Viktor Orbáns illiberale staat

Boedapest als broedplaats

In Hongarije vinden radicaal-rechtse nationalistische denkers hun toevluchtsoord. Het land wordt gezien als ‘een interessant experiment’ omdat het ruimte biedt aan de ‘opleving van bepaalde traditionele waarden en denkgoed’. Premier Viktor Orbán geldt als inspirerend voorbeeld.

© foto Akos Stiller / The New York Times/ ANP

Elders wordt hij bekritiseerd, krijgt hij het verwijt dat hij de Hongaarse rechtsstaat ondermijnt en de democratie fataal beschadigd heeft. Maar in een rijk gedecoreerde zaal in Rome wordt Viktor Orbán toegejuicht.

Onder enorme kroonluchters, gezeten op roodfluwelen stoelen, confereert een illuster gezelschap van conservatieve en nationaal-populistische politici en intellectuelen in februari dit jaar twee dagen lang over ‘God, Eer & Vaderland’. De Italiaan Matteo Salvini had te elfder ure afgezegd, maar Marion Maréchal, kleindochter van Jean-Marie Le Pen en gedroomd presidentskandidaat van Frans radicaal-rechts, is er wel. Ook Forum-leider Thierry Baudet zit in de zaal. De toonzetting is er een van miskenning, slachtofferschap en overal loerend gevaar. Als dat niet kwam van de EU of niet-westerse immigratie, dan wel van de ‘globalistische ideologie’ of het relativisme dat volgens diverse sprekers tot in de haarvaten van de samenleving is doorgedrongen.

De Israëliër Yoram Hazony, voormalig adviseur van Benjamin Netanyahu, trapt af. Twee jaar geleden publiceerde hij The Virtue of Nationalism en sindsdien maakt hij furore in nationaal-populistische kringen. In het boek polemiseert hij tegen het Verlichtingsdenken waaruit de liberale democratie voortkwam en wat hij ziet als haar centrale aanname: de notie dat individuele rechten zwaarder tellen dan de eisen van het collectief. Volgens Hazony zijn mensen echter niet primair individuen, maar eerst en vooral leden van een groep: een familie, een stam, een religieuze gemeenschap. De loyaliteit die de leden voor elkaar voelen ziet hij als het fundament van de politieke orde. Idealiter bestaat deze uit met elkaar samenwerkende natiestaten, maar het liberalisme, met zijn universalistische pretenties, heeft deze orde ondergraven. In Rome hekelt Hazony ‘het imperium van Verlichtingsrationalisten’ dat zich niet bekommert om de natie of familiewaarden.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Marijn Kruk over Viktor Orbán als inspirator voor dwarse nationalistische denkers. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Veel bijval is er ook voor de Pool Ryszard Legutko, ooit de huisfilosoof van protestbeweging Solidarnosc, maar nu alweer jaren Europarlementariër voor de ultra-conservatieve Recht en Rechtvaardigheidspartij (PiS). In 2016 publiceerde hij The Demon of Democracy, waarin hij liberalisme en communisme beschouwt als twee zijden van de dezelfde totalitaire medaille. Nu stelt hij vooral de ‘geest van wetteloosheid’ die de EU volgens hem karakteriseert aan de kaak, waarin zelfs verdragen niet langer zouden tellen. Een ‘nieuwe vorm van despotisme’ is in de maak. Zoals wel meer ideologen van de ‘nationaal-conservatieve’ beweging verwijst hij naar de negentiende-eeuwse Franse denker Alexis de Tocqueville, in dit geval naar diens notie van een ‘zacht despotisme’, typisch voor de moderne democratie.

Maar het is Viktor Orbán die de show steelt. De Hongaarse premier krijgt een staande ovatie wanneer hij het podium beklimt. Hem wordt verweten ‘populistisch’ te zijn, begint hij, maar wat betekent dat, ‘populistisch’? Orbán zegt dat hem geleerd is dat dit leiders zijn die iets beloven maar dat vervolgens niet doen. Maar hij doet juist wél wat hij had gezegd. Van liberale elites kon dat niet worden gezegd. Die hadden niet één, maar zelfs twee keer gefaald. In 2008, tijdens de kredietcrisis, toen ze niet in staat bleken om hun economieën te beschermen tegen excessen van de financiële wereld. En in 2015, tijdens de immigratiecrisis, toen regeringen er niet in slaagden hun grenzen te bewaken en daarmee hun eigen bevolking te beschermen.

Op de beelden oogt Orbán kalm en zelfverzekerd. Hij spreekt losjes, voor de vuist weg. Ja, dat was het gevaar: dat de moslimgemeenschappen zouden groeien en het aantal christenen zou dalen. Progressieven zien hier het gevaar niet van in. Zij geven immers niet om christenen en nationale identiteit. ‘Mogelijk zullen die samenlevingen gelukkiger zijn, maar wij willen dat risico niet lopen.’ Orbán heft zijn hand en vormt met zijn duim en wijsvinger een rondje. ‘Wij hebben geen moslimimmigranten in Hongarije. Nul.’ Daverend applaus nu vanuit de zaal.

Het warme bad dat Orbán in Rome ten deel viel, contrasteert met de stroom zorgwekkende berichten die ons nu al jaren uit Hongarije bereikt. Die begon niet lang nadat Fidesz, Orbáns partij, in 2010 een electorale monsterzege behaalde. Via een herschikking van de kiesdistricten zou Fidesz haar macht willen veiligstellen. Er komt een ingrijpende grondwetswijziging die regelt dat rechters van het constitutionele hof voortaan door het parlement zullen worden voorgedragen in plaats van door een commissie waarin alle partijen zitting hebben. Op sleutelposten in het ambtelijk apparaat, de publieke omroep en in de academische wereld worden getrouwen van Orbán neergezet. Al in 2012 concludeert de bekende Duitse politicoloog Jan-Werner Müller dat Orbán een sterk gecentraliseerde, deels onvrije democratie aan het optuigen is. Deze ondermijnt op systematische wijze het stelsel van checks and balances en maakt het zeer waarschijnlijk dat de partij verkiezingen zal blijven winnen. ‘De vergelijking met Poetins “geleide democratie” is onontkoombaar’, aldus Müller.

Ondertussen nemen vrienden van Orbán grote mediabedrijven over en bemoeien ze zich nadrukkelijk met de inhoudelijke koers – zoals deze zomer nog met Index, de grootste Hongaarse nieuwssite. De hoofdredactie werd ontslagen, waarop een groot deel van de redactie uit protest het werk neerlegt. Steeds vaker komen er beschuldigingen van vriendjespolitiek en corruptie. In 2018 onderschrijft een tweederdemeerderheid van het Europees Parlement de conclusies van het onderzoek van de Nederlandse Europarlementariër Judith Sargentini, die spreekt van een ‘systematische uitholling’ van de Hongaarse rechtsstaat. De stemming resulteert in de lancering van een artikel 7-procedure, waarbij het land zijn stemrecht in de Europese ministerraden verliest.

In mei dit jaar concludeert Freedom House, een invloedrijke Amerikaanse ngo, dat Hongarije niet langer een democratie is, maar functioneert als een ‘hybride regime’, iets tussen een democratie en een autocratie in. De coronacrisis woedt op dat moment volop en het Hongaarse parlement geeft Orbán de bevoegdheid om voor onbepaalde tijd per decreet te regeren – een daad die in Europa opnieuw veel wenkbrauwen doet fronsen. Dit is Orbáns ‘Reichstagmoment’, zo klinkt het, de laatste stap tot de vestiging van een dictatuur. Dat is voorbarig. In juni trekt het parlement de noodtoestand ook weer in. Maar het verandert weinig aan Orbáns reputatie als sluipmoordenaar van de Europese rechtsorde.

De zorgen en verontwaardiging hierover zijn begrijpelijk. Maar het is belangrijk het daar niet bij te laten. Want nog altijd geniet Orbán een enorme populariteit, in Hongarije, en ook daarbuiten, in West-Europa en de Verenigde Staten. Voor veel meer mensen dan we geneigd zijn te denken geldt hij daar als inspirator, zoals bleek tijdens de conferentie in Rome. Wie deze aantrekkingskracht wil begrijpen moet zich verdiepen in Orbáns wereldbeeld. Het blijkt niet alleen verrassend coherent; het articuleert tevens de diepe zorgen van zowel conservatieven als radicaal-rechts omtrent het voortbestaan van de westerse beschaving zoals we die kennen. Het maakt Orbán tot een centrale spil in de Europese cultuurstrijd.

Orbáns populariteit is niet van vandaag of gisteren. Steve Bannon, de voormalige zakenman, campagneleider en kortstondig chief strategist van president Trump, noemde hem ‘Trump before Trump’. Tijdens een van de bezoeken die Baudet afgelopen jaren aan Boedapest bracht noemde hij Orbán een ‘held’. Deze zomer nog post pvv-leider Geert Wilders een selfie met Orbán op Twitter, genomen op het balkon van Orbáns werkpaleis met uitzicht over de Donau. ‘Geweldige politicus’, schrijft hij erbij. En in een vervolgtweet dat Nederland ‘op veel punten veel kon leren’ van Hongarije. Baudet en Wilders zijn niet de enigen. Nigel Farage, Marine Le Pen, Matteo Salvini… Vanuit heel Europa kijken radicaal-rechtse politici bewonderend in de richting van Hongarije.

Op het oog is dat vreemd, want wat stelt Hongarije nu helemaal voor? Het heeft een bevolking die kleiner is dan die van België, de economie is nog geen zesde van de Nederlandse. Het is landlocked en heeft nauwelijks natuurlijke hulpbronnen. In militair opzicht heeft Hongarije al helemaal niets te betekenen. De aantrekkingskracht ligt elders. Om te beginnen bij Orbáns compromisloze opstelling tijdens de vluchtelingencrisis van 2015 en zijn rebelse houding tegenover de Europese Commissie. Zo vertikt hij het om zich aan het in Brussel opgestelde vluchtelingenquotum te houden. Hiermee geldt hij als een voorbeeld voor rechts-nationalistische partijen, clubs en opiniemakers in het Westen. Niet-westerse immigratie zien zij, zo niet als een bedreiging voor de etnische homogeniteit dan toch zeker voor wat zij beschouwen als de Europese identiteit. De EU wordt voorgesteld als een project dat uit is op de vernietiging van de natiestaat. Orbán verkeert als premier in de gelukkige omstandigheden zich daartegen in het geweer te stellen. Maar misschien nog wel belangrijker: Hongarije is een klein land, maar met een groot idee: de ‘illiberale democratie’.

Orbán: ‘Populistisch, ik?’ Dat zijn leiders die iets beloven maar dat vervolgens niet doen, meent hij. Hij doet juist wél wat hij had gezegd

In 2014 bedient Orbán zich voor het eerst van de term en zorgt daarmee voor nogal wat ophef. Was een ‘illiberale democratie’ immers niet de antithese van de liberale democratie, die pluralisme en individuele vrijheden garandeert? Daar komt bij dat Orbán wijst op Turkije, Rusland en China als inspirerende voorbeelden, als landen die lieten zien dat je ook succesvol kon zijn zonder de ‘dogma’s en ideologieën van het Westen’. Volgens John O’Sullivan, medeorganisator van de conferentie in Rome, was er vanaf het begin al sprake van een misverstand. ‘Direct na de speech schreef ik in de National Enquirer dat dit Orbán zou aankleven op dezelfde manier als de frase “there is no such thing as society” dat bij Margaret Thatcher deed.’

Ik spreek O’Sullivan, inmiddels diep in de zeventig, tijdens een lunch in Boedapest, op een steenworp afstand van het imposante parlementsgebouw. Hij is een spil in de zich nationaal-conservatief noemende beweging die zich in Rome verzamelde. Hij was jarenlang adviseur van Thatcher en redigeerde haar mémoires. Later werkte hij als journalist en als uitgever. Uiteindelijk strijkt hij neer in Boedapest, waar hij het Danube-instituut runt, een denktank die via een stichting wordt medegefinancierd door de Hongaarse regering. ‘Niet lang na die speech kwam ik Orbán tegen bij een diner’, vervolgt O’Sullivan. ‘Ik zei hem, met klem: “Maar je bent toch niet tegen de liberale democratie?” En Orbán zei: “Jawel, jawel, daar ben ik tegen.” Toen zei ik: “Volgens mij bedoel je dat je tegen de democratische liberalen bent”, en hij knikte en zei: “Jaja, dáár ben ik tegen.” En later gaf hij een interview waarin hij het op deze manier verwoordde. Hij zei: “Illiberale democratie betekent een democratie die soms politici aan de macht brengt die geen liberalen zijn”, dus hij is niet tegen de liberale democratie als zodanig.’

Grenshek tussen Hongarije en Servië bij Gara © Rafal Milach / Magnum / ANP

Helemaal geruststellend is het niet. Vooral niet omdat Orbán wat wij in het Westen onder liberale democratie verstaan overal met voeten lijkt te treden. In latere redevoeringen gaf hij de notie van ‘illiberale democratie’ verder gestalte. Tot en met een pleidooi voor een ‘illiberale staat’, te beginnen in Hongarije zelf. Daarmee verwordt het land tot de territorialisering van een ideaal.

Het is werk in uitvoering, beaamt de conservatieve filosoof András Lanczi. ‘Orbán is op een intellectuele reis. Daar is niets geheims aan. Hij is bezig een toekomst uit te houwen voor zijn land, en voor de westerse beschaving.’ Lanczi is rector van de Corvinus-universiteit in Boedapest en een belangrijke gesprekspartner van Orbán (‘ik ben niet zijn ideoloog, Orbán is zijn eigen ideoloog’). We zitten in zijn kantoor aan de Donau. Aan de overkant van het water doemt het majestueuze hotel Gellért op uit de mist. Het figureerde in The Grand Budapest Hotel, de film van Wes Anderson.

Orbán wil een alternatief bieden voor een – in zijn ogen – doorgeschoten liberalisme dat het Westen decadent gemaakt heeft. Dit Westen weet niet langer wie het is, laat staan dat het voor zichzelf opkomt. Dat maakt het kwetsbaar voor hen die zo’n collectief zelfbewustzijn nog wél zouden hebben: moslims, en met name ‘young men of fighting age’. Het biedt ook inzicht in de drijfveren van radicaal-rechtse bewegingen in het Westen. De stuwende kracht daarachter is niet primair een haat tegen de islam, maar het beangstigende besef van de eigen zwakte en kwetsbaarheid.

Over de oorzaak van het verval van het Westen bestaat in die kringen een vrij brede consensus: de revolte van 1968 en de generatie journalisten, academici en kunstenaars die zich vervolgens van het publieke debat meester wist te maken. In een land als Frankrijk voert rechts al veel langer een kruistocht tegen ‘de erfenis van ’68’. Naarmate het links-liberalisme, de open grenzen, de globalisering onder vuur zijn komen te liggen, krijgt deze snel momentum. Lanczi vertelt me dat Orbán zich in kleine kring een old liberal noemt. ‘Dat is wat negentiende-eeuwse denkers als Tocqueville en Constant onder liberalisme verstonden’, zegt hij. ‘Als je twijfels hebt over de moderne idee van rechten sta je onherroepelijk ook kritisch tegenover wat tegenwoordig voor “liberaal” doorgaat.’

West-Europa zou ten prooi gevallen zijn aan relativisme, multiculturalisme, feminisme, antiracisme – in radicaal-rechtse kringen teruggebracht tot één enkel woord: cultuurmarxisme. Niet alleen de gemeenschapszin, maar de notie van autoriteit zelf is daarmee ondermijnd geraakt. We weten niet meer wat goed is of kwaad, wat mooi is of lelijk, wat waar is of vals. ‘West-Europa heeft zijn christelijk-joodse identiteit weggecijferd ten behoeve van nieuwkomers’, schreef Derk Jan Eppink, tegenwoordig Europarlementariër voor Forum voor Democratie, in 2015 in zijn column in de Volkskrant. ‘Die komen in een geestelijke leegte en planten hun eigen waarden. West-Europese politici planten slechts windmolens.’ Kortom: het voortbestaan van de Europese beschaving staat op het spel. Van binnenuit, door een verderfelijke linkse ideologie; van buitenaf door hordes niet-westerse migranten. En alles onder toeziend oog van ‘Brussel’.

Orbán heeft zich opgeworpen om dit noodlot af te wenden. Dit maakt hem tot een lichtend baken, een inspirerend voorbeeld. De titel van een special die het Franse weekblad L’Incorrect twee jaar geleden maakte, spreekt boekdelen: Le soleil se lève à l’Est: de zon gaat op in het oosten. L’Incorrect werd opgericht door Jacques de Guillebon. Qua uitstraling heeft het de bestudeerde nonchalance van een hipstertijdschrift. Maar De Guillebon pleit voor de restauratie van de absolutistische monarchie en zorgde eerder voor ophef met felle homofobe uitspraken. Voor de special had De Guillebon medewerkers naar Polen en Hongarije gestuurd.

Toen ik hem daar vorig jaar op een Parijs’ terras naar vroeg, toonde hij zich bewust van de ironie. Ooit waren het immers linkse fellow travellers die naar het Oosten trokken om te berichten over de communistische revolutie. Nu gingen rechtse fellow travellers richting het Oosten, deze keer om verslag te doen van de contrarevolutie in Polen en Hongarije. Het leverde drie producties op: een gloedvolle reportage vanuit Boedapest (‘Hongarije is geenszins de angstaanjagende dictatuur die westerse media ervan maken’), een essay over de vier landen van de Visegrad-groep (‘waar de strijd tegen de islam en vooruitgangsdenken en de terugkeer van het christendom in het publieke domein hand in hand gaan’) en een interview met Zsolt Bayer, een grofgebekte televisiepresentator en jeugdvriend van Orbán, wiens antisemitisme tot in de VS is veroordeeld.

In de marge van de presentatie van de Hongaarse vertaling van zijn boek De aanval op de natiestaat ging Thierry Baudet in 2016 een kijkje nemen bij de Hongaars-Servische grens. Daar was eind 2015 zware bewaking opgetuigd, overigens pas nadat het gros van de migranten gepasseerd was. Bij omroep PowNed toonde Baudet de gemilitariseerde grens met honden, rollen prikkeldraad en hittecamera’s en stelde hij voor de Nederlands-Duitse grens op identieke wijze in te richten. Dit omdat de Duitsers zouden lijden aan het ‘superioriteitscomplex van het doorgeslagen humanitarisme’ en ze ‘de hele wereld binnen wilden halen’. Toen Baudet later op de radio werd gevraagd naar de beknotting van de persvrijheid en de trias politica in Hongarije, antwoordde hij dat hij ‘niet wist waarom hij daar iets over moest zeggen’.

Daarnaast zijn er ook bewonderaars die zich permanent willen warmen aan het contrarevolutionaire vuur en besloten om naar Hongarije te verhuizen. Zo groeide Boedapest afgelopen jaren uit tot een pleisterplaats van buitenlandse publicisten, uitgevers en ideologen. John O’Sullivan heeft er zijn Danube-instituut. Maar ik sprak er tevens met Fransen, Zweden en ook Nederlanders. Sommigen zijn katholiek-conservatief, zoals O’Sullivan, anderen overtuigd rechts-identitair, en weer anderen zelfs onomwonden etno-nationalistisch. Geen van hen munt uit in kritiek op hun gastheer, of het zou moeten zijn dat hij niet radicaal genoeg is.

‘Orbán blijft een politicus, een pragmaticus die van twee walletjes eet’, zegt Alexander Wolfheze. ‘Hij maakt geen échte offers voor zijn volk.’ Deze Nederlander maakte in kleine kring naam met een serie artikelen op de website van Erkenbrand, getiteld Höllensturm, later uitgewerkt tot een boek, Alba Rosa. Erkenbrand is een wat op de achtergrond geraakte ‘studiegroep’ die zegt te strijden voor het ‘behoud van het blanke ras’. Het was Erkenbrand die in 2017 de Amerikaanse white supremacist Jared Taylor naar Nederland haalde. In het Ambassade Hotel te Amsterdam dineerde Baudet bij die gelegenheid uitvoerig met hem. Alba Rosa is een traktaat van een grote eruditie, maar ook van een verstrekkende radicaliteit. In feite is het een uitgebreide versie van de beruchte Uil-van-Minerva-speech van Baudet, on steroids.

‘Voor onze traditionalistische beweging is het in Boedapest minder riskant elkaar te treffen en in het openbaar op te treden’

Wolfheze beklaagt zich over ‘de postmoderne cultuurnihilistische, globalistische en vijandige’ elite, die de poorten van het Avondland zou hebben opengezet, waardoor ‘etnische vervanging’ dreigt. ‘Overblijfselen van de Europese volkeren’ worden onderworpen aan ‘sadomasochistische vivisectie’. Wolfheze ontwaart ‘milieucatastrofe, neoliberale shock therapy, massa-immigratie, inheemse armoedeval en sociale implosie’. Ondertussen worden ‘West-Europese meisjes beschikbaar gesteld via de mechanismes van de datingsite, de sexindustrie en de grooming gang’. Burgers zijn omgetoverd tot hyperconsumenten; westerse kennis en cultuur worden opgeheven. En zo nadert de westerse mensheid het ‘terminale stadium van een decennialang degeneratieproces’. Het begin van een oplossing ziet Wolfheze in een ‘boreale alliantie’ tussen Europa, Rusland en de Verenigde Staten.

Wolfheze (geboren als Merijn Gantzert) studeerde semitische talen en culturen in Leiden en promoveerde daar in 2011 cum laude. Hij plaatst zich nadrukkelijk in de denktrant van het traditionalisme van de Fransman René Guénon (1886-1951) en voelt zich verwant met de Rus Aleksandr Doegin, theoreticus van het Eurazianisme. Hij is getrouwd met een nazaat van een achttiende-eeuwse Perzische vorst en bekeerde zich tot de sjiitische islam, die, zo benadrukt hij, ‘sterk afwijkt’ van de in Arabische wereld dominante soennitische islam. Wolfheze mag graag wijzen op de ‘arische elementen’ die er via de Perzische cultuur in zouden doorwerken.

Wolfheze had zich in 2010 – het jaar van Orbáns grote verkiezingsoverwinning – in Boedapest gevestigd. Ook Arktos, Wolfheze’s uitgever en ’s werelds grootste distributeur van uiterst rechtse literatuur, verhuisde naar Boedapest. ‘Boedapest is een vestigingsplaats voor een heleboel doeleinden’, zegt Wolfheze wanneer ik hem spreek via een videoverbinding vanaf een locatie in Griekenland, waar hij sinds kort resideert. ‘Het is een hotspot.’

Wolfheze, een laatveertiger, oogt gesoigneerd, met een grijs colbert en een rode choker. ‘Voor onze beweging is het in Boedapest minder riskant elkaar te treffen en in het openbaar op te treden’, zegt hij. Hij beschouwt Hongarije als ‘een interessant experiment’ omdat het ruimte biedt aan de ‘opleving van bepaalde traditionele waarden en denkgoed’. Boedapest noemt hij een ‘broedplaats’. Orbán noemt hij iemand die ‘nieuwe dingen’ probeert te doen. Hij denkt dat de toekomst van Hongarije nog meer richting etno-nationalisme zal gaan dan we nu met Orbán zien. Het is een ‘overgangsfase’, althans, dat hoopt hij. Want tegelijk zijn de grenzen van wat mogelijk is duidelijk. ‘Er is maar één test’, zegt Wolfheze, ‘stap uit de EU, ga uit Schengen, maar dat zal Orbán niet doen.’

Landbouwvelden aan de Kroatisch-­Hongaarse grens bij Somogyudvarhely © Rafal Milach / Magnum / ANP

Voorheen behoorden landen als Hongarije en Polen tot de periferie; inmiddels beschouwen zij zich als de ziel van Europa. Het is het land waar de bevolking nog homogeen (lees: wit en christelijk) is, en waar die homogeniteit wordt gekoesterd. Orbán toont zich bewust van Hongarije’s voorbeeldrol. ‘Dertig jaar geleden dachten we dat West-Europa onze toekomst was; inmiddels menen we dat wij de toekomst van Europa zijn’, zei hij twee jaar geleden tijdens zijn jaarlijkse grote-ideeëntoespraak in Transsylvanië. Als West-Europa terug wil op het rechte pad zal het volgens hem moeten afrekenen met de ‘generatie van 1968’ en het Europa dat zij heeft gebouwd. Dat wil zeggen: een Europa zonder grenzen, waar het Europese volk ‘vervangen’ kan worden door immigranten, waar de familie is getransformeerd tot ‘een vrijblijvende en fluïde samenlevingsvorm’ en de natie en nationale trots worden beschouwd als ‘iets overbodigs’. Maar hulp was onderweg, ‘kalm, maar ontegenzeggelijk’. Nu was het de beurt aan Oost-Europa, aan de generatie die zich had verzet tegen het communisme, de generatie aan wie, verstopt achter het IJzeren Gordijn, de perfide ideeën van ’68 goeddeels voorbij waren gegaan, de generatie die ‘christelijke overtuigingen had’ en ‘de natie was toegedaan’.

‘We zijn niet tegen het achttiende- en negentiende-eeuwse idee van vrijheid, het klassieke liberalisme’, zegt ook Balázs Orbán. ‘Maar hoe dat geëvolueerd is.’ De 34-jarige Orbán (geen familie) is als staatssecretaris verantwoordelijk voor de relatie tussen de Hongaarse regering en het parlement en valt direct onder de premier. Hij begon als denktanker en geldt als aanstormend talent binnen de regering. Een paar jaar terug was hij te gast op de winterschool van Forum voor Democratie op kasteel Sterkenburg nabij Utrecht. Ik spreek hem in Central Café, een negentiende-eeuwse brasserie in Boedapest. ‘Het feit dat wij bevroren waren achter het IJzeren Gordijn is nu een voordeel’, zegt hij, ‘want zo kunnen we zien wat ons te wachten staat als we hetzelfde pad volgen als het Westen de afgelopen dertig à veertig jaar deed.’ Hij doelt hierbij in het bijzonder op het multiculturalisme en op immigratie. ‘Wij willen niet enorme middelen in integratieprocedures steken, waarom zouden we? Kapitalen uitgeven aan de immigratie en integratie van mensen uit andere beschavingen en culturen. We moeten onze eigen mensen integreren.’

Oost-Europa dat zich opwerpt als voorbeeld voor het Westen, dat is het thema van het recent verschenen The Light that Failed van de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev en de Amerikaanse filosoof Stephen Holmes. Het ‘licht’ verwijst hier naar het liberalisme. Dit wekte aanvankelijk grote verwachtingen in de landen van de voormalige Sovjet-Unie, maar kon deze maar zeer ten dele waarmaken. The Light that Failed koppelt flitsen van inzicht aan een overkoepelend thema: imitatiegedrag en het ressentiment dat daar het gevolg van kan zijn. Maar de tijd van slaafs imiteren is voorbij, zo betogen de auteurs. ‘De ultieme wraak van de Centraal- en Oost-Europese populisten op het westerse liberalisme is niet zozeer dat ze erin slaagden de imitatie te stoppen, maar deze om te keren’, zegt Krastev wanneer ik hem opzoek in Wenen, waar hij fellow is aan het prestigieuze Instituut voor de Menswetenschappen. ‘“Wij zijn de ware Europeanen”, zeggen figuren zoals Orbán nu. En als West-Europa het vege lijf wil redden heeft het geen andere keus dan Oost-Europa na te volgen.’ Dat roept fundamentele vragen op, want hoe ziet dat ‘illiberale Europa’ er dan uit? En is Hongarije een geloofwaardig alternatief, voor wie dat zou wensen?

Boedapest is een samenvoeging van twee nederzettingen, of eigenlijk drie. Boeda, het oude Boeda en Pest. In de negende eeuw verdreven Hongaarse stammen vanuit het oosten de Bulgaarse settlers. Een eeuw later vestigden zij het Hongaarse koninkrijk en in 1361 werd Boeda daar de hoofdstad van. Onder invloed van de Italiaanse renaissance maakte de stad een ongekende bloei door. Veel van de burchten en paleizen die de heuvels van Boeda sieren dateren uit deze periode. Maar in 1541 bezetten de Ottomanen de stad, een bezetting die ruim 150 jaar zou duren en als een nationaal trauma wordt gezien – een van de vele. Hierop volgde een Hongaars koninkrijk waarin de Habsburgse vorsten het voor het zeggen hadden. Met de stichting van de dubbelmonarchie in 1867 werden de verhoudingen tussen Hongarije en Oostenrijk ietwat rechtgetrokken, al bleef Wenen het onbetwiste centrum. Het was het begin van een bloeiperiode waarvan de sporen met name zichtbaar zijn aan de Pest-zijde van de Donau. Je treft er op Parijs gemodelleerde galerijen, boulevards en weids opgezette pleinen. Boedapest had de eerste metro van het Europese vasteland en er is schitterende Sezession-architectuur.

Al wandelend door Boedapest was het lastig voor te stellen dat ik me in het hart van Orbáns illiberale staat bevond, laat staan in een dictatuur. Er was geen militair vertoon, nergens hingen afbeeldingen van de Grote Leider.

Formeel gezien bevond ik me ook niet op illiberaal terrein, want vorige zomer raakte Fidesz de hoofdstad tijdens de gemeenteraadsverkiezingen kwijt. De oppositie was erin geslaagd zich rond één kandidaat te verenigen: Gergely Karácsony, een veertiger met een onmodieuze bril. Hij is de oprichter van de Hongaarse Dialoog-partij, een centrum-linkse partij met veel aandacht voor ecologie. Hij baarde opzien door op zijn eerste werkdag in een elektrische auto bij het stadhuis te verschijnen.

Karácsony’s overwinning werd gezien als een belangrijk moment. Het toonde dat het mogelijk was om Orbán te verslaan, vertelt hij me in een lege vergaderzaal van het monumentale stadhuis. ‘Mits we niet alleen maar oppositie voeren, maar ook een beweging opbouwen’, zegt hij via een tolk. Karácsony koestert ambitieuze plannen om zijn land te vergroenen en de ongelijkheid aan te pakken. Ook hoopt hij het toerisme meer cachet geven: minder feestende Britten, meer operabezoekers. Orbán zegde samenwerking toe. Maar Karácsony was ook beducht voor tegenstand. Die vrees werd tijdens de corona-crisis naar eigen zeggen bewaarheid. De regering wijst op het hoge aantal besmettingen in de verpleeghuizen, die onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur vallen. Karácsony stelt dat het virus zich juist in de door de staat geleide ziekenhuizen verspreid heeft; van daaruit zou het de verpleeghuizen zijn binnengebracht. Karácsony klaagt dat hij, net als andere steden die in handen kwamen van de oppositie, financieel wordt afgeknepen.

Gáspár Tamás is niet onder de indruk van Karácsony. De linkse intellectueel die zich afgelopen jaren opwierp als nemesis van Orbán noemt de burgemeester ‘zwak’ en ‘geen leider’. Maar volgens Tamás is het verlies van Boedapest niettemin een signaal dat Orbán kwetsbaar is. Hij ziet slijtage, een fin de regne zelfs. ‘Orbán is tien jaar aan de macht nu, mensen beginnen er zo langzamerhand genoeg van te krijgen’, zegt Tamás als ik hem opzoek in zijn met boeken volgestouwde appartement in het statige vijfde district. ‘De magie is weg.’ Net als Orbán zelf was Tamás de eerste jaren na 1989 nog liberaal. Maar waar de latere premier de afslag nam richting xenofoob-nationalisme ging hij juist linksaf, werd zelfs neomarxist. Hij doceerde eerder in Parijs, Chicago en Oxford.

‘Wat figuren als Orbán in feite zeiden was: “We willen niet langer een 'crappy copy' van het Westen zijn. We willen onszelf zijn.”’

Tamás kent Orbán sinds die student was, ‘heel gedreven en ambitieus; tegenwoordig vooral sardonisch en lomp’. Hij vertelt dat hij eens een ‘beste Viktor-briefje’ schreef in een regeringskrant toen er in de provincie een demonstrant was omgekomen bij politiegeweld en reactie vanuit de regering uitbleef. Een tijdje later viel er een kaartje in de bus. Het was van Orbán zelf, die hem dankte voor de opmerkzaamheid en zei dat hij een paar honderd kilometer naar het graf van de demonstrant gereden was om bloemen te leggen. Later schreef Orbáns vrouw nog eens dat Tamás welkom was als hij ooit eens koffie wilde drinken. ‘Maar waarover zouden hij en ik het moeten hebben, we zouden alleen maar tegen elkaar schreeuwen.’

Hij erkent dat het economisch weliswaar beter gaat de afgelopen jaren, maar benadrukt dat de ongelijkheid groot blijft. Onder de bevolking zou veel weerzin heersen tegen de hypocrisie, het cynisme, het machtsstreven. ‘De helft is klaar om voor welke oppositiekandidaat dan ook te stemmen, en daarom heeft de oppositie ook gewonnen in de steden. Mensen zijn er klaar mee.’

Een paar kilometer verderop, aan de overkant van de Donau, veegt Zoltán Kovács die conclusie met een resoluut gebaar van tafel. ‘Het deed pijn, maar we hadden hier rekening mee gehouden’, zegt de geharnaste regeringswoordvoerder over het verlies van de hoofdstad. ‘De grote stad is nu eenmaal progressiever dan het platteland. Bovendien waren de marges miniem.’ We zitten tegenover elkaar aan een tafel in een tl-verlichte ruimte in een non-descript flatgebouw aan de Boeda-zijde van de stad. Kovács – kaalgeschoren, een ringbaardje, een montuurloze bril – kijkt nors. En lichtelijk verveeld in het besef dat hij het komende uur zal doorbrengen met de zoveelste bevooroordeelde westerse journalist. Dat van die kleine marges is juist. En ook dat het Hongaarse platteland een andere wereld is.

Op bezoek in Siófok, een klein stadje langs het Balatonmeer, ving ik daar eerder al een glimp van op. Hier kon Orbán geen kwaad doen. Szilvia Botos, een vrouw die ik sprak tijdens een folkloristisch eetfestijn dat geheel in het teken stond van varkensvlees, had de mond vol van migranten, en hoe goed het was dat die Hongarije meden. Migranten wáren er wel, zei ze, maar dat waren Duitsers die in de streek waren komen wonen. Omdat het goedkoper was, maar meestal omdat ze zich niet langer thuis voelden in hun eigen land, dat Angela Merkel het er allemaal verpest had door al die vluchtelingen toe te laten. Reportages over dit fenomeen vormen inmiddels een apart genre op de Hongaarse televisie. Mensen klagen dan over onveiligheid, moslims, of dat ze niet eens meer ‘neger’ mogen zeggen.

Regeringswoordvoerder Kovács is berucht vanwege zijn geruzie met journalisten op Twitter. Tegelijk zegt hij heilig te geloven in wat hij ‘vrije en open communicatie’ noemt, bijvoorbeeld over immigratie. ‘Wij benoemen wat wij niet leuk vinden, zoals moslimmigratie naar Europa. Als je deze regering wilt begrijpen is dat de essentie: wij spreken over de wereld zoals die is. Wij geven niets om de juiste taal, het correcte vocabulaire.’ Beschuldigingen dat Orbán de rechtsstaat zou uithollen relativeert hij. ‘Wat is dat, een rechtsstaat?’ zegt Kovacs dan, ‘is daar een universele norm voor?’ De scheiding der machten? ‘Jullie in Nederland hebben niet eens constitutioneel hof.’ Het doet onwerkelijk aan vanuit een regering die op andere terreinen juist niets liever doet dan verabsoluteren: ze bepaalt wat de nationale identiteit van Hongarije is, tussen welke geslachten een huwelijk mag plaatsvinden, wat het genderonderscheid is.

Bij alle bewindspersonen, regeringsadviseurs, denktankers en pro-regeringsgezinde journalisten die ik spreek, wordt dat me ingewreven: Hongarije is een land waar een man een man is en een vrouw een vrouw. Het plaatst de transfobe wetgeving die afgelopen voorjaar, gebruikmakend van de noodtoestand, door het parlement werd gejaagd in perspectief. De transgender is een spil in de huidige cultuuroorlog tussen Oost- en West-Europa, én tussen links en rechts. Voor links is de erkenning van meerdere gender-identiteiten een vanzelfsprekende volgende etappe in het individuele emancipatieproces dat sinds ’68 pas echt op gang gekomen is. Maar conservatieven zien dat als een ondermijning van het fundament van de natuurlijke orde zelf: de man-vrouw-identiteit. Wie daaraan begint te tornen trekt al snel het weefsel van de gehele samenleving mee, zo vrezen ze.

Natuurgebied aan de Kroatisch- Hongaarse grens bij Matty © Rafal Milach / Magnum / ANP

Orbáns opkomst is vaak beschreven. Hoe hij in 1989 als jongeling indruk maakte met een toespraak tijdens een herdenking van Imre Nagy, premier tijdens de Hongaarse Opstand van 1956. Hoe hij met zijn gideonsbende van Fidesz de Hongaarse politiek bestormde en het op 35-jarige leeftijd schopte tot premier. Hoe hij in 2002 opnieuw de verkiezingen won, maar tijdens coalitiebesprekingen buitenspel werd gezet. Hoe hij in de jaren het roer omgooide en zich geleidelijk ontpopte tot revanchistisch nationalist. Hoe hij de bankencrisis van 2008 wist te gebruiken als platform voor zijn monsterzege twee jaar later.

Elk EU-land was op zijn eigen manier geraakt door de financiële crisis. Maar toen het stof eenmaal was neergedaald bleek Hongarije de hardste klappen te hebben geïncasseerd. Lokale banken waren in de wilde jaren negentig massaal overgenomen door westerse investeerders. Als Hongaren hypotheken afsloten deden ze dat niet in forints, de lokale munt, maar in dollars, euro’s of Zwitserse franken. Dit ging goed zolang de economie groeide en de forint overeind bleef ten opzichte van deze sterke valuta. Dit veranderde in 2008. Duizenden schuldenaren, particulieren én bedrijven, konden ineens niet meer aan hun financiële verplichtingen voldoen. Hulpverzoeken aan de Europese Unie (waar Hongarije in 2004 tot was toegetreden) werden afgewimpeld. Wat restte was een vernederende gang naar het imf. En wat het imf eiste was bekend: verdere privatiseringen en keiharde bezuinigingen.

Maar wie het succes van leiders als Orbán wil doorgronden moet verder kijken dan de belabberde economische situatie van het toenmalige Hongarije, zegt politicoloog Ivan Krastev. Wie dat wil moet diep afdalen in de psyche van de Oost-Europeaan en een blik werpen op de rancune waardoor deze wordt verteerd. Gedurende het communisme wilden de landen achter de Berlijnse Muur niets liever dan op het Westen lijken. ‘Michnik en Havel zeiden: na het communisme willen we geen experimenten meer, we willen normaal zijn. Met veel toewijding en enthousiasme ging een eerste generatie bevrijde politici aan de slag met de liberale hervormingen. Maar als je een volledig uitgewerkt model overneemt, dan is dat niets anders dan een experiment’, aldus Krastev. Zeker in een regio die nauwelijks over eigen kapitaal beschikt, en waarvan fabrieken noch de mensen die deze bemensten zijn toegerust om de concurrentie met de westerse economieën aan te gaan. Miljoenen verloren hun baan. Een sociaal vangnet was er niet, een ideologisch alternatief ook niet. Het communisme was verslagen; iets anders dan het (neo)liberalisme was in die jaren gewoonweg niet voorradig. Het sentiment vatte post dat het ene dogma simpelweg voor het andere was ingeruild.

‘In het Westen was de liberale democratie verbonden met economische vrijheid’, zegt Balázs Orbán, ‘maar voor het Oosten ging het over de economische collaps. Het werd een soort totalitair idee, van je moet het zus doen, en zo uitvoeren, het maakt niet uit of het rationeel is, er was geen kans om anders te denken.’ Dit effende de weg voor steeds openlijker rebellie tegen dat ooit zo bewonderde Westen, en in Hongarije kwam die van Orbán. ‘Wat figuren als Orbán in feite zeiden was: “We willen niet langer een crappy copy zijn”’, zegt Krastev, ‘“We willen onszelf zijn.”’

Voor Orbán betekende dit dat hij vol inzette op de Hongaarse natie. Op wat hij ziet als de uniciteit ervan, haar illustere verleden, én op de vijanden die haar bedreigen. Binnen Hongarije zelf (de Roma, de ‘verraders’ van de linkse oppositie) en daarbuiten (‘Brussel’, ‘globalisten’, moslimimmigranten), daarbij steeds inspelend op sluimerende angsten in de Hongaarse samenleving. Vergeet het nooit, zegt Orbán keer op keer, Hongarije is een klein land, te midden van krachten die het niet beheerst, met een krimpende bevolking en een taal die nergens in de regio gesproken wordt. We zijn kwetsbaar, we zouden zomaar kunnen verdwijnen. Hij verwees naar het Verdrag van Trianon, dat Hongarije na afloop van de Eerste Wereldoorlog van twee derde van haar grondgebied beroofde. ‘Trianon’ is wat het Verdrag van Sèvres was voor het Ottomaanse Rijk. En net als in Turkije liet dit diepe trauma’s na, in Hongarije aanvankelijk weggestopt onder de verstikkende deken van de Sovjet-overheersing, maar na 1989 beschikbaar voor wie daar politieke munt uit wenste te slaan.

En dat was Orbán. Kijk, zei hij, wat Brussel en het imf doen is de moderne variant van Trianon. Opnieuw wordt het grootse Hongarije vernederd door het Westen. Historisch slachtofferschap; vijanden van buiten die het grootse maar kwetsbare Hongarije eronder trachtten te krijgen, het zou uitgroeien tot een belangrijk handelsmerk van Orbáns politieke stijl, en bereikte zijn hoogtepunt in de smeercampagne tegen de Amerikaans-Hongaarse filantroop George Soros.

Dat de Hongaarse bevolking de komende dertig jaar zal afnemen tot acht miljoen mensen neemt de regering voor lief: alles beter dan immigratie

Orbáns electorale succes van 2010 werd mede mogelijk gemaakt door twee Amerikaanse spindoctors: Arthur Finkelstein en diens protegé George Birnbaum. Zij adviseerden Orbán om ‘de bureaucraten’ en ‘het buitenlandse geld’ aan te vallen. In een geruchtmakend stuk in het Zwitserse weekblad Das Magazin verbaasde Birnbaum zich er recent nog over hoe gemakkelijk het allemaal ging. ‘We bliezen de socialisten nog voor de verkiezingen omver.’ Finkelstein (overleden in 2017) gold sinds Nixon als de meester van de negatieve campagne en drukte een belangrijke stempel op de Amerikaanse politiek van de afgelopen decennia. Hij was het die de term ‘liberal’ van een vieze smaak wist te voorzien. Finkelstein stond tevens aan de basis van het electorale succes van Netanyahu en het was de Israëlische premier die hem aanbeval bij diens goede vriend Orbán. Zijn strategie was simpel: concentreer je niet zozeer op je eigen boodschap, maar wijs vijanden aan, en val die aan, steeds opnieuw.

Na de zege van 2010 zouden Finkelstein en Birnbaum Orbán blijven adviseren, alleen was er één probleem. Alle oude vijanden lagen kermend in de touwen. Finkelstein kwam daarop met een idee: George Soros. Op het oog was Soros een onwaarschijnlijke kandidaat voor een politieke haatcampagne. Hij was stokoud, geen politicus, woonde in het buitenland en verrichte juist veel goede werken, ook voor Hongarije.

Via zijn stichting zette hij zich in voor het versterken van de civil society en de rechtsstaat, met name in Oost-Europa. In Boedapest stichtte hij de excellente Central European University (ceu) en deelde ruimhartig studiebeurzen uit. Zowel Orbán als regeringswoordvoerder Kovács studeerden dankzij Soros in Oxford. Finkelstein zag dit anders. Soros had een verleden als rücksichtslose speculant. Bovendien was hij voor alles waar rechts tegen was: klimaat, vluchtelingenopvang, internationalisering, liberale waarden. Dat maakte hem tot de ideale vijand.

‘Finkelstein zei tegen Orbán dat hij Soros moest linken aan immigratie, en gewoon moest aanvallen’, zegt Michael Ignatieff in zijn kantoor. De Canadees is rector van de door Soros opgerichte topuniversiteit in Boedapest. De ceu werd door Orbán weggepest en is bezig naar Wenen te verhuizen. Maar ze wist – mede dankzij de inspanningen van Ignatieff – vooralsnog een flinke aanwezigheid in Boedapest te behouden. Hij knikt richting de foto van hemzelf met Soros op de muur en zucht diep. ‘Als George niet bestond, had Finkelstein hem moeten uitvinden’, zegt hij.

En hem uitvinden was exact wat Finkelstein en Birnbaum deden. Daarmee begon misschien wel de smerigste politieke campagne uit de recente geschiedenis, eentje met echo’s ver buiten Hongarije bovendien. Eerst waren er de verdachtmakingen van ngo’s waarvan werd beweerd dat ze werden bestuurd door Soros. Later volgde zelfs een inval waarbij computers in beslag werden genomen. Tot een rechtszaak kwam het nooit. Toen Soros de EU gedurende de vluchtelingencrisis van 2015 opriep met een ‘gezamenlijk plan’ te komen en rekening te houden met een miljoen vluchtelingen per jaar heette het dat hij Hongarije met migranten wilde laten overspoelen.

Daarna ging het snel. Elke organisatie die ooit geld van Soros’ Open Society Foundation had gekregen zou een willoos werktuig in diens handen zijn. ‘Stop Soros’ klonk het overal in de regeringsgezinde media. Dieptepunt was de postercampagne met daarop een vals lachende Soros en de tekst ‘gun Soros niet de laatste lach’. De speculerende en arglistige jood die op afstand probeert de natie te ondermijnen, dit was meteen ook de meest klassieke antisemitische trope denkbaar.

Het maakt de campagne tegen Soros meteen ook zo bizar. Want Finkelstein en Birnbaum zelf waren beiden joods. Waarom zetten uitgerekend zij deze campagne op, en nog wel met de zegen van Netanyahu? ‘Toeval’, zou Birnbaum later zeggen. ‘Antisemitisch, wij?’ zegt regeringswoordvoerder Kovács. ‘We knappen tot diep in de provincie synagoges op!’ Maar luister naar Orbán, in de weken voor de verkiezingen van 2018: ‘We vechten tegen een vijand die anders is dan wij, die zich verbergt en arglistig is, zonder principes, internationaal, die niet in eerlijke arbeid gelooft, maar die speculeert, geen vaderland heeft, en zich gedraagt alsof hij de hele wereld bezit.’ Dat is geen antisemitisch hondenfluitje meer, maar een trombone.

‘Wat we zien is misschien niet direct een terugkeer naar de jaren dertig’, zegt Ignatieff. ‘Maar het is wel een regressie, een duister aspect van de huidige tijdgeest, met overal sluimerend etno-nationalisme, opborrelende complottheorieën en afnemend vertrouwen in gevestigde instituties.’ Daarin is Soros de verpersoonlijking van de ‘globalisten’ die de grenzen liever vandaag dan morgen willen afschaffen. Het is codetaal voor duistere krachten die het op de ondergang van het Avondland en de witte christelijke meerderheid hebben voorzien. Het zijn de ‘Davocraten’ van Renaud Camus, de bedenker van de ‘omvolkingstheorie’ en zelf ook regelmatig bezoeker van conferenties in Boedapest. Of de ‘geesteszieke elites’ van Baudet, die lijden aan een ‘auto-immuunziekte’ en vluchtelingen en migranten in ‘ongehoorde aantallen het maatschappelijk lichaam’ binnenlaten.

De Hongaars-Servische grens bij Tervar © Rafal Milach / Magnum / ANP

Vanaf 2014 begon Orbán er in toespraken over dat hij een ‘illiberale staat’ wilde vestigen. Aanvankelijk rebelleerde hij ermee tegen het economisch liberalisme, maar al snel kwam daar een culturele component bij: het progressieve denken dat zich na 1968 in westerse democratieën heeft genesteld. Vóór dit jaar ontwaarde hij een liberalisme dat pal staat voor de personele levenssfeer en eigendomsrechten. Daarna ziet hij tot zijn leedwezen dat de vastomlijnde seksuele identiteit op de schop gaat, dat de religieuze identiteit ondermijnd raakt en de loyaliteit aan de natiestaat verwatert. Al snel werd de liberale democratie synoniem voor multiculturalisme, een pro-immigratiehouding en het homohuwelijk. Kortweg het ‘Soros-plan’. In Hongarije zullen de zaken anders gaan, zijn ‘we getuige van de vestiging van een illiberale staat’. In latere toespraken lijkt Orbán zich te realiseren dat ‘illiberalisme’ geen handige term is, en opteert hij voor de notie van ‘christelijke vrijheid’.

Maar hoe levensvatbaar is dit idee? Wie Hongarije van dichtbij observeert wordt getroffen door het relatief hoge aantal scheidingen, de afnemende religiositeit, de voorzichtige acceptatie van homoseksualiteit, en vooral: stagnerende geboortecijfers – een actieve bevolkingspolitiek ten spijt. Vooral dat geboortecijfer is een groot probleem, helemaal omdat jonge en hoogopgeleide Hongaren nog steeds het liefst naar het Westen trekken als ze de kans krijgen. De voorspelling van de regering is dat de bevolking de komende twintig à dertig jaar zal afnemen tot acht miljoen mensen. De regering neemt het voor lief. Alles is beter dan immigratie. ‘Het resultaat is een bevolking met een grote culturele cohesie’, zegt staatssecretaris Balázs Orbán, ‘die de Hongaarse cultuur deelt, en volgens ons is dat beter dan tien miljoen mensen te hebben van wie een groot deel slecht geïntegreerd is.’

Maar kennelijk laten Hongaren zich minder gemakkelijk verleiden door Orbáns illiberale dromen dan gedacht. Dat roept een wezenlijker, filosofisch-historische vraag op. Kan de tendens worden gekeerd? Kan er zomaar worden ‘afgerekend’ met de erfenis van ’68, zoals Orbán en de zijnen dat graag zouden zien? Het is een beetje als je in 1840 afvragen of de Franse Revolutie van 1789 teruggedraaid zou kunnen worden. De erfenis van ’68 is allang opgenomen in de bloedbaan van de samenleving. We gaan echt niet meer terug naar het patriarchaat, of naar meneer pastoor. De samenleving is veranderd, de individualisering is een feit, daar helpen geen wetten en voorschriften van hogerhand tegen. Iemand die dit bij uitstek begreep was Alexis de Tocqueville – ironisch genoeg de held van veel ‘illiberalen’.

Hij zou staan voor een onbedorven ‘klassiek-liberalisme’. Maar als Tocqueville iets leert is het dat de reactie een doodlopend pad is. Je kunt je niet verzetten tegen het tij van de moderniteit. En die moderniteit betekent dat mensen zich niet langer beschouwen vanuit een collectief, maar vanuit zichzelf. Dat betekent niet per se het einde van de gemeenschap. Maar wel dat mensen zélf besluiten tot welke gemeenschap ze willen behoren. Het is niet langer het gewicht van de religie, de traditie, de natie of de familie die deze keuze bepaalt, maar het individu. Dit proces van individualisering is al eeuwen gaande; ’68 was hooguit een etappe. Tocqueville stelt: je moet meebewegen, al was het maar in de hoop de stroom te kanaliseren. Maar terug kan niet. Dit lijken Orbán, Baudet en hun navolgers maar niet te willen vatten. Hun illiberale staat is een machteloze kreet tegen de keer. En waar ze daadwerkelijk bestaat blijkt het vooral een schaamlap voor autoritarisme, corruptie en rancune.


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl