en de in Madurodam-formaten versneden bergbeek. De toneelspelers, fors bebaarde Gullivers in het landschap van de kleine mensen, spelen Ibsens geschiedenis met een voortdurende moet-je-nou-toch-eens-horen boventoon. De tekstbewerking (Joachim Robbrecht) bevat in het eerste half uur nog een hoog percentage studentencabaret, daarna worden de ondertitels en commentaren spitser en beter. En de bevraging door de toneelspelers van de door henzelf aangedragen plot wint aan kracht. Het is alsof ze elkaar en zichzelf (en ons?) betrappen op dramaturgische platitudes, die misschien ook wel horen bij het achteloos uit de kast trekken van toneelrepertoire. Zelfs als daarbij de kinderlijke argeloosheid overheerst, die het bij kunstenaars, zeker bij deze, immers vaak wint van ideologische reflectie of semi-filosofische bevlogenheid.

Zeer geestig wordt de voorstelling als de toneelspelers genoeg krijgen van hun eigen spitsvondigheden. Bijvoorbeeld in de confrontatie van de burgemeester (Joep van der Geest, die erg mooi vilein is en bekwaam zijn rol van slimste in de klas der allerslimsten uitserveert) en de hoofdredacteur (Louis van der Waal, een steeds de feiten én de meningen door elkaar klutsende stripfiguur, die permanent lijkt te spreken met een pittige dosis amfetamines achter zijn kiezen).

Nadat de zwaarste twijfels wel zo ongeveer zijn geventileerd, wordt het volledige decor in elkaar (of liever: uit elkaar) geramd. En in die naaktheid, die bloter is dan de blootste toneelspelers uit de Ster-spot voor fris water from nature, komt de journalist annex klokkenluidersdochter (Rosa van Leeuwen) nog een paar behartenswaardige mededelingen doen over toneelengagement en vooruit én achteruit denken in de tijd. Een uiteenzetting waarmee we voorlopig een weekje voort kunnen. Minimaal. Sterke voorstelling!


Crashtest Ibsen II: Volksvijand is deze week nog te zien in de Haarlemse Toneelschuur (15 mei) en in het Haagse Theater aan het Spui (17 mei).

Beeld: Chrastest Ibsen II: Volksvijand (Reyer Boxem).