Bodes, bejaarden en bedienden

Omdat het Haagse publiek dacht dat het Anton Tsjechovs Drie zusters te verwachten had, terwijl in werkelijkheid Peter Eötvös’ op dit toneelstuk gebaseerde, opera Tri sestri was geprogrammeerd, zaten er tóch nog tweehonderd mensen in de zaal.

Na afloop van zo'n gebeuren kan ik het zelden laten om, comfortabel tussen de lakens gelegen, het origineel te herlezen.
Rare typen, die negentiende-eeuwse Russen.
Tsjechovs plattelandsintellectuelen bedoelden het niet slecht, zoals Vladimir Nabokov ooit constateerde. Zij waren oprecht geïnteresseerd in de morele verheffing van de medemens, maar tegelijkertijd waren zij onmachtig hun idealen en principes in daden om te zetten.
Hun personeelspolitiek, bijvoorbeeld, was abominabel. In elk stuk van Tsjechov, ook in de Drie zusters, loopt wel een hoogbejaarde gedienstige rond, die de jongere generatie heeft gebakerd en gezoogd en zich als dank moet laten koeioneren.
‘Je verveelt me, ouwe’, zegt Masja tegen Anifa.
'Hoe durf je te gaan zitten in mijn aanwezigheid! Sta op! Verdwijn!’ roept Natasja tegen dezelfde Anifa.
De oude vrouw beklaagt zich bij de zachtmoedige Olga. 'Ik doe toch niet niks? Ik werk toch? Straks, op een dag als ik niet sterk genoeg meer ben, zegt iedereen: weg jij! En waar moet ik dan naartoe? Waarheen? Ik ben al tachtig jaar, misschien wel eenentachtig!’
De schlemiel onder de schlemielen in toneeldramatische zin is echter de bode, met name de bode in het werk van Tsjechovs collega William Shakespeare. Hij is de telegraafpaal van het pre-telecommunicatieve tijdperk met de opdracht om eerlijk, zonder opsmuk, te vertellen wat er elders in het land is gebeurd. Hij opereerde echter in een tijdperk van willekeur en wispelturigheid, hetgeen zijn werk niet erg aantrekkelijk maakte. Was de teneur van zijn boodschap positief, werd hij met aardse goederen overladen. Viel het gebodene wat tegen, kromde de brenger daarvan zich niet onder het gewicht van het goud, maar onder het geweld van de zweep.
Ik heb eens, door eerlijke socialistische sentimenten daartoe opgezweept, een doortimmerde beschouwing over deze misstand geschreven, geprojecteerd op Antony and Cleopatra, Shakespeares reconstructie van een der meest gepassioneerde liefdesgeschiedenissen aller tijden.
Ook anderszins blijkt Cleopatra, keizerin van Egypte, een hartstochtelijk type. Enter a messenger… De bode bericht zijn meesteres dat haar Antonius, alle dure eden van trouw ten spijt, inmiddels met ene Octavia in het huwelijk is getreden.
Cleopatra slaat de bode eigenhandig tegen de grond. 'De giftigste aller koortsen velle u neder! Afschuw'lijk monster, voort! Met ijz'ren rôe laat ik u gees'len, langzaam u stoven in een zilte loog!’
'Vorstin, het huw'lijk meld ik slechts, ik sloot het niet’, zegt de bode, niet ten onrechte. Exit the messenger…, terwijl ik een paar afkeurende woorden sprak over het capricieuze personeelsbeleid ten hove en voorstelde bij herhaling de steun in te roepen van de vakbond voor overheidspersoneel, het ambtenarengerecht en desnoods de Raad voor de Journalistiek, afdeling Alexandrië.
Een paar dagen na verschijning kreeg ik een brief van Hans Croiset, die zelf, als bode, aan den lijve heeft mogen ondervinden wat het betekent het slachtoffer van de majesteitelijke willekeur te zijn. Het betrof dezelfde Antony and Cleopatra, gespeeld in de gloriedagen van de Nederlandse Comedie, met Ank van der Moer in de rol van de Egyptische keizerin. Het was voor de bode 'een gruwel extra’ een slecht bericht over te moeten brengen: 'De naaldhakken die zij droeg hadden zich tijdens de generales al zo consequent in mijn knieholtes geperst dat het angstige gedrag van mij vrij levensecht overkwam. Na regisseur Lutz verzocht te hebben (want mevrouw Van der Moer was onbereikbaar) de Geesel van de Nijl tot enig menselijker aanpak aan te zetten, hetgeen Lutz niet lukte, was het enige verweer waartoe ik in staat was mijn schaarse teksten achter de manteau uit te spreken, hetgeen tot flinke hilariteit aanleiding gaf op de première. Maar mevrouw Van der Moer - we, mijn leeftijdgenoten en ik, moesten haar in die tijd met mevrouw Van der Moer aanspreken - was erg ongelukkig met de lachreacties op des bodes “Ik slóót dat huwelijk niet…” In de pauze van de tweede voorstelling werd ik gesommeerd om mij in haar kleedkamer te melden. Aankloppen. Een grommend “ja”. Nooit zal ik de zestien B3-flesjes sinaasappelsap vergeten die in slagorde onder haar spiegels stonden opgesteld. Ik telde ze terwijl Cleopatra mij terecht wees: “Die komische werking mag de scène niet hebben!” Mijn “Maar u prikt en schopt zo hard” vermocht haar niet te vermurwen.’
Toen Croiset ongeveer vijftien jaar later zelf het oriëntaalse Shakespeare-drama regisseerde, bedachten de ontwerper en hij een zwembad, midden op het toneel, waarin de bode na zijn boodschap moest worden ondergedompeld. 'Succes verzekerd. Plonzend en spetterend braakte hij naar adem happend de verlossende woorden: “Ik slóót dat huwelijk niet…” - en weer een loeier van een lach!’
De keizerin zou een scène later netjes haar verontschuldigingen aanbieden, wat haar, in haar hoge positie, sierde, en ook Tsjechovs plattelandsintellectuelen hadden eigenlijk het beste met de mensheid voor. Zij waren echter tot in het merg verwend door het feodalisme van hun tijd, waarin een bediende als een wezen van een andere - en in elk geval lagere - orde werd beschouwd. Hoe het ook zij, op een gegeven moment besloot ene Vladimir Iljitsj Lenin dat het nu wel mooi genoeg was geweest en even later werden de machtsverhoudingen in het rijk van Moedertje Rusland grondig gewijzigd.