Body count Afghanistan

De VS lijken in Afghanistan in een bekende val te lopen: onwaarschijnlijk hoge dodentallen onder de vijand hanteren als bewijs van militair succes. Experts twijfelen aan de cijfers. En waarschuwen dat de oorlog veel van het doorzettingsvermogen van de westerse landen zal vergen.

AMSTERDAM – 2006 is een zwaar jaar voor de westerse coalitie in Afghanistan. Van het begin van de oorlog tegen de Taliban in 2001 tot dit jaar stierven er 324 westerse soldaten, oftewel 65 per jaar. In 2006 waren dat er tot nu toe al 119. Toch kunnen de Taliban moeilijk claimen dat het ze voor de wind gaat, stelde de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld in juli, een maand na de aanvang van de militaire operatie Mountain Thrust. «Gezien het aantal terroristen dat gedood wordt, kunnen ze moeilijk volhouden dat de coalitie aan het verliezen is», stelde hij.

En dat aantal lag hoog. De afgelopen maanden bereikten voortdurend berichten de media over tientallen Taliban die bij acties van Amerikaanse, Navo- of Afghaanse troepen het leven lieten. De berichten komen uit allerhande bronnen: de Amerikaanse, Britse, Nederlandse, Canadese en Australische ministeries van Defensie, het gezamenlijke commandocentrum van de westerse legers in Afghanistan en het Amerikaanse commandocentrum Centcom, maar ook de Afghaanse regering, provinciebesturen, lokale waarnemers en gouverneurs.

Een inventarisatie van Nederlandse, buitenlandse en online media leert dat de Taliban volgens berichtgeving de afgelopen maanden gemiddeld een dozijn man per dag verloren. Een optelsom van de gemelde slachtoffers bracht het persbureau afp tot de constatering, eind juli, dat Operatie Mountain Thrust sinds de aanvang op 10 juni ruim zeshonderd Taliban het leven had gekost in zes weken tijd. Een paar dagen later kwam Centcom, het Amerikaanse commandocentrum voor de gigantische landmassa die van Kenia via het Midden-Oosten tot aan China loopt, met de mededeling dat in de operatie meer dan 1100 vijandelijke strijders waren gedood, gewond geraakt of gevangen genomen.

Die mededeling was verrassend, want het bijhouden van een body count van vijandelijke troepen is iets wat de Amerikaanse strijdkrachten hebben afgezworen na de oorlog in Vietnam. Toen bestonden de dagelijkse persconferenties gedurende vrijwel de hele oorlog uit berichten dat de vijand tientallen of honderden soldaten – nooit een schatting, altijd een exact getal – had verloren in bepaalde sectoren van het slagveld. De succesberichten kregen in de loop van de oorlog een steeds hollere klank, tot de term body count uiteindelijk model zou komen te staan voor een gebrek aan realisme bij de legerleiding of eerlijkheid van de strijdkrachten tegenover de eigen bevolking.

Bij de campagnes in Irak en Afghanistan houden de Amerikaanse strijdkrachten daarom geen officiële body count bij van vijandelijke soldaten – ook niet van de eigen soldaten, al deden verschillende media dat wel. Maar in oorlogen die langer duren en meer slachtoffers eisen dan algemeen in de VS werd verwacht, is de verleiding begrijpelijk om positief nieuws aan te grijpen of uit te vergroten. Daarom ook Rumsfelds opmerking over de gedode tegenstanders.

Het wijzen op dergelijke successen kent echter ook een gevaar: de hoge aantallen gedode tegenstanders komen uit eigen koker en kunnen daarom scepsis oproepen. Het risico daarop is in Afghanistan nog weer groter aangezien de Amerikaanse schattingen vaak significant hoger liggen dan die van lokale functionarissen. Zo’n verschil leidde al eens tot mediaophef in de VS toen het ministerie van Defensie in 2002 claimde bij Operatie Anaconda honderden, mogelijk bijna duizend, Taliban te hebben gedood in de slag bij Shahi Kot, waarna een hoge Afghaanse defensiefunctionaris meldde dat bijna alle Taliban over de bergrug naar Pakistan waren ontkomen. Nog steeds zijn zulke verschillen in de media te lezen, zoals eerder deze maand in NRC Handelsblad: «In het district Grishk zijn vandaag […] 25 extremisten gedood, aldus een verklaring van de door de VS geleide operatie Enduring Freedom. De lokale politiechef hield het op negen doden en veertien gewonden.»

In mediaberichten over Afghanistan valt ook vaak op dat de Taliban zo weinig schade weten aan te richten in verhouding tot hun eigen verliezen. Bijna dagelijks bereiken ons berichten zoals deze bbc-melding van vorige week: «Door de VS geleide troepen in Afghanistan zeggen vijftien opstandelingen te hebben gedood die trachtten hun basis aan te vallen in het oosten van het land. Ze meldden dat twee Amerikaanse soldaten gewond raakten bij de aanval in de provincie Noeristan.»

En ten slotte vallen ook de slagveldbeschrijvingen op. Die zijn soms erg uitgebreid, zoals die van een vijf uur durende veldslag op 20 augustus in de provincie Kandahar, waarbij «massa’s Taliban» vanuit drie richtingen een stadje aanvielen en daar met Afghaanse en Navo-troepen vochten. Het Amerikaanse ministerie van Defensie «kon slechts bevestigen dat zestig lichamen [van Taliban] waren gevonden», terwijl het districtshoofd het op 71 hield. Het bericht meldde de dood van een Afghaanse soldaat en vier politiemannen, terwijl de westerse soldaten ongedeerd bleven.

Dergelijke berichten plus de hoge dodentallen trokken in juli de aandacht, waarop sommige media in de VS spraken over de mogelijkheid van overdrijving. Een artikel van de Amerikaanse tak van persbureau afp beschreef het verschijnsel van «big showing» als iets onvermijdelijks in oorlog en vergeleek de Amerikaanse cijfers met die van de Russen tijdens de jaren tachtig, die toen naar eigen zeggen vijftienduizend man verloren tegen honderdduizenden van de vijand.

Zulke artikelen roepen – zelfs zonder van het gevreesde V-woord te reppen – diepe woede op bij Amerikaanse militairen, getuige bijvoorbeeld de commentaren op patriottische en militaire weblogs. Voor het thuisfront zijn de verhalen over Taliban die telkens tientallen mannen verliezen met vruchteloze aanvallen op westerse bases soms moeilijk te rijmen met de – zij het sporadische – berichten die juist een compleet ander beeld oproepen: over toenemende activiteit van de Taliban, over groeiend bereik van Taliban-troepen, over toenemende omvang van Taliban-eenheden of over Britse troepen die «op de rand van de uitputting» zouden verkeren na bijna dagelijkse gevechten.

Toch is die schijnbare tegenstelling – Taliban die bij bosjes sterven en toch een groeiend militair gevaar vormen – in werkelijkheid mogelijk, zegt kolonel Christopher Langton, hoofd van de afdeling voor militaire analyse van het Britse International Institute of Strategic Studies. «De Taliban waren in het verleden altijd bereid zware verliezen te lijden om hun doelen te bereiken en dat zijn ze nog steeds», stelt hij: «Het is deel van hun strijdcultuur, hun mentaliteit, hun geschiedenis.»

Evenwel komen de dodentallen ook Langton wel erg hoog voor. «Het lijkt alsof die niet accuraat zijn», zegt hij. «Het zijn schattingen die in de hitte van het gevecht worden gemaakt en vaak van beschietingen met zwaar geschut op afstand. Om dan achteraf van afstand een juiste schatting te maken van vijandelijke verliezen lijkt me erg moeilijk.»

Maar wat Langton belangrijker vindt dan dat de cijfers overdreven worden, is dat de discussie door onwaarschijnlijk klinkende cijfers en verslagen de verkeerde kant op wordt getrokken. Langton: «Het belangrijkste aan dodentallen is dat ze er niet toe doen. Het aantal gedode Taliban interesseert de Taliban niet, de cijfers betekenen enkel iets in het Westen. Maar dodentallen zijn de verkeerde standaard van succes. Wat ertoe doet, is of Taliban-activiteit op termijn afneemt, iets anders niet.»

Rob de Wijk, hoofd van de afdeling veiligheid en conflict van Clingendael, heeft dezelfde twijfels als Langton: «De hoge dodentallen en gevechtsbeschrijvingen waren mij de afgelopen weken ook opgevallen. En ik vroeg me inderdaad af: waarom steeds die aanvallen door Taliban als ze steeds zo veel man verliezen?» Toch lijken de hoge dodentallen in Afghanistan hem niet onmogelijk. De Wijk: «Het is alleen de vraag of dat allemaal Taliban betreft: die zijn niet zomaar te onderscheiden van andere Afghanen.» Aan de algemene teneur van de berichtgeving twijfelt hij niet: «De westerse troepen in Afghanistan zijn de afgelopen jaren veel beter geworden in het opsporen en doden van Taliban-strijders. Tegelijk krijg ik ook de indruk dat er aan Taliban-zijde veel incompetentie is.»

Net als Langton meent De Wijk dat dodentallen weinig zeggen over militair succes – «Mao en de Noord-Vietnamezen leden ook onvoorstelbare verliezen, maar wonnen toch» – en dat het claimen van successen afleidt van de hoofdzaak: de trage progressie op lange termijn. «Een oorlog tegen een guerrillaleger win je nooit met militaire middelen», zegt De Wijk. «Je hebt de steun van de bevolking nodig, om inlichtingen over waar de vijand zit, waar je moet vrezen voor een aanval, enzovoort. En de bevolking in Uruzgan, het hartland van de Taliban, is ontzettend antiwesters. De Amerikanen hebben daar met hun optreden in de laatste jaren niets aan verbeterd. Daarom is het werk van opbouwmissies als de Nederlandse zo belangrijk: om in het spoor van militaire campagnes direct iets aan de bevolking te geven waarmee je ze aan je kant kunt krijgen. Maar dat kost tijd. Vijf jaar, vijftien jaar, het valt niet te voorspellen.»

Voor analisten als Langton en De Wijk is het gemakkelijker te spreken over de lange termijn dan voor politici. De laatsten worden afgerekend op succes en claimen het dan ook liever snel. Maar dat opent een voor de hand liggende val, en wat Afghanistan betreft liep Donald Rumsfeld daar al eens in. «The Taliban are gone. The al-Qaeda are gone», zei hij in december 2002. Aan die woorden werd hij regelmatig herinnerd toen hij in juli beloofde dat de Taliban zullen worden verslagen – net als bijna vijf jaar geleden.

Ondanks die en andere waarschuwingen dat het riskant is om te vroeg victorie te blazen – het beruchtste voorbeeld daarvan is natuurlijk George W. Bush’ triomfantelijke verklaring in 2003 aan boord van het vliegdekschip Abraham Lincoln dat de zware gevechten in Irak voorbij waren – spreken politieke en militaire kopstukken in de VS steeds vaker over de strijd in Afghanistan als een op zijn eind lopende campagne. Zo prefereert Navo-opperbevelhebber generaal James Jones als hij over de Taliban spreekt synoniemen als «desperate elements».

Het risico van zo’n benadering is dat het publiek in de VS en in andere Navo-landen na verloop van tijd meewarig wordt: waarom na jaren nog steeds oorlog als het al zo lang fantastisch ging? De neerbuigende termen suggereren, net als voortdurende meldingen van hoge dodentallen bij de vijand, dat de oorlog een eindspel betreft, het opruimen van resten wanhopige tegenstanders. Maar dat is absoluut niet het geval, stelt de Britse majoor Toby Jackman van het perscentrum van de internationale strijdmacht Isaf in Kaboel: «Ik sta er elke keer weer versteld van hoe ingewikkeld en lastig dit conflict is.»

Jackman trekt de door de VS genoemde aantallen gedode Taliban niet in twijfel, maar lijkt niet gelukkig met de discussie over die cijfers. «We zijn niet speciaal geïnteresseerd in body count», zegt hij. «Het zijn nauwelijks vast te stellen cijfers, vanwege de gevechten op afstand en omdat de Taliban methodisch zijn in het meenemen van hun doden. We willen niet dat het westerse publiek naar Afghanistan kijkt om te zien hoeveel doden er steeds vallen, maar dat het beseft dat we alleen met heel kleine stapjes vooruitgang zullen boeken en daarin hun regeringen steunt. De westerse visie is: we zetten ons vol in, dan willen we ook direct resultaat. Maar als we te veel willen, struikelen we. We zullen hier veel tijd nodig hebben.» l