Bodem

Ik breng een avond door met het schoonmaken van een piratenschip. Het is een zeventig centimeter lang vaartuig dat over duizelingwekkend veel richeltjes en randjes blijkt te beschikken. Ik kocht het tweedehands, van een man die het in een vitrinekast had staan. De zeilen kunnen gelukkig van de masten af, de masten kun je dan handig van het dek af schroeven. Er is een kajuit waarvan je het dak kunt optillen, om te zien dat er twee vervaarlijk ogende piraten, de benen stijf gestrekt vooruit, aan een tafeltje zitten. Gemene grijns, stoppelbaard van stippen. Er is een pietepeuterige olielamp, een verrekijker en een gele papegaai. Morgen zet ik dit schip in de kamer van mijn jongste zoon. Het moet een verrassing zijn.

Ik probeer me voor te stellen hoe ik als kind naar zo’n cadeau gekeken zou hebben, of ik het direct zou hebben aangeraakt of er eerst geïntimideerd omheen zou hebben gelopen. Ik weet niet welke verhalen er in me boven zouden komen drijven. Voor een deel was het allemaal een fysiek proces, denk ik nu: steevast ging ik liggen, bij voorkeur op mijn buik in de kamer (het vloerkleed de zee) en dan gebeurde het eigenlijk vanzelf: de wind bolde de zeilen, de olielamp werd opgetild, de papegaai kraste ‘alle salamanders!’ of iets dergelijks. En ik wist dat ik heerste over leven en dood, dat ik namen kon geven, stormen kon doen opsteken, over water kon lopen. En ik wist niet eens dat ik dat wist, er kwam veel minder weten aan te pas. Nu schiet me een gedicht van Marjoleine de Vos te binnen, dat ‘Kroos’ heet.

De sloot vol kroos en geen geheim

te zien of te vermoeden meer.

Nu lopen op het water kan

echt niet want geen geloof

en wat je ziet bedriegt.

Was dit verschijnsel onbekend

Onder een luik vind ik een schatkist. Ik schud hem leeg op mijn hand

onthullend zou je erdoorheen

de modder in en sterk verrijkt

en wijs eruit, de zwarte grond

gepeild, maar bodemloos.

Spijt dat je rede

boven raadselen verkoos.

Lange tijd was ik argwanend tegenover dichtregels die zo stevig klonken, als spreekwoorden, tegeltjes of weerspreuken. Het leek me gewoonweg niet juist om van poëzie waarheden te maken waarmee je allerlei situaties kon bezweren. Wat je te vaak herhaalt verliest betekenis, dat moest je een dichtregel niet aandoen. Maar de laatste tijd merk ik dat ik ze juist graag even langsloop, in mijn hoofd. De waarheden die ik verzameld heb, bedoel ik. Ze zijn eigenlijk steeds noodzakelijker geworden.

In de buik van het piratenschip, onder een luik, vind ik een schatkist. Ik schud hem leeg op mijn hand, maak de kist schoon, wrijf de goudstukjes en de diamantjes. Het woog allemaal zoveel minder, denk ik. Het nam nauwelijks plaats in beslag. De dingen die we hadden verdwenen in stofzuigerzakken, rolden uit het zicht, raakten zoek tussen vloerplanken of achter plinten. Degelijk speelgoed bestaat voor minstens de helft uit nader in te vullen ruimte. (Tot je zelf zo groot wordt dat je ergens doorheen breekt, het land van de grote mensen in tuimelt en niet terug blijkt te kunnen en de rest van je leven over je eigen teleurstelling probeert heen te komen, maar dat terzijde.) Nu toren ik boven dit piratenschip uit, turend naar stof, met vingers die alleen maar groter en lomper zijn geworden. Ik stoot met mijn pink een minuscuul emmertje van het dek waar een vis uit valt. Op de plek van zijn oog zit een kruisje, zie ik. De vis gaat terug in de emmer, de emmer aan boord. De schatkist weer onder het luik. Het raadsel in de mast. De rede in de kajuit. De papegaai op een schouder.

Uit: Het waait, Van Oorschot, 2008