Peter Holvoet-Hanssen, De vliegende monnik

Bob Evers bij de piraten

Peter Holvoet-Hanssen

De vliegende monnik

Prometheus, 202 blz., € 15,-

Holvoet-Hanssens prozadebuut is opgedragen aan «mijn kaperskapiteine» en bevat op de opdrachtpagina de geinige tekst: «Ridders van het Kapersnest, aan tafel — euh, enteren.» De ondertitel luidt Een hersenspinsel en hij begint met een Proloog van de hersenspin, waaronder voor de zekerheid ook nog staat: «H-H. begint te spinnen.» Ik ben nog niet eens aan het boek begonnen en nu staat het zweet al op mijn voorhoofd. Piraten, ja, dat zijn vrijbuiters, dat zijn helden, dat is vrijheid! Over clichés gesproken. Schrijvers zijn piraten, dappere helden, schrijven is enteren, boeken zijn hersenspinsels en schrijver H-H heeft het allemaal bedacht! En dat in de metaforiek en op de toon van het jolige jongensboek (Bob Evers bij de piraten).

Het boek begint met een In Memoriam van ene J. Enterhaeck (1960-2003) waarin via deze naam de afgesleten metaforiek van de kunstenaar als boekanier en kermisexploitant nadrukkelijk verder wordt uitgebouwd (anders snappen wij het niet). Eerste zinnen: «Ik breek mij af, bouw mij op/ Overstag en overkop (dit komt uit een gedicht uit Holvoet-Hanssens eigen bundel Strombolicchio). Potverdikkie, als dit maar geen dadaïsme is; eerst afbreken en dan opbouwen, en dat in één gedicht, alles moet overhoop in de literatuur, overal eigenlijk, ja, in het leven zelf, en de schrijver zal ons de weg wijzen. Ik hoop natuurlijk dat ook ik mag meedoen met deze enorm vrijgevochten kapersclub van de schrijver. Meestal snap ik de dingen best snel, maar misschien kan ik toch nog extra uitleg krijgen, dan wel graag van de directeur zelf. Ik kan er toch op rekenen dat hij een houten been heeft, ringetjes in z’n oren en een zwart lapje voor één oog? Anders snap ik het alweer niet. (Hier moet ik mee stoppen.)

Die Enterhaeck is dus een kermisexploitant en dan staat er: «J. Enterhaeck was een excentrieke kluizenaar die enkel onder de mensen kwam om zijn attracties uit te baten. Zijn handelsmerk: een mix van griezelkitsch en waanzin, de rookmachine op volle toeren.» Kenmerkend voor het proza van Holvoet-Hanssen: eerst een bepaalde metaforiek introduceren, die van de kermis in dit geval, en vervolgens uit angst niet begrepen te worden oeverloos door het hele boek alle clichés expliciteren die hij daarmee werkelijk voor ogen heeft (kermis = rookwolken, spektakel, ontucht, lawaai, onkuisheid). En dan twee zinnen verderop dit: «Schakel de dichter uit, laat hem even het dichten laten. Hier komt proza, al is het niet volgens de geijkte weg.» Niet volgens de geijkte weg? Misverstand nummer zoveel. Alles in dit werk wandelt langs de gebaande paden van het vele proza dat meent zich het te kunnen permitteren ánders, «ongewoon», te moeten zijn. Dit proza komt aanzetten met alle clichés: de verschillende tekstsoorten, de dialogen, de verschillende kleuren papier, de tekeningetjes, de grote woorden, de verwijzingen naar grote schrijvers, de verwijzingen naar domme heiligen, de toespelingen op actualiteiten (anders ben je niet geëngageerd bezig), de verschillende vertellers, de verwijzingen naar eerder eigen werk, de verschillende lettersoorten. Nergens schokkend, ingrijpend, hilarisch, potten brekend. Altijd flauw, jolig, gratuit, ijdel en oersaai. Het punt is niet dat Holvoet-Hanssen een grenzeloos vertrouwen heeft in de metaforiek van de schrijver als piraat, als kermisexploitant en als domme heilige die later erg knap wordt. Je moet doen wat je niet laten kunt. Het gaat erom dat hij veel te veel expliciteert. Hij wil ten koste van alles voorkomen dat wij deze, in mijn ogen afgesleten beelden niet snappen. Hij plaatst zichzelf als schrijver veel te veel op de voorgrond waardoor zijn taal en zijn beelden een veel te uitleggerige context meekrijgen.

Dit boek is een vergissing die voortkomt uit een behoefte van de schrijver niet verkeerd te worden begrepen. Holvoet-Hanssen schreef tot nu toe drie vrijwel overal met veel gejuich binnengehaalde dichtbundels: Dwangbuis van Houdini (1998) Strombolicchio (1999) en Santander (2001). Interessante bundels omdat hij er een ongegeneerde dichtersblik in probeerde te ontwikkelen: associatief, vrolijk citerend uit andermans werk en niet bang voor raadselachtige intermezzo’s en verbanden. Doorgaan zou je zeggen: hard werken en niks laten merken. Maar in dit boek probeert hij zijn gedichten van een theoretisch kader te voorzien en ineens komt hij aanzetten met clichés, zie boven. Voortdurend citeert hij uit eigen werk, voortdurend geeft hij een verantwoording achteraf van zijn gedichten die ze met terugwerkende kracht veel minder interessant maken omdat de metaforiek ervan na zijn eigen uitleg ineens helemaal doodslaat. Dus zo bedoelde hij die gedichten: o, help. Het op zich niet onaardige gedicht De tovenaar komt (het openingsgedicht uit de Houdi ni-bundel) laat hij zelfs een grote rol spelen. Hij citeert het aan de lopende band, zelfs als letteromkering: «tmok raanevot ed». Hij vraagt zich geen moment af of dit binnen zijn boek niet slecht uitpakt, tot cliché wordt: de schrijver als tovenaar. Dit is een mislukt boek en zo erg is dat allemaal niet, volgende keer beter. Erger is dat al deze uitleggerij onbedoeld een jammerlijk licht op zijn eigen dichterlijke oeuvre werpt.