Bob Dylan, Hercules Segers, Hans Faverey

Bob Dylan kreeg in 1968 de vraag voorgelegd: ‘Is dit nou poëzie of is het muziek?’ Dylans antwoord was kort maar krachtig: ‘Ja, ach, je hebt altijd mensen die vragen stellen.’

Het is in een gesprek met John Cohen en Happy Traum. Dylan vertelt dat hij Rimbaud had gelezen, en dat hij in de herfst van 1964 of 1965 aan Allen Ginsberg en Peter Orlofsky was voorgesteld. Hun werk had hem losgemaakt van de invloed van zijn folk-held Woody Guthrie: ‘Tja, de taal die zij schreven, die kon je zo oplezen en dan begon zich op de een of andere manier in je gedachten een melodie te vormen. Ik weet eigenlijk niet wat het was, maar je merkte dat het mogelijk was om meer te doen dan wat … niet meer … iets anders dan wat Woody en mensen zoals Aunt Molly Jackson en Jim Garland deden.’

Een grote verrassing vorige week was niet dat Dylan de Nobelprijs kreeg, maar dat daar door sommige schrijvers zo zuur op werd gereageerd. Dylans magistrale werk zou niet literair zijn. Omdat het niet uit boeken bestaat!

Dylan heeft me door mijn middelbare-schooltijd geholpen. Hij had voor mij dezelfde betekenis als Paul van Ostaijen, Slauerhoff, Louis Paul Boon, Remco Campert, Lucebert. Het is nooit in me opgekomen dat zijn werk van een andere orde zou zijn en niet tot de literatuur zou horen. We zaten met ons oor tegen de luidspreker van onze grammofoons en probeerden de teksten op te schrijven. Van sommige zinnetjes herkenden we te weinig en dan moest je de naald optillen en weer terugzetten, vaak vele keren achter elkaar en soms vergeefs. De eerste tekstuitgave kwam pas na John Wesley Harding (1968), een co-productie van De Bezige Bij en Thomas Rap. Meer dan tweehonderd bladzijden, en alleen maar meesterwerken. Het hoorde tot de belangrijkste boeken die ik had.

De Nobelprijs geeft me in ieder geval een mooie aanleiding om weer eens alles van hem te draaien. En in de Dylan-literatuur te bladeren. Ik moest weer erg lachen om de persconferentie waar de documentaire Don’t Look Back uit 1968 mee begint. Dylan houdt een gloeilamp in zijn handen die groter is dan zijn hoofd, en een verslaggever vraagt: ‘What’s the lightbulb for?’

Dylan: ‘What’s the lightbulb for? I thought you would ask me that. No, I usually carry a lightbulb. Somebody gave it to me, you know.’

Reporter: ‘Sorry, I didn’t quite catch the answer.’

Dylan: ‘Somebody gave it to me… A very affectionate friend.’

Reporter: ‘Oh, I see.’

Het gesprek met Cohen en Traum staat in het boek Over Dylan dat in 1973 bij Van Gennep verscheen. Ik werd getroffen door de manier waarop Dylan uitlegt hoe hij schrijft: ‘Het is net zoals met die schilder die hier ergens woont – hij schildert de omgeving in een straal van twintig mijl, hij maakt levendige, felle schilderijen. Hij neemt bijvoorbeeld een stal die twintig mijl verderop staat en schildert daar een beekje bij dat vlak naast zijn huis loopt en een auto die tien mijl verderop rijdt, en dan schildert hij de lucht zoals hij die op een bepaalde dag gezien heeft en het licht in de bomen zoals dat een andere dag was. En uiteindelijk heeft hij een schilderij samengesteld van iets waarvan je niet kan zeggen dat het in zijn gedachten bestaat. Het is niet zo dat hij willens en wetens begonnen is dat schilderij zo te schilderen… Zo doe ik het min of meer ook.’

Het trof me omdat ik me net zit voor te bereiden op een bezoek aan de tentoonstelling van Hercules Segers in het Rijksmuseum. Koen Kleijn heeft er in De Groene over geschreven. Segers nam in zijn etsen de ene tekening op in de andere. Je ziet bijvoorbeeld een overweldigend landschap met rotsen, een bergpas, en dan een Hollandse molen in het dal en de takelage van een groot zeilschip in de lucht. Hans Faverey schreef er zijn Rotslandschap met scheepstakelage over. Het spectaculairst lijkt me het schilderij van een rivierdal met huizen. Een beangstigend hoge bergwand, een vlakte met een rivier op de achtergrond en op de voorgrond een rijtje huizen uit de Jordaan. Segers zag ze vanaf zijn zolder op de Lindengracht, ze staan aan de Noordermarkt. Hij deed in de zeventiende eeuw hetzelfde als de schilder waar Dylan zich mee verwant voelde. Alle tijden en plaatsen lopen door elkaar, net als bij Faverey in zijn Hommage à Hercules Seghers:

Staande op een rots,

die het begin is

van een berg,

en die zich niettemin

voor mijn ogen

in zee stort,

heb ik soms

zo kunnen verlangen

naar de binnenzee in mij,

dat ik mij haast een zich

verstotende was geworden.