Blues voor langston hughes

Dertig jaar geleden stierf Langston Hughes. Bij zijn dood, op 65-jarige leeftijd, werd hij nog beschouwd als een van Amerika’s belangrijkste zwarte schrijvers. Er kwam een Langston Hughes Center for the Performing Arts en een verzameling Selected Poems. Die bundel werd nog een keer herdrukt en dat was het zo'n beetje.

Dertig jaar na zijn dood worden er geen kerkdiensten aan hem gewijd, organiseren de dichters geen bijeenkomst waar zijn poëzie wordt voorgelezen, en de blueszangers in de kroeg zingen zijn teksten niet. Terwijl dat niet meer dan rechtvaardig zou zijn, want hij was de eerste die poëzie maakte van hun preken en hun blues. Maar Langston Hughes is lang geleden.
Zijn eerste bundels, The Weary Blues en Fine clothes to the Jew waren een succes, eind jaren twintig. Het ‘primitieve, ongepolijste’ geluid van de Amerikaanse neger was een tijdje mode. Het is niet meer na te gaan, maar ik zou me goed kunnen voorstellen dat Hughes daarom zijn derde bundel Shakespeare in Harlem heeft genoemd. Zoals Duke Ellington op een gegeven moment klassieke suites ging schrijven, zo wilde Hughes ook weg van het 'primitieve’ waarom hij zo geprezen was.
In zijn latere bundels staat veel poëzie die we nu nauwelijks meer serieus durven nemen, vol politieke idealen, vol stellingnamen. Hij moest wel: het was Amerika, het was vóór Martin Luther King, en negers waren geen mensen. Hughes’ geëngageerde werk is niet zo tenenkrommend als de boterzachte maatschappijkritiek van Joost Zwagerman, of de socialistische strijdverzen van Gorter, maar poëzie als dit is niet meer helemaal van deze tijd: 'In those dark days of slavery/ Guarding in their hearts the seed of freedom,/ The slaves made up a song:/ KEEP YOUR HAND ON THE PLOW!/ HOLD ON!/ That song meant just what it said: Hold on!/ Freedom will come!’
Ploegscharen en uitroeptekens - het is precies wat je níet meer wilt tegenkomen, zeker niet in poëzie.
Het is een hard lot om, zonder dat je er iets aan kunt doen, van een controversiële pionier tot een versleten idealist te worden. Hij zou het ongetwijfeld verafschuwd hebben, maar ook de allerbeste bedoelingen zijn niet opgewassen tegen de tijd. Goede bedoelingen verouderen het hardst. Er zijn maar weinig dichters wier stem na zoveel jaren nog hetzelfde klinkt, en wat ooit modieus was, veroudert nog het hardst. Wie luistert er nog naar muziek van 78-toerenplaten, behalve besnorde dixielandfans? Niemand weet meer hoe nieuw dat ooit heeft geklonken. Of dit: 'The spring is not so beautiful there -/ But dream ships sail away/ To where the spring is wondrous rare/ And life is gay// The spring is not so beautiful there -/ But lads put out to sea/ Who carry beauties in their hearts/ And dreams, like me.’
Ik zing de blues voor Langston Hughes. Niet omdat hem verdiende lof is onthouden, want hij heeft bij leven meer gekregen dan de meesten krijgen. Ook niet omdat hij bijna vergeten is, want dat zal ons allemaal gebeuren en daarover klagen is zinloos. Enkel vanwege een paar gedichten die hij schreef, de boogie-woogie rumble van een droom die voorlopig wel uitgesteld zal blijven. A dream deferred.