Blues van het derde geslacht

DE SCENE WAAR het boek mee begint is treffend, maar - helaas - hij komt je ook bijna te bekend voor. In een woonwagenkamp in een buitenwijk van het Amerikaanse plaatsje Spokane, Washington, rijdt in januari 1989 een ambulance voor. De patiënt voor wie hij komt is Billy Tipton, een oude blanke muzikant die al tijdenlang ziek is maar steeds heeft geweigerd naar een dokter te gaan. Als zijn geadopteerde tienerzoon William eindelijk het alarmnummer 911 heeft gebeld, wordt duidelijk waarom: de ziekenbroeders komen binnen, leggen Billy op de grond en maken zijn pyjamajasje los om te voelen of zijn hart nog klopt. Eén van hen kijkt William aan en vraagt: ‘Is je vader soms van geslacht veranderd, jongen?’ De jongen komt wat dichterbij, kijkt naar het lichaam van zijn vader en rent dan ‘struikelend naar de hordeur en het trapje van de woonwagen af’.

Menselijk wrakhout uit een woonwagenkamp, mannen die vrouwen blijken te zijn of andersom en veel luidruchtige verontwaardiging, we kennen het langzamerhand wel, zou je denken. Maar toch blijkt het met dit verhaal wat anders te liggen, want het boek waar de scène uit komt, Maatwerk van Diane Wood Middlebrook, is ondanks de oppervlakkige eerste indruk écht een bijzonder boek over een heel bijzondere, eh, persoonlijkheid. Strikt genomen begon het verhaal toen op 29 december 1912 Dorothy Lucille Tipton werd geboren in Oklahoma City als de enige dochter van Reggie Parks - een teleurgestelde vrouw, dochter van een hoerenmadam, die haar levenlang volhield dat haar schoonheid haar kapitaal was - en de plaatselijke monteur, uitvinder en stuntvlieger George William Tipton. Een schattig meisje zie je als je doorbladert naar het fotokatern. Drie jaar oud, een kanten jurkje aan en dito mutsje op en brutaal lachend in de camera. Maar hoe lief ook, in een biografie als deze is het bijna onmogelijk foto’s te zien zonder er als het ware doorheen te willen kijken, op zoek naar sporen van wat nog moet komen. En hetzelfde geldt eigenlijk voor de tekst, want hoe vakkundig de eerste jaren ook zijn beschreven, je wilt ‘verder’. Dus, natuurlijk wil je weten dat Dorothy een tomboy was die haar mannetje stond in gevechten met de buurjongen (aha!) en dat ze haar eerste pianolessen van haar moeder kreeg, maar over andere dingen lees je toch wat sneller heen. De keiharde scheiding van haar ouders, de verhuizing naar Kansas City waar de vader zich op zijn eigen bedrijf stortte en Dorothy door haar twee tantes, Bess en Dove, werd opgevoed. Hier rem je weer even af, want je krijgt langzaam het gevoel dat 'de dingen’ beginnen te gebeuren. Je leest dat de twee vrouwen met weinig succes probeerden een dame van Dorothy te maken en dat Dorothy de jazz ontdekte. In de stad van Ben Webster, Lester Young en Count Basie lag ze met haar oor tegen de radio en begon ze te dromen van een leven als jazzmuzikante. En precies daar gebeurde het. Want ook al leerde ze in de jaren daarna nog zo degelijk saxofoon en piano spelen, de jazzwereld was in die jaren een mannenwereld. De muzikanten in Kansas City en Oklahoma City (waar ze terugkwam om bij Reggie te wonen) konden zelfs tijdens de Depressie goed verdienen, maar een vrouw was een vrouw, en die kon eigenlijk al niet in de band staan, laat staan mee op toernee. IN 1934 HAD Dorothy er op een dag genoeg van, vertellen twee nichtjes. Na weer een vergeefse auditie stormde ze de kamer inen zei: ’“Nou ja, als ze me dan niet als vrouw willen hebben, willen ze me misschien als man!” Ze pakte een oud laken, scheurde er een reep af en bond die heel strak om haar borst. Ik zal die grote veiligheidsspeld waarmee we hem dichtspelden nooit vergeten! Ze had ergens nog wat mannenkleren liggen, en verkleed als jongen kreeg ze die baan en ging met de band mee.’ Dorothy was nu dus vermomd als jongen en ze begon zich Billy te noemen (naar haar broer en haar vader), maar het zou toch nog een jaar duren voor ze echt voor een man kon doorgaan. Een herenpak en -kapsel hielpen, net als de sok die ze gebruikte om te suggereren dat ze 'linksdragend’ was, maar haar leerschool doorliep ze in het herenpension van Helen Teagarden. Hier leerde Billy, omringd door muzikanten, hoe ze moest staan, lopen en praten als een man. Veel schuine moppen dus over vrouwen en homo’s, het liefst zonder een spier te vertrekken. Het was een goeie test - hoewel nog niet de ultieme - maar het moeten pijnlijke momenten voor haar zijn geweest. Zeker als je haar (onbewuste) motieven onder de loep neemt. Want natuurlijk, muziek kunnen maken was een belangrijk argument voor het scheppen van het Billy-personage, maar het was zeker niet het enige. Misschien speelde mee dat ze een verbeterde versie van haar vader wilde zijn, een gentleman, al komt Freud dan wel heel nadrukkelijk om de hoek kijken. Maar belangrijker was iets anders: Billy viel op vrouwen. Sterker, één vrouw was niet onbelangrijk in haar transformatie. Ze ontmoette haar al in 1933 en ze heette Non Earl Harrell. Dat wil zeggen, zo noemde ze zich, want voordat toen-nog-Dorothy haar tegenkwam als een wilde 'marathondanseres’ die aan kinderen werd voorgehouden als afschrikwekkend voorbeeld van wat er van je werd als je je niet aan de regels hield, was ze getrouwd geweest met ene Earl Harrell, een vriendelijke maar saaie man die haar met geen mogelijkheid kon bijhouden. Non Earl maakte, zoals haar provocerende pseudoniem al laat zien, graag plezier en trok zich niets aan van wat de buren daarvan dachten. Ze danste, dronk en rookte, en terwijl de rest van de vrouwen in het dorp kuise jurken droegen, was zij de eerste die een broek droeg. Een mannenbroek. Afijn, toen Dorothy Billy was geworden, werd Non Earl haar eerste vriendin en trok ze bij haar in, en daarmee was de eerste fase van de metamorfose voltooid. En vreemd genoeg zonder dat dat al te veel opzien baarde. Of in ieder geval niet openlijk, want zoals uit de vele interviews met plaats- en tijdgenoten blijkt, lesbische liefde was iets dat in de categorie 'het was niet netjes om over zulke dingen te praten’ viel. Zozeer zelfs dat veel mensen niet wisten dat het bestond. Het stilzwijgen van de dorpsgenoten kwam Billy hoe dan ook goed uit en als ze op toernee was, versterkte een mooie vrouw aan haar arm de illusie. Maar uiteindelijk ging dat haar toch niet ver genoeg. In 1941 verhuisde het paar naar het plaatsje Juplin, Missouri, voor wat ik maar even 'fase twee’ noem. Kilometers bij al hun familie en oude kennissen vandaan gooiden ze het roer helemaal om. Vanaf nu was Billy meneer Tipton en Non Earl werd Nona Tipton, de andere helft van het perfecte heteroseksuele paar. HET WAS een sprookje dat met 'Nona’ niet lang kon duren. Na twee jaar realiseerde ze zich dat als ze toch de brave huisvrouw moest spelen, ze dat net zo goed bij Earl Harrell kon doen, en dat deed ze dus. Maar voor Billy bleef het het ideaal, en wat meer is: hij bereikte het. Vier vrouwen zou hij na Non Earl nog hebben, en als je ze langsloopt zie je de opgaande lijn naar de perfecte imitatie. Eerst was er nog een vrouw, June, die zijn geheim (want dat was het in 'fase drie’ zelfs voor zijn partners) ontdekte, en na de scheiding dingen mompelde over een 'haarmorfediet’. Maar vanaf 1946 wist hij zijn volgende vrouwen (met behulp van jockstraps, een fictioneel ongeluk als alibi voor de band om zijn borst, bloedende aambeien voor andere ongemakken én een kunstpenis) volledig voor de gek te houden. Of hield hij ze niet voor de gek? Zoals de biografe zich afvraagt: was Billy nog een vrouw of alleen maar vrouwelijk? Het antwoord wordt misschien gegeven door een moderne bioloog die beweert dat er niet twee maar vijf menselijke geslachten zijn: 'In de medische literatuur worden de hermafroditische typen samen geclassificeerd onder de term “interseksen”. Waarschijnlijk valt vier procent van de pasgeborenen onder deze classificatie.’ Billy kende het derde geslacht lang voor moderne biologen en cultuurfilosofen het 'uitvonden’, maar hij was zo verstandig het voor zich te houden. Hij had zijn vrouwen en met de laatste, Kitty, zelfs drie geadopteerde kinderen; een leven als 'gewone’ Amerikaan. 'En zolang zij ervan overtuigd was dat hij een man was, kon het toch geen kwaad.’ Veel pragmatischer kun je niet worden, maar achteraf blijkt dat hij gelijk had. Want hoewel je toch verbijsterde en woedende reacties zou verwachten, is die van zijn derde vrouw, Betty Cox, tamelijk representatief. Toen ze, na zijn dood, zijn geheim had ontdekt, verweet ze hém niets. Misschien was zíj pervers, omdat ze verliefd op hem werd, maar op Billy’s goedheid viel niets af te dingen: 'Iemand die zich goed gedraagt, is een goed mens.’ NEE, HOE OPENHARTIG de vrouwen en William in Maatwerk ook zijn, voor verbijstering en woede moet je toch zijn bij kunstwerken die op hun verhaal zijn gebaseerd. In Olympia, de hoofdstad van Washington, werd de opera Billy opgevoerd, in Los Angeles was er het toneelstuk Stevie van Eduardo Machado en de cabaretachtige productie The Slow Drag werd zowel Off Broadway als in Londen opgevoerd. Ik heb de stukken niet gezien, maar toch kan ik denk ik met een gerust hart zeggen dat een onlangs verschenen roman ze overtreft: Trumpet van Jackie Kay. In Trumpet krijgen alle betrokkenen bij een soortgelijke 'zaak’ een prachtige eigen stem. In 'De anderen’ zijn dat onder anderen de dokter, de ambtenaar van de burgelijke stand en de werkster. Maar drie stemmen zijn toch het belangrijkst: die van de liefdevolle weduwe in 'Huis en haard’, de vlakke taal van de sensatiegeile journaliste en de zoon, Colman, de stem van de verwarring en de woede: 'Er gebeurt nu pas van alles, na zijn dood. Toen veranderde het leven, het leven dat ik dacht geleefd te hebben. Inmiddels weet ik niet meer wat voor leven ik heb geleid. (…) Begrijp je wat ik bedoel? Het is hetzelfde leven niet meer.’ 'Het ergste is dat het zo gênant is. Lulhannesen die zeggen: wist je dat nou echt niet, Cole? Klootzakken die vragen stellen. Ik schaam me zo dat ik verdomme in staat ben te emigreren. Gewoon wegwezen, en het kan me geen ruk schelen waar naartoe.’ Het is een prachtige roman, die Maatwerk mooi aanvult, al heeft Kay het verhaal van Billy Tipton alleen als inspiratiebron gebruikt. Want er is nogal wat anders is dit verhaal. De trompettist is zwart en woont in Schotland, zijn vrouw kent zijn geheim en hem lukt wel waar Tipton van droomde: een beroemd 'jazz-man’ worden. WANT JE ZOU het bijna vergeten, maar dat was de droom waar het allemaal mee begon. Tipton zag hem niet in vervulling gaan, maar het scheelde niet eens veel. Jarenlang leek hij gedoemd om voor altijd in het zogenaamde 'turkey-circuit’ te blijven hangen. Volgens iedereen die met hem speelde was hij een verdienstelijk arrangeur, maar meer nog was hij een geboren entertainer. En in jaren waarin het publiek vroeg om lichtverteerbare swing en mensen die de grote helden uit die tijd konden imiteren, was dat misschien vooral een vloek. Billy trok in tientallen bands en trio’s langs de danszaaltjes van elk gehucht, terwijl hij de pianostijl van Teddy Wilson nadeed en een van zijn partners een surrogaat Cab Calloway neerzette. Hardwerkende muzikanten wier wereld mooi wordt geschetst. Maar vrolijk word je er ondertussen niet van. Billy waarschijnlijk ook niet, maar midden jaren vijftig leek hij te kunnen ontsnappen. Hij was de vaste pianist geweest bij verschillende radioprogramma’s en ook zijn Billy Tipton Trio begon op te vallen. Hij maakte een paar platen (die volgens de legende ook bij Ella Fitzgerald in de smaak vielen) en als twijfelachtig hoogtepunt werd het trio in 1958 uitgenodigd om in Las Vegas te spelen, als voorprogramma van de piano-relnicht Liberace. Maar daar hield het dan ook op. Billy, die, nu zijn ster rijzende was, steeds banger werd voor ontdekking, weigerde en nam een baan aan bij het kantoor van manager Dave Sobol in het dorpje Spokane. ’s Avonds speelde hij in de plaatselijke nachtclub, maar zijn droom gaf hij op. Want al was de schnabbel bij Liberace artistiek gezien niet veel, zoals zijn biografe schrijft: 'Toch was het een deur naar het grote succes. Laten we hopen dat Billy het als een bevestiging van zijn hele loopbaan beschouwde. Laten we hopen dat Billy, toen hij zo verstandig was om het aanbod af te slaan, grote vreugde in haar hart voelde.’ HET IS INDERDAAD te hopen, want met die vreugde moest hij nog dertig jaar voort. In het kantoortje van een zieltogende agent, nadat zijn vrouw zich van hem liet scheiden en hij alleen met zijn jongste zoon achterbleef in een woonwagenkamp, tot hij in 1989 stierf aan een verwaarloosde maagbloeding. Het is natuurlijk tragisch, maar toch kun je denk ik niet zeggen dat Billy met minder genoegen heeft moeten nemen. Eerder met iets anders. Als je Maatwerk dichtslaat, moet je even terugdenken aan een citaat uit de inleiding. En al is het niet eerlijk tegenover het boek én het onderwerp, je doet je ogen dicht en ziet hoe Jerry Springer het in zijn show zou kunnen uitspreken als final thought: er zijn veel artiesten, van David Bowie tot Madonna en van RuPaul tot Michael Jackson die spelen met hun seksuele identiteit. 'Maar bij Billy lag het anders. Zij improviseerde zonder ophouden, ze viel nooit uit haar rol en ze putte inspiratie uit de algemene opvatting over het dagelijks leven van de seksen (…) dat het verschil in geslachtelijke geaardheid ontstaat uit het anatomische verschil in sekse van de mens, en dat voor een geslacht typerend gedrag het gevolg is van dat verschil in sekse. Door haar uitstekende vervulling van een reeks rollen die altijd door het “andere” geslacht waren gespeeld, liet Billy zien dat geslacht, in tegenstelling tot seksualiteit, voor het merendeel een gedragstype is. Zij was de acteur, hij was de rol. Billy’s eerste optreden als man mag dan een briljante grap zijn geweest die een probleem voor haar oploste, ze kwam er algauw achter dat ze als man toegang had tot alles wat ze maar wilde: reizen en de liefde van avontuurlijke, zorgzame vrouwen.’ Pas goed op jezelf, en elkaar, denk je even, maar uiteindelijk heeft de biografie van Billy Tipton net zo weinig met een talkshow te maken als ackie Kay’s Trompet. Daarvoor is de interesse van beide schrijfsters te oprecht en hun talent te groot. Dat is het verschil: niet het verhaal, maar wat een schrijver ermee doet.