11 februari 1924 - 12 mei 2014

Bob van Amerongen

De half-joodse Bob van Amerongen (achterneef van de voormalige Groene-hoofdredacteur Martin van Amerongen) wist via de verzetsgroep die hij zelf oprichtte zijn vader en tientallen joden uit handen van de Duitsers te houden. Na de oorlog sprak hij daar nauwelijks over.

Eind vorig jaar werd in het Stedelijk Gymnasium in Haarlem een plaquette onthuld van Bob van Amerongen, rector van 1965 tot 1974. Rector Van Amerongen was scherpzinnig, geestig en sterk betrokken bij zowel leerlingen als docenten, zo werd duidelijk uit alle verhalen. De aanleiding vormde een eerdere episode uit zijn leven. Hij bleek een verzetsverleden te hebben, waarover hij op school nooit iets had losgelaten. Dit werd pas bekend in 2013 door de documentaire Fatsoenlijk land, die ik met Sander Snoep had gemaakt, samen met het gelijknamige boek van mijn hand.

Bob van Amerongen, geboren in 1924, groeide op aan de chique Wilhelminalaan in Alkmaar. Zijn ouders waren docent aan het Murmellius Gymnasium: zijn moeder Henriëtte doceerde Nederlands, zijn vader Jules Engels. Bob was een goede leerling. Niets leek een onbezorgde jeugd te kunnen verstoren. Tot de oorlog uitbrak.

De familie Van Amerongen ondervond al snel de consequenties van de Duitse bezetting. De joodse Jules van Amerongen werd eind november 1940 van school gestuurd. Op 21 november van dat jaar werden immers alle joodse ambtenaren, inclusief docenten en hoogleraren, uit hun functies ontheven. Bob verliet uit protest de school. Hij vond de adhesiebetuigingen van de leraren bij het ontslag van de joodse collega’s ondermaats. In de zomer van 1942 begonnen in Amsterdam de deportaties van joden naar de vernietigingskampen, in de winter van 1942-1943 vertrok Jules van Amerongen voor de onderduik naar het zuiden des lands. Steeds meer joodse familieleden, van vaders kant, deden een beroep op Bob. Hoewel hij nog jong was, stond hij spoedig bekend als iemand op wie je kon steunen en vertrouwen. Zo heeft hij ook mijn moeder, haar broer en hun nichtje aan een onderduikadres geholpen.

In september 1943 noteerde hij in zijn dagboek: ‘(…) de pijn die ik bij dit alles gevoel is niet zozeer om deze oorlog, als wel om het weinig verheffende schouwspel dat onze landgenoten bieden. Soms heb ik de neiging om op de straten en muren te kalken dat het oorlog is, en dat wij erin betrokken zijn met al onze kleinere en grotere belangen. Ze weten het niet, ze willen het niet weten. Ze accepteren de capitulatie van nu drie jaar geleden als een vervaagd feit, iets wat nu eenmaal gebeurd is en waaraan en waarna niets meer te doen valt. (…) De strijd is gestaakt en ze vinden het lijdelijke verzet al heel heldhaftig.’

'Soms heb ik de neiging om op de straten en muren te kalken dat het oorlog is'

Vanaf het voorjaar van 1943 gaf Bob van Amerongen (negentien jaar) samen met schoolgenoot Jan Hemelrijk (25 jaar) leiding aan een in Amsterdam gevestigde verzorgingsgroep die later bekend zou worden als de PP-groep. Die naam was ontleend aan de ‘porgel’ en de ‘porulan’, fantasiebeesten in het clandestien verschenen nonsensrijm De Blauwbilgorgel van Cees Buddingh’. Hemelrijk bekwaamde zich in het vervalsen van persoonsbewijzen, Van Amerongen in de meer logistieke en verzorgende kant van de onderduik. Hij zocht naar onderduikadressen, een moeilijke klus, en regelde geld, bonkaarten en spullen. Zijn assistente was Tini Israël, destijds nog verloofd met Karel van het Reve. Met beiden zou hij zijn leven lang bevriend blijven. Aan de vooravond van de hongerwinter werd de Vrije Groepen Amsterdam (vga) opgericht, een federatie van zo’n veertig Amsterdamse groepen, alle gespecialiseerd in de joodse onderduik. Twintig procent van de leden had een joodse achtergrond – waarmee het stereotiepe beeld over joden die zich niet zouden hebben verzet tegen hun noodlot onjuist blijkt. Van Amerongen werd binnen deze organisatie actief en was mede verantwoordelijk voor grote voedseltransporten op schepen uit Friesland.

Na de bevrijding bleef hij wonen aan de Weesperzijde 34, waar aan het einde van de oorlog de vervalsingsafdeling van de PP-groep en de vga waren gevestigd. In dit huis kwam Gerard van het Reve bij Van Amerongen op bezoek om hem hoofdstukken uit zijn roman in wording voor te lezen. Voor De avonden (1947) stond Van Amerongen model voor Viktor Poort. Inmiddels was Van Amerongen een studie klassieke talen begonnen en schreef hij artikelen voor De Vrije Katheder (1945-1950). Als redacteur werd hij door Theun de Vries geweigerd omdat hij niet streng genoeg in de communistische leer was.

Van Amerongen keerde de cpn definitief de rug toe na de antisemitische processen tegen de joodse artsen in de Sovjet-Unie (1953). In dat jaar werd hij docent klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium in Haarlem, waar hij tot 1974 bleef werken. Na het overlijden van zijn stiefzoon Chris (1973) aan de gevolgen van drugsgebruik, nam hij ontslag als rector en wijdde hij zijn verdere werkzame leven aan drugsvoorlichting bij de Federatie Zorginstellingen Alcohol en Drugs.

Op 12 mei overleed Bob van Amerongen op negentigjarige leeftijd in Bergen. Precies een week na 5 mei, de dag waarop zijn zoon Job aan de Keizersgracht 695 een plaquette had onthuld ter herinnering aan de Vrije Groepen Amsterdam. Op zijn drukbezochte crematie in Schagen waren mensen uit alle fases van zijn leven aanwezig. Zowel oud-leerling Job Cohen als zoon Job van Amerongen citeerde zijn woorden: ‘Ik heb voor de deur van mijn huis in de Okeghemstraat een jonge verzetsstrijder doodgeschoten zien worden. Na de oorlog hoorden we over de vernietigingskampen. Zoveel slechtheid in de mensheid was een schokkende ontdekking. Na een dergelijke ervaring kun je twee kanten op. Of je wordt een hemelbestormer of je vervalt in lethargie. Ik wilde geen van beide. Ik ben kleine, haalbare dingen gaan doen.’

Job van Amerongen eindigde met een slotzin uit De avonden: ‘Het is niet onopgemerkt gebleven.’