Een jeugdig brein is makkelijk te vergiftigen

Blozende beulen

Jongeren vormen een ideaal instrument om een grote schoonmaak in de samenleving te houden. Maar waar ligt de grens tussen opvoeding en hersenspoeling? ‘Mijn tijd in de Hitlerjugend was fantastisch.’

NA DE VAL van het Derde Rijk vonden de Amerikanen in de kelder van Hitlers Berghof op de Obersalzberg in Beieren kasten vol amateurfilmpjes. De meeste opnamen waren gemaakt door Eva Braun. Dankzij moderne spraakherkenningssoftware en de vaardigheid van Frank Hübner, professioneel liplezer te Berlijn, weten we nu wat Hitler in sommige van die stomme films zei. De beelden met bijpassende geluidsband waren voor het eerst te zien in de tv-documentaire Hitler’s Private World die in 2010 in Groot-Brittannië is vertoond.
In een van de ‘ontsleutelde’ opnamen zien we hoe Hitler gehurkt op het bordes van een zonovergoten Berghof een blond jongetje in lederhose toespreekt. Zo te zien is het Rudolf, de tweede zoon van zijn secretaris en vertrouweling Martin Bormann. 'Du bist ein tapferer Junge,’ zwijmelt de Führer: 'Du wirst eines Tages ein guter Soldat.’ Het jongetje kijkt hem ongelovig aan en wendt dan zijn blik aarzelend naar de camera, alsof het zich afvraagt of die oom met die spuuglok wel helemaal spoort.
Inderdaad heeft Adolf Hitler nimmer warme genegenheid voor kinderen getoond. Hij legde die typisch abstracte, programmatische kinderliefde aan de dag die we sinds de vorige eeuw associëren met nazisme, communisme en andere totalitaire stromingen. Oudere Russen herinneren zich de foto uit 1936 waarop Jozef Stalin de zevenjarige Engelsina Markizova-Cheshkova, die hem zojuist bloemen heeft gegeven, op de arm neemt en omhelst. De foto werd eindeloos gereproduceerd, in parades meegedragen, in boeken en partijbrochures afgedrukt en door beeldhouwer Georgi Lavrov in steen vereeuwigd. Engelsina’s vader werd twee jaar later in opdracht van Stalin geëxecuteerd. Haar beeltenis bleef echter tot ver na de oorlog deel uitmaken van de propaganda. Alleen werd haar naam in de bijschriften veranderd in Mamlakat Nakhangova, zogenaamd een ijverig katoenplukstertje uit het zuiden van de Sovjet-Unie.
Ook Hitler beschouwde zichzelf als 'vader van alle Duitse kinderen’, maar liet nimmer een kind toe in zijn gevoelsleven, zelfs niet het blonde edelkroost van Bormann of van zijn propagandaminister Joseph Goebbels. Hij gaf meer om zijn herdershond Blondie. Die kon hij quasi-afwezig strelen, knuffelen, kietelen. Met een kind op schoot verkrampte hij. De Führer was eenvoudig niet in staat tot intimiteit buiten de Männerfreundschaft met zijn lijfwachten, de beruchte 'chauffeureska’ van gelaarsde psychopaten en straatvechters in wier gezelschap hij zichtbaar ontspande. Het kan bijna niet anders of die gevoelsblokkade hing samen met zijn verwrongen wereldbeeld. Maar wat was precies de samenhang? Helaas, zo 'sprekend’ zijn de gereconstrueerde geluidsfragmenten van de Berghof ook weer niet. Je kunt ernaar kijken en luisteren zolang je wilt - het blijven gestolde raadsels, archeologische objecten die hun verhaal niet prijsgeven.
Na de oorlog is er veel geschreven over Hitlers vermeende homoseksualiteit, impotentie of halfjoodse afkomst. Door die laatste zou hij niet in staat zijn geweest een hoogblond nageslacht op de wereld te zetten. Maar dat zijn speculaties. Wat we zeker weten is dat Hitler geen kinderen bij Eva Braun wilde verwekken. Hij wilde in het geheel geen gezinsleven, schrijft Brauns biografe Heike Görtemaker (Eva Braun: Leben mit Hitler, 2010). Hitler meende dat het de Führer-mythe zou verstoren; door zijn ongetrouwde status zou hij voor het mannelijke deel van de natie des te onaantastbaarder en voor het vrouwelijke deel des te begeerlijker lijken.
Maar met andermans kinderen hield Hitler zich bezig op een schaal zoals de wereld niet eerder had gezien. 'De Duitse jongen moet rank en slank zijn, dapper als de windhonden, taai als leer en hard als Kruppstaal’, sprak hij op de nationaal-socialistische partijdag van 1935. 'We moeten een nieuwe mens voortbrengen opdat ons volk niet aan de degeneratieverschijnselen van deze tijd ten onder gaat.’ Hitler beschouwde jongeren als levende propagandamiddelen. En als soldaten, zoals ten overvloede blijkt op het eind van de documentaire. Dan 'horen’ we wat Hitler zei toen hij ter gelegenheid van zijn 56ste verjaardag op 20 april 1945 voor het laatst zijn ondergrondse bunker in Berlijn verliet om een peloton Hitlerjungen te inspecteren. 'Goed gedaan, goed zo’, mompelt de zwaar gedrogeerde veldheer terwijl hij de jongens zwakjes toelacht en op de wangen tikt. 'Dappere knul.’ Tien dagen later pleegde hij zelfmoord. De slag om Berlijn ging daarna nog een week door. Bij de zinloze verdediging van de stad tegen het Rode Leger kwamen zo'n honderdduizend Duitse soldaten om het leven, onder wie tienduizenden jongens zoals we die op de film zien.
Uitgerekend die jongeren vochten taai en vindingrijk voor elke meter grond - deels uit een jeugdig gevoel van onkwetsbaarheid, uit speelsheid zelfs, deels uit blind fanatisme. 'We wilden allemaal soldaat zijn’, zegt een voormalig lid van de Hitlerjugend in de documentaire Jugend dient dem Führer (2010) van journalist Guido Knopp. Ze schakelden met hun eenvoudig te bedienen Panzerfäuste honderden Russische tanks uit. Daarna vochten sommigen met buitgemaakte machinegeweren of zelfs nog met hun blote handen tegen de 'bolsjewistische horde’. Intussen trokken Greifkommandos door de stad die 'deserteurs’ en 'defaitisten’ executeerden. Ook die groepjes bestonden voor een deel uit jongens. Beulen van vijftien, zestien jaar met een heldere oogopslag en blozende wangen die radeloze oude mensen, vluchtende vrouwen en naar voedsel zoekende kinderen aan lantaarnpalen ophingen of doodschoten.
Hoe is die waanzinnige kinderkruistocht in de kapotgeschoten straten van Berlijn - de eerste op Europees grondgebied sinds 1212 - te verklaren? We kunnen hem afdoen als de laatste stuiptrekking van een regime dat een pathologische greep op de jeugd had. Dat is één helft van het verhaal. De andere is dat de opvoeding in het Derde Rijk voor veel jongeren een bevrijding en een vervulling van hun jeugdige verlangens betekende. De glorieuze herinnering droegen de kindsoldaten van de Führer tot het laatst met zich mee. Die obscene aantrekkingskracht van de Hitlerjugend is een van de taaiste taboes rond de Tweede Wereldoorlog geweest. Volgens politicoloog Arno Klönne, die in 1982 de eerste overzichtsstudie van de jeugdbewegingen in het Derde Rijk publiceerde, werd de Hitlerjugend in de eerste decennia na de oorlog afgedaan als een onschuldige vorm van padvinderij. Vanaf de jaren zeventig was dat niet meer vol te houden en sloeg de balans door naar de andere kant. Nu werd de Hitlerjugend voorgesteld als een genadeloos onderdrukkingsmechanisme waaraan jongens zich alleen met gevaar voor eigen leven konden onttrekken.
Beide voorstellingen zijn onjuist, stelt Klönne in zijn boek Jugend im Dritten Reich: Die Hitlerjugend und ihre Gegner (1982). Er waren wel degelijk jongeren en jeugdorganisaties die zich aan de gelijkschakeling onttrokken en illegale activiteiten ontplooiden. Dat laatste gebeurde zelfs binnen de gelederen van de Hitlerjugend, die allesbehalve monolithisch was. Anderzijds was het verblijf in de Hitlerjugend voor de meeste jongens zo aantrekkelijk dat ze in het geheel niet gedwongen hoefden te worden om deel te nemen. De opeenvolgende fasen van de Vergangenheitsbewältigung lieten echter geen ruimte om dat gegeven te exploreren. Pas nu ze in de laatste fase van hun leven belanden, zijn de overlevenden bereid in boekvorm en voor de camera over hun werkelijke ervaringen in de beweging te spreken. 'Mensen toonden altijd medelijden als ze hoorden dat ik ben opgegroeid onder het Derde Rijk’, schreef de onlangs overleden Henry Metelmann, gewezen tankcommandant aan het Oostfront, in zijn memoires Through Hell for Hitler (1998). 'Maar het was helemaal niet erg. Mijn tijd in de Hitlerjugend was fantastisch.’
Metelmann emigreerde na de oorlog naar Groot-Brittannië, maar hij herinnert zich nog precies hoe het was om als zoon van een socialistische spoorwegarbeider te worden opgenomen in Hitlers jeugdbeweging. 'Thuis droegen we armelijke, zelfgenaaide kleren. In de Hitlerjugend droeg ik een prachtig bruin uniform met veel leer en waande ik me een van Hitlers jonge soldaten. Vanaf dat moment durfde mijn vader niet meer met me van mening te verschillen’, schrijft Metelmann. Voor veel voormalige Hitlerjungen markeerde het uniform een hardnekkige generatiestrijd. Bijvoorbeeld voor Theo Schänker, die onlangs aan een Duits 'herinneringsproject’ deelnam: 'Een jongen in uniform kon tegen zijn ouders zeggen: “Jullie mogen me niet slaan, ik heb het uniform van de Führer aan.” Dat was een geweldig middel om loyaliteit te bewerkstelligen.’
Metelmann was nog nooit op vakantie geweest. Opeens mocht hij jaarlijks op kamp op de prachtigste locaties: 'In de bergen, aan zee, bij rivieren en bossen. We marcheerden, leerden zwemmen en met geweren schieten. Je hoorde ergens bij.’ Dat gevoel werd versterkt door de hoge graad van zelforganisatie - 'Jugend von Jugend geführt’ - die totaal afweek van de belegen sfeer in andere jeugdbewegingen. De beweging maakte perfect gebruik van hun jeugdige overmoed, goedgelovigheid, opofferingsgezindheid en behoefte ergens bij te horen. Bijna ongemerkt ging hun kinderspel over in bloedige ernst. Het ene jaar speelden de kampgangers met ballen en kegels, het volgende oefenden ze met namaakhandgranaten, het daaropvolgende met echte. In 1941 werd Metelmann, achttien jaar oud, ingelijfd in de Wehrmacht en naar het Oostfront gestuurd. Het leek aanvankelijk wel een zoveelste vakantie. In de slag om Kerch beschoot hij boten met vluchtende Russische soldaten. 'We waren uitgelaten. “We hebben er weer één!” riepen we dan. Het was een heerlijk gevoel je vijand te verslaan en op te jagen.’ Metelmann was kind en soldaat tegelijk, een fantasmatische toestand die hij na al die jaren alleen onder woorden kan brengen met een paradox: 'Ik wilde die Russen geen kwaad doen, heus, ik wilde hen alleen maar doodschieten.’

NA DE VAL van Hitler-Duitsland leefde het schrikbeeld van een gehersenspoelde jeugd voort in de vorm van de sovjet-Russische jeugdbeweging Komsomol en de zusterbewegingen in het Oostblok. Ook de Duitse Democratische Republiek had een jongerenbeweging, de Freie Deutsche Jugend, die in naam antifascistisch maar in werkelijkheid grotendeels op de Hitlerjugend geënt was. De Britse socioloog Frank Furedi ervoer de dwang van zo'n rode jeugdbeweging aan den lijve. Tijdens zijn jeugd in Hongarije werd hij geacht pal te staan voor het regime, schrijft hij in een essay uit 2009: 'Ik herinner me dat we werden aangemoedigd onze dwalende ouders te onderhouden over de mooie waarden die onze dappere, wijze leiders uitdroegen. De Grote Broers van de jaren veertig beschouwden kinderen als hulpmiddelen voor morele chantage en sociale controle.’
Maar de communistische jeugdbewegingen waren saai en oppervlakkig vergeleken bij de Hitlerjugend. Hoeveel effectiever de socialisatie van jongeren onder het Derde Rijk was blijkt uit de getuigenis van Salomon Perel, schrijver van het boek Ich war Hitlerjunge Salomon (1992). Zijn relaas is bizar, fascinerend en in meer dan een opzicht beangstigend. Perel was als joodse jongen na de Kristallnacht uit Duitsland gevlucht en had onderdak gevonden in het Russische Grodno. In de late zomer van 1941 werd hij daar alsnog verrast door de inval van het Duitse leger. Hij kon zich echter redden met een list. Perel gaf zich uit voor 'volksduitser’, zei dat hij 'Jupp’ heette en dat hij door de communisten was ontvoerd. Hij werd geloofd en op transport naar Duitsland gezet. Als 'Jupp’ was hij gedurende de rest van de oorlog veilig. Hij wist via de Hitlerjugend zelfs een bescheiden carrière te maken, al leefde hij dagelijks in angst dat zijn afkomst zou worden ontdekt.
Maar het ergst van alles, schrijft Perel, was dat een 'deel’ van hem begon te geloven in de nazi-ideologie. Het was zo verleidelijk om er bij te horen. 'Toen ik als leerjongen bij Volkswagen ging werken, kregen we te eten en te drinken, we maakten uitstapjes en gingen naar muziekfeestjes, allemaal gratis. Het nazi-systeem gaf jongeren alles mee - natuurlijk met de bijbedoeling later over enthousiast kanonnenvoer te kunnen beschikken.’ Terwijl Salomon duizend doden stierf van angst, schaamte en eenzaamheid, bracht 'Jupp’ moeiteloos de Hitlergroet, voerde hij punctueel opdrachten en rituelen uit en reproduceerde hij zonder aarzeling de propagandalessen, inclusief alle misdadige onzin over het joodse ras. En als Hitler niet was verslagen, had 'Jupp’ waarschijnlijk gewonnen van Salomon. 'Een jeugdig brein is zo makkelijk te vergiftigen’, houdt Perel tegenwoordig de toehoorders bij zijn lezingen voor. 'Ik huilde toen Stalingrad viel. Zelfs toen ik jaren na de oorlog documentaires over de nazitijd zag, marcheerde Jupp weer mee.’ Perel koestert daarom geen enkele illusie omtrent het kritisch vermogen van jongeren: 'Met de jeugd kun je doen wat je wilt.’

PERELS OORLOG ligt in alle opzichten ver achter ons. Vandaag de dag is 'indoctrinatie’ een lelijk woord. Behalve in een handvol hardnekkige dictaturen als Noord-Korea, Cuba of Syrië is de van hogerhand georganiseerde jeugdbeweging morsdood. In het vrije deel van de wereld wordt zelfs een president, politicus of geestelijk leider die een kind op de arm neemt al met wantrouwen bekeken. Toch is volgens Furedi het politiek misbruik van de jeugd niet beperkt tot totalitaire samenlevingen. In het genoemde essay, Turning Children Into Orwellian Eco-Spies, stelt hij dat hedendaagse 'angstzaaiers’ over de opwarming van de aarde op dezelfde manier kinderen inzetten voor hun doeleinden. Hij verwijst naar Britse overheidsplannen en onderwijscurricula die kinderen tegen hun ouders moeten opzetten; door de 'treitermacht’ van kinderen zouden de ouders tot gedragsverandering moeten worden gedwongen. De natuurlijke belangstelling van kinderen voor de wonderen des levens wordt misbruikt om een boodschap van 'schril klimaatalarmisme’ uit te dragen, aldus Furedi.
Die vergelijking roept meer vragen op dan ze beantwoordt. Onze politici bouwen niet aan een persoonlijkheidscultus, ze schakelen de media niet gelijk, ze steken de jeugd niet in uniform en laten haar niet marcheren en moorden voor hun doeleinden. Maar is Furedi’s vergelijking daarom helemaal onbruikbaar? Of kunnen we van de recente bekentenisliteratuur van voormalige Hitlerjongens toch nog iets leren over de grens tussen opvoeding en hersenspoeling? Bij nader inzien sluit de laatste opmerking van Furedi wonderwel aan bij hun ervaringen. De perverse kracht van de nazi-jeugdbeweging bestond hierin dat hij appelleerde aan de natuurlijke aanleg en belangstelling van jongeren, met name die van jongens in de puberteit. Daar ligt de parallel met vandaag, met de ondoordachte plannen voor 'eco-spionage’ van links of die voor 'sociale dienstplicht’ van rechts.
De gedachte dat jongeren een ideaal instrument vormen om een grote schoonmaak in de samenleving te houden, is nog jong. Kinderen zijn door de eeuwen heen altijd beschouwd als onvolgroeide volwassenen. Pas de twintigste eeuw werd de 'Eeuw van het kind’, zoals de veelgelezen Zweedse volksopvoedster Ellen Key voorzag in haar gelijknamige boek uit 1900. Voortaan werd de jeugd beschouwd als een afzonderlijke mensensoort, als de 'hoop van de natie’, een natuurlijke rijkdom die te belangrijk was om aan de ouders over te laten. De staat ging steeds meer wettelijke voorwaarden stellen aan de opvoeding; steeds meer deskundigen ontfermden zich over de uitvoering daarvan.
In de politiek werd steeds vaker geappelleerd aan de jeugd als rechtvaardiging voor de eisen van zowel machthebbers als revolutionairen. Dat beroep was meestal nietszeggend, schrijft de Britse historica Elisabeth Harvey in de bundel A Companion to Europe 1900-1945 (2006). 'Het suggereerde slechts een radicale afwijzing van gevestigde machten en de oude orde - “Onze beschaving is seniel en verrot” - en een krachtige boodschap voor de toekomst: “Maak plaats voor de jeugd.”’ De cultus van de jeugd werd een substituut voor politieke analyse en vooruitgang. 'Hij suggereerde dat de voornaamste tegenstellingen in de samenleving van generationele aard waren.’ Die aanname, steunend op de illusie dat de jeugd beschikt over inherente morele kwaliteiten die oudere generaties missen, heeft de Tweede Wereldoorlog glansrijk overleefd, en niet enkel in het Oostblok.
In het Westen werd hij al gauw weer verkondigd door Herbert Marcuse, André Gorz en andere woordvoerders van de opstandige studenten en werkende jongeren van de jaren zestig. En nu de financieel-economische crisis om zich heen grijpt, dreigt het generatieconflict wederom een belangrijk referentiekader te worden. Jeugdige protestbewegingen stellen de babyboomers verantwoordelijk voor een vervuilde wereld, een economische chaos en een maatschappelijke orde die seniel en verrot is. Vakbonden, politieke partijen, religies en tal van andere instituties raken verdeeld langs generationele breuklijnen, een effect dat wordt versterkt door de hedendaagse commerciële verheerlijking van alles wat riekt naar jeugd. Voor totalitaire ontsporingen hoeven we voorlopig niet bang te zijn. Geen jongere laat zich tegenwoordig in een uniform steken en de jeugdprotesten van vandaag lijden eerder onder een tekort dan onder een teveel aan leiderschap. Zo opzichtig herhaalt de geschiedenis zich niet. Maar Furedi heeft gelijk dat illusies omtrent het idealisme en de onbederfelijkheid van de jeugd niet thuishoren in de hedendaagse politieke arena. Het blijft spelen met vuur. De stamelende bekentenissen van de laatste Hitlerjongens vertellen ons hoe hoog het kan oplaaien.