Het Migrantenmuseum

Blouse

Hij was gek op twee etalages in de stad. De eerste was die van een kapper. De kapper had in de etalage de foto van een blondine gezet met mooi geknipt haar. Eerlijk is eerlijk, de jonge migrant waardeerde het mooie haar van het meisje wel, maar zijn ogen vielen elke keer heel snel op de borsten van het meisje. Borsten die tegen haar witte trui drukten, mooie, grote borsten. Borsten die de jonge migrant wel tot zijn beschikking zou willen hebben om erop te slapen.
Een goede kilometer verderop was een andere etalage. Een kledingwinkel met het pak dat hij wilde hebben. Een donkerblauw pak met heel dunne, witte strepen. Bij een pak hoorde ook een stropdas, nette schoenen, een mooie blouse en betere sokken dan hij toen had. Daarom was hij al begonnen met sparen. Nog dertig gulden en hij had dat pak. In het Migrantenmuseum staat niet het pak, ook niet de foto van de rondborstige blondine.
Wat kon de jonge migrant mooi lopen toen. Hij was lang, sterk, had een nek als van een mannenzwaan, kamde zijn haar zoals James Dean, stonk niet naar sigaretten als Dean en keek zo ontroerend dat er geen vrouw bestond die hem niet in haar armen zou willen sluiten.
De jonge migrant keek neer op zijn landgenoten. Met die boerenkinkels wilde hij niets te maken hebben. Hij meed ze, woonde bij een Nederlandse hospita en leerde al snel de taal: ‘Ik arbeider. Maar misschien ik in toekomst iets anders doen.’
De Nederlandse industrie was in die jaren als een schorpioen die zijn poten uitstak naar de rest van de wereld. Er kon niet genoeg gewerkt worden om te beantwoorden aan de vraag naar van alles en nog wat dat in Nederland gemaakt werd. Steeds meer handen waren nodig om tegemoet te komen aan de ijver van de machines in de fabrieken. Donkere handen kwamen te hulp. Ook die van de mooie migrant.
Hij kookte een keer sperziebonen met rundvlees voor zijn hospita. Ze vond het lekker. Hij was blij met haar en haar land, zij was blij met de huurder die altijd op tijd betaalde. De sfeer was zo leuk dat ze toen ze licht aangeschoten was na vier glazen wijn hem toevertrouwde dat haar ex-man het nooit echt met haar had gedaan. Na een huwelijk van twintig jaar had hij opgebiecht dat hij van mannen hield. ‘Wel een beetje laat, maar jah…’
De migrant probeerde het te begrijpen, kon het allemaal niet bevatten en dacht dat zijn kennis van die verdomde Neder–landse taal hem weer eens in de steek liet. Hij vertelde haar over zijn leven in zijn geboortestad en nog veel meer. Ze werden dronken. De hospita durfde over haar verlangens te praten. ‘Ik weet dat ik te oud ben voor jou, maar ik wil jou. Ik ben mijn leven lang verwaarloosd. Ik wil jou. Jij bent toch een Turk, bedien mij verdomme!’ De jonge migrant had niet zo veel gedronken dat hij het huis niet uit kon rennen.
De hospita wist dat de jongen nog geen werkvergunning had. Nog twee maanden werken en hij had hem. De in haar eer aangetaste vrouw belde de politie en gaf de mooie migrant aan.
Toen de agenten hem pakten, vocht hij terug. Maar tegen zeven man maakte hij geen kans. Hij wilde schreeuwen dat Nederland een van zijn beste zonen ging wegsturen. Zijn Nederlands liet hem in de steek. Bij die schermutseling scheurde de gele blouse van de jonge migrant.
Die gescheurde gele blouse staat in het Migrantenmuseum symbool voor alle mannen die zijn opgepakt en teruggestuurd.
Natuurlijk kreeg de hospita spijt van haar daad. Ook het pak uit de etalage had spijt dat het niet het lichaam van de jonge migrant bedekte maar dat van een sukkel die het slechts één keer zou aantrekken om vervolgens dik te worden en er nooit meer in te passen. Marilyn Monroe in de etalage van de kapper vond het ook erg spijtig dat ze de jonge migrant nooit heeft ontmoet. Ze vond het zo spijtig dat ze in de etalage van de kapper op een winderige dag nog een keer zelfmoord pleegde.