Blurpend geluidsorganisme

Het lijkt zo simpel: de IJsbreker organiseert haar elektronische concerten in het Planetarium van Artis, het Korzo Theater wijkt uit naar het Omniversum. Maar tussen de concertserie die onder de Amsterdamse sterrenhemel plaatsvindt en het project Macro (‘een multimedia-ervaring zonder weerga’) bestaat een wereld van verschil.

In het Planetarium heeft het beeld, dat door een gigantische projector wordt geleid, de functie de juiste ambiance te creëren. De ruimtelijkheid en tijdloosheid die de oneindige melkwegstelsels suggereren, maakt dat je je goed op de muziek kunt concentreren. Bijkomend voordeel is dat de luisteraar niet naar twee luidsprekerkasten hoeft te staren - wat toch vaak het manco van elektronische (tape) muziek is.
De pretentie in het Haagse Omniversum was een heel andere. Niet alleen omdat Macro - aangekondigd via een grappig plastic kaartje met rode kleurvloeistof - zich een, uniek muziek- & beeld- project’ noemt, maar ook door de locatie zelf. Het Omniversum associeer je met spectaculaire shows. Zo draait er op het moment The Living Sea, een documentaire waarin allerlei onderwerpen die met de zee te maken hebben op één hoop geveegd zijn: van surfen op de oceaan tot een reddingsbrigade-op-oefening, en van diepzeeduiken tot de mythen van traditionele zeeculturen. De wijze waarop het publiek door het beeld en geluid wordt ingesponnen, mag met recht uniek genoemd worden. De ervaring letterlijk in de actie te zitten - middenin een school vissen of op de plank van een surfer die dwars door een metershoge golf snijdt - is adembenemend.
Nu vormen dit soort special effects niet direct het doel waar hedendaagse kunstenaars op uit zijn. Maar Macro was in lijzigheid wel precies het tegenovergestelde. De muziek - viool, contrabas en live elektronica - gaat vergezeld van diaprojecties van de Londense kunstenaar Crow. De beelden zelf zijn wat grauw en zompig: primitieve tekeningen, de textuur van stenen en andere materialen, en vlekkerige abstracte figuren. Drie dia’s op reuzeformaat worden naast elkaar geprojecteerd, maar desondanks is het effect pietepeuterig. Niet alleen doordat door het gebrek aan beweging het geheel volkomen statisch is, de zaal is zo groot dat zelfs deze kanjers van afbeeldingen verzuipen in de ruimte. In plaats van overdonderd te worden zit je naar (matige) plaatjes te kijken.
De musici brengen het er heel wat beter van af. Het geluid van de viool (Mary Oliver) en contrabas (Carl Beukman), aangevuld met stemfragtnenten, wordt deels live opgenomen en elektronisch bewerkt. Het duo achter de knoppen - Richard Barrett en Paul Obermayer - deed dit erg goed. Met veel gevoel voor klank en klankverhoudingen zetten ze een stuk van een uur neer. Klanken worden mooi tegen elkaar uitgespeeld door voor- en achtergrond een duidelijk reliëf te geven; sprankelende twinkelingen - zoals die alleen elektronisch kunnen worden opgewekt - staan in scherp contrast tot dof geblurp; met een veelheid aan timbres, van venijnig gebliep tot stroef gekras, wordt een beweeglijk geluidsorganisme tot leven gewekt.
Maar niet alleen spreekt het pure klankmateriaal tot de verbeelding, ook is het stuk doordacht opgebouwd. Motieven worden opgepikt, vastgehouden en verder ontwikkeld. De muziek beweegt in grote spanningsbogen waarbij overladen, een beetje anarchistisch aandoende passages tot ontspanning komen in dunne transparante lijnen. Aangezien Macro voor Barrett en Obermayer onderdeel van een groter onderzoek vormt, zal dit tweetal nog wel vaker van zich laten horen.
Het stuk eindigt met een fascinerend slotbeeld: plotseling gaan backstage de lichten aan, waardoor alle loopbruggen en stellages achter de enorme koepel van het Omniversum zichtbaar worden. De immense zaal verschrompelt tot een dopje. Buitengewoon ontluisterend.