Blues van een sociaal-democraat

MAARTEN VAN TRAA kon prachtig trombone spelen. Dat deed hij op onverwachte momenten. Vorig jaar bijvoorbeeld, bij de crematie van Bert Schierbeek. ‘Kon dat eigenlijk wel?’ vroeg hij na afloop. Het kon eigenlijk niet, dat vrolijke en harde, zij het omfloerste en melancholieke geluid bij zo'n droevige gelegenheid. Juist daarom was het zo hartverscheurend mooi. Soms pakte hij op een feestje niet alleen zijn trombone, maar zong hij ook een ter plekke geïmproviseerde song.

Het allermooiste wat ik ooit van hem hoorde was een ‘Blues van de sociaal-democraat’. Hij zong die, geloof ik, bij hem thuis aan het einde van een feestje ter ere van zijn verjaardag, toen hij nog maar kort lid was van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer. Het was niet alleen maar leuk of mooi, het was aangrijpend. Hij schreeuwde - tegelijk tragisch en ironisch - zijn wanhoop uit over alle compromissen die hij moest sluiten, de nederlagen die je in de politiek onherroepelijk lijdt, zijn twijfels en zijn verlangen toch iets ooit een klein beetje ten goede te kunnen veranderen.
WAT ZOU IK NU graag precies kunnen citeren wat hij toen zong, maar het lukt me niet. Toch heb ik het gevoel dat ik hem nooit zó helder zijn twijfels en dilemma’s heb horen verwoorden. Want heel erg duidelijk was Maarten vaak niet. Hij mompelde en bromde als hij tegen je sprak. Hij veronderstelde zaken bekend waar ik geen idee van had, en onder journalisten was hij berucht om z'n onafgemaakte zinnen en te ingewikkelde gedachtengangen. In discussies werd hij derhalve meer dan eens van vaagheid en verwardheid beschuldigd. Gladde praatjes kreeg je van hem nooit te horen. Hij ging elk gesprek aan en iedere discussie, en hij was altijd van een ontstellende openheid en eerlijkheid, of het nu om politieke of persoonlijke zaken ging.
Bij nader inzien was wat wij als wazig betitelden, vaak een worstelen met moeilijke problemen. Hij citeerde in een kort essay voor een gezamenlijke vriendin eens uitgebreid uit György Konráds essay Doden is altijd moorden. Maar lag het wel zo simpel dat het fundamentele probleem van de mensheid is of men het recht heeft een menselijk wezen te doden? Vroeger, zegt Maarten van Traa, wist hij wel beter. Het ANC had toch zeker het recht de armed struggle te prediken. Maar nu zegt hij: 'Ik ken het antwoord niet meer. Dat is voor politici misschien vreemd, maar mag ik het misschien niet weten?’ En hij vraagt zich af: 'Maar gaat mijn hartstocht voor gematigdheid zo ver dat ik alle hartstocht voor vrijheid - die zich uitdrukt met wapens tegen onvrijheid en onderdrukking - altijd afwijs, omdat men nooit een medemens mag doden?’ Als hij nu het geweld afwijst is dat niet uit principe, maar 'veeleer omdat elke revolutie de neiging heeft in een overwinningsroes te eindigen’. Maar Gerrit Kastein, die in 1943, of was het in 1942, Oostfront-generaal Seyffardt doodde, was volgens hem toch geen moordenaar. Hij is in een paar zinnen rond en rond en rond gegaan en blijft het recht opeisen iets zo belangrijks gewoon niet te weten.
DOGMATISCH links was Maarten bepaald niet. Integendeel, zijn generatieconflict was precies tegengesteld aan dat van de rest van zijn generatie. Hij was - op 18 mei 1945 - uit het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog geboren. Zijn ouders waren beiden actief geweest in het verzet en werden later, zoals hij het zelf eens betitelde, 'salonsocialisten’ die PSP stemden. Het was een zeer beschermd professorenmilieu, maar hij werd links opgevoed. En daar verzette hij zich tegen door in het corps te gaan en in de loop van de jaren zestig tegen het opkomend studentenverzet te kiezen. Pas toen hij uitgerekend in mei '68 in Parijs studeerde, greep de opstandigheid ook hem aan. En hij gaf zelf toe dat daarbij ook een rol speelde dat zijn Parijse vriendin - en latere vrouw - Delphine veel revolutionairder was dan hijzelf.
Toen hij na z'n journalistieke periode voor de PvdA koos, was dat zijn ouders eigenlijk te burgerlijk. En toen hij zich daar in 1979 kandidaat stelde als secretaris buitenland, won hij het van de linksere Sonja van der Gaast, die veel feller tegen de kernwapens was. Maar als secretaris van het Komitee Kruisraketten Nee had hij het zowel aan de stok met meer gematigde PvdA'ers als met de meer radicale leden van het kruisrakettencomité. Het was een periode waarvan hij, zoals hij zelf later zei, sadder and wiser is geworden.
Vanaf 1986 in de Tweede Kamer zat hij nog sterker ingekneld tussen zijn idealen en de prangende werkelijkheid. In mijn gevoel had hij altijd de juiste mening, maar moest hij zich op de een of andere manier ook altijd weer schikken naar de fractiediscipline. Maar hij liet die discrepanties in ieder geval duidelijk zien, waarschijnlijk tot wanhoop van zijn soepeler fractiegenoten. En natuurlijk werd hij vanzelf linkser, omdat de hele partij langs hem heen ver naar rechts opschoof. Hij bleef over als een van de weinige erfgenamen van Den Uyl, een van de weinige intellectuelen in de partij, een van de weinigen die durfde te aarzelen, die durfde te dromen, en dan maar weer met zijn hoofd tegen de muur botste.
ZOALS DEN UYL tijdens zijn premierschap korte tijd kon samenvallen met wat hij wenste te zijn en ook daadwerkelijk de inkomensverdeling ten gunste van armere mensen wist te veranderen, zo gebeurde dat met Maarten van Traa als voorzitter van de IRT-commissie. Tijdens die parlementaire enquête leken veel van zijn twijfels van hem af te vallen. Misschien gaf het juridische kader waarbinnen hij moest opereren een helderheid die geen ideologische twijfel behoefde. En de misstanden waren zo schreeuwend dat zijn woede volkomen terecht was. Niet voor niets bleef hij consequent aan zijn standpunt vasthouden toen het kabinet delen van zijn rapport niet openbaar wilde maken en toen de paarse meerderheid van de Tweede Kamer weigerde personele consequenties uit het rapport te trekken. Als enige van zijn fractie steunde hij de motie van de oppositie waarin verdergaande maatregelen werden geëist. Natuurlijk ook nu weer vergeefs.
Maar ondanks die grote teleurstelling was er in Nederland door het IRT-onderzoek iets belangrijks blootgelegd. De wijze waarop hij daar leiding aan had gegeven verleende hem ieders respect en een enorm moreel gezag. Het is de vraag of hem dat politiek ooit verder zou hebben gebracht, naar bijvoorbeeld een ministerschap of een staatssecretariaat. Om onafhankelijke geesten zitten ze in de politiek, naar het schijnt, niet al te erg te springen.
Het leek hem ook niet meer te deren. Hij was heel gelukkig in zijn persoonlijk leven. Een jaar geleden trouwde hij met Andrée van Es, die hem al fascineerde toen zij nog kamerlid van GroenLinks was.
PAS NU HIJ is gestorven, bij een ongeluk (de suggestie dat hij te hard reed, bleek later onjuist), wordt duidelijk hoeveel mensen ook hebben gevoeld wat een uniek mens Maarten eigenlijk is geweest. In de Tweede Kamer viel de dag nadat hij was verongelukt het werk plotseling volledig stil. Zijn collega’s waren eenvoudig niet in staat om door te werken. Zelfs Kok kwam bij de herdenking afgelopen donderdag tot een voor zijn doen opvallend persoonlijke en treffende omschrijving van de woede waarin Maarten kon ontsteken, als hij zag dat wezenlijke waarden werden aangetast.
Hij wordt nu steeds het 'linkse geweten van de PvdA’ genoemd, maar dat lijkt me eigenlijk niet juist geformuleerd. Was hij wel zo links? Ja, als mensenrechten, vrijheid, democratie, tolerantie, strijd tegen dictatuur linkse zaken zijn, maar als ik rechts was zou ik die dingen niet zomaar als links laten bestempelen.
Het lijkt me dat Maarten van Traa veel meer was dan het linkse geweten van de PvdA, hij was het geweten tout court. Omdat hij durfde door te denken over de consequenties van wat er in Den Haag werd besloten, omdat hij daarover in discussie ging, omdat hij durfde te twijfelen en omdat hij de spanning tussen z'n idealen en wat in de praktijk haalbaar is aan de orde durfde te stellen. Daarom was hij voor zijn fractiegenoten een drammer en een lastpak. Maar hij was natuurlijk net zo goed het geweten voor z'n linkse vrienden en kennissen, met hun gemakkelijke standpunten, opinies en vooroordelen. Hij liet het niet bij meningen, hij trachtte ze wel degelijk politiek te verwezenlijken. Dat dat uiteindelijk meestal niet lukte, daarin schuilt nu precies zijn sociaal-democratische blues. Hij heeft er uiteindelijk - op weg naar een gewestelijke vergadering van de PvdA - het leven bij gelaten.