Chinatown in Amsterdam

Boeddha op de Zeedijk

Op 15 september opent koningin Beatrix in Amsterdam de nieuwe boeddhistische Fo Kuan Shan-tempel. Klein Chinatown is voltooid.

Op de Zeedijk in Amsterdam kijken twee dames naar een pas verrezen gebouw dat opdoemt achter een hoge schutting. «Dat dit mag!» roept een van hen verbaasd.

De verbazing geldt de bouwvrijheid die er ogenschijnlijk steekt achter dit knalrode, overdadig geornamenteerde Chinese bouwwerk. Toch verwierpen de leden van een schoonheidscommissie de eerste ontwerp tekeningen. Die tekeningen kwamen uit Taiwan, waar het hoofdkwartier van de Buddhist Light International Association (Blia) is gevestigd. «Te braaf», oordeelde de commissie. Uit respect voor de cultuur van het gastland voorzag het ontwerp in een soort loods met op de voorkant keurige, zeer Hollands aandoende geveltjes geplakt. Dan maar liever echt Chinees, dachten de leden van de commissie en ze gaven de Chinese ondernemers op de Zeedijk carte blanche, alhoewel hen wel ernstig werd aangeraden een Nederlandse architect in te schakelen. Dat de boeddhistische tempel er uiteindelijk in deze exuberante vorm is gekomen, is daaraan te danken.

De Blia in Taiwan heeft uiteindelijk het grootste gedeelte opgehoest van de negen miljoen gulden die nodig was voor de bouw van de Fo Kuan Shan op de Zeedijk. Behalve met geld kwam de organisatie ook met nonnen over de brug. Al enkele jaren geleden namen die hun intrek in een pand aan de Rechtboomssloot, dat werd ingericht als tijdelijke tempel.

De architect van de Fo Kuan Shan is Fred Greven uit Krommenie. Hij is zo ongeveer de huisarchitect van de Zeedijkbuurt, waar hij al jaren renovatie- en restauratiewerkzaamheden verricht. Zijn eerste ontwerp werd door de geestelijken in Taiwan afgekeurd: «Heel schattig, maar veel te klein.» Greven: «Daarop ben ik naar Taipei afgereisd. Ik heb daar ontzettend veel tempels bezocht, maar met alle respect, het is daar allemaal een beetje Almere-Buiten. Ze lopen een berg op, bouwen een gigantische tempel met verschillende verdiepingen onder de grond en zetten daar ook nog allerlei gebouwen omheen, zoals bibliotheken en universiteiten. Dat kan niet op de Zeedijk. Bouwen in de binnenstad heeft toch zijn beperkingen. Uiteindelijk vond ik een kleinere stadstempel in een havenplaats in het noorden van Taiwan, weliswaar nog vier keer groter dan deze, maar daar kon ik wel wat mee. Mijn nieuwe ontwerp vonden ze daar in Taiwan allemaal prachtig.»

Wanneer op 15 september in aanwezigheid van koningin Beatrix de officiële opening plaatsvindt, zal blijken dat de tempel ook vertrekken bevat voor de nonnen, een meditatie- en een gebedsruimte en eetzalen voor buurtgenoten. Het gebouw heeft zowel een rituele als een sociale functie. Er zal kinderopvang, ouderenopvang en zelfs stervensbegeleiding mogelijk zijn.

Op de boeddhabeelden na is het gebouw van binnen nogal sober. Van de straat af gezien vallen aan weerszijden van de tempel twee in historische stijl opgetrokken compromisgebouwtjes op. Ze zijn half Chinees, half Hollands. Greven: «Je kunt gekke dingen bouwen in een straat als de Zeedijk, als het maar binnen de verhoudingen gebeurt. De tempel past in het straatbeeld door die twee gebouwtjes die nog wel een Chinees dak hebben, maar die wat betreft de raamverhoudingen helemaal aangepast zijn aan de bestaande bebouwing. Vanwege het straatbeeld heb ik aan de verste kant links van het gebouw een huisje gebouwd met een top uit de collectie van Monumentenzorg.»

Initiatiefnemer Frank Man, voorzitter van de Vereniging van Chinese Ondernemers in Amsterdam, lag de afgelopen jaren voortdurend in de clinch met Monumentenzorg over gevelreclames en andere visuele uitingen die de Zeedijkbuurt het aanzien van een klein Chinatown geven. Met de komst van de tempel is de oorlog nu wel gewonnen, stelt Man onomwonden: «Lange tijd was er discussie over de vraag waar en of er een Chinatown in Amsterdam moest komen. Nu hoeven we daar in ieder geval niet meer over te praten.»

Jaren geleden hoorde hij in het vliegtuig naar Hongkong enthousiaste verhalen van een collega over een gigantische tempel in Vancouver die veel bezoekers trok. Zijn vriend Fu Wen Lo, eigenaar van een Chinees restaurant in Amstelveen, wilde zoiets al jaren in Amsterdam. Lo heeft daar zo zijn redenen voor. Op de vlucht voor de Japanners belandde hij in 1937 als tienjarig jongetje in de Verenigde Staten. In de oorlog werd hij, ondanks zijn leeftijd, toegelaten tot de Air Force Academy. In 1945, vlak voor het beslissende bombardement op Hirosjima, werd hij voor het eerst de vijandelijke lucht in gestuurd, in een open vliegtuigje. Op weg naar een grote Chinese stad werd het vliegtuig neergehaald. Gelukkig werkte Lo’s parachute. Hij landde veilig op een heuvelrug waar hij een kleine boeddhistische tempel ontwaarde. Terwijl hij hoorde hoe achter hem Japanners zijn co piloot vermoordden, vluchtte hij de tempel in en vond daar een schuilplaats onder een tafel met daarop een groot boeddhabeeld. De Jappen doorzochten de tempel, doorstaken alles met hun bajonetten en misten Lo op een haar. Lo verkeerde in doodsangst en nadat de soldaten waren verdwenen, kroop hij trillend onder de tafel vandaan en viel in een diepe slaap. De volgende dag ontdekte hij dat er helemaal geen tafel onder het beeld van Boeddha stond. Het beeld rustte op een massief brok graniet. Een wonder! Boeddha had hem het leven gered en Lo, destijds geen boeddhist, beloofde op die dag plechtig iets voor hem terug te doen.

Inmiddels heeft het boeddhisme zich razendsnel verspreid. Volgens de Boeddhis tische Unie Nederland telt ons land 200.000 belijdende boeddhisten. Meer dan de helft daarvan is van Nederlandse komaf. Op een enkeling na haken die allen aan bij de Tibetaanse variant van het boeddhisme. Boeddhistische boekvertalingen verschijnen aan de lopende band en halen forse omzetten. Van Het Tibetaanse boek van leven en sterven zijn meer dan 600.000 exemplaren verkocht en de instituten Maitreya aan de Brouwers gracht en het Rigpa aan de Kuiperstraat halen met cursussen Begeleid Mediteren, Tibetaanse Geneeskunde en Mantrarolletjes Maken tezamen meer bezoekers per jaar dan welke kerk of synagoge in Amsterdam ook. En die instituten hadden nog groter kunnen zijn. Ina van Delden, werkzaam bij Maitreya: «Veel deelnemers willen hier in onze gongpa meer dan alleen de gewone ceremonies bijwonen. Alhoewel je tijdens ceremonies op al je vragen antwoord krijgt, nemen velen daar geen genoegen mee en vragen om extra counseling. Als we daaraan beginnen, zouden we nog een geshe uit Tibet moeten halen, of een extra non moeten krijgen van de lama.»

Jan Karel Hielkema, voorzitter van bestuur van de vooralsnog niet zendgemach tigde Boeddhistische Omroep Nederland, verklaart de populariteit onder Nederlanders van juist die Tibetaanse variant van het boeddhisme uit het intellectualistische gehalte ervan. «De Tibetaanse vorm van boeddhisme staat dichter bij de westerse cultuur. De methoden van het Tibetaanse boeddhisme zijn erg praktisch en tegelijkertijd uiterst diepzinnig. Ze doen een groot beroep op intellectuele vermogens.»

Zelf kwam Hielkema tot het boeddhisme na een lange zoektocht. In zijn jeugd heeft hij twee bijna-doodervaringen gehad en in het boeddhisme vond hij daar uiteindelijk enkele «logische verklaringen» voor.

Gerard Kwak uit Eindhoven, een van de weinige Neder landse boeddhisten die zich de afgelopen jaren mengden onder de Chinese boeddhisten op de Rechtboomssloot, gelooft niet in Hielkema’s verklaring. Kwak verklaart de populariteit van de Tibetaanse traditie uit de aantrekkingskracht van de dalai lama, en de manier waarop die zich na zijn verbanning handig aanpaste aan de eisen en noden van het Westen. «De Tibetanen zijn erop toegerust om in hun tempels in India, en sinds kort ook in Europa, een westers publiek aan te trekken.»

Op enkele leiders en doorgewinterde boeddhisten als Kwak na bestaat er geen contact tussen autochtone en allochtone boeddhisten. Van de duizenden Nederlandse boeddhisten spreekt bijna niemand Tibetaans of een van de Chinese talen. De Zeedijk-nonnen spreken op hun beurt geen Nederlands en blijken niet bijzonder geïnteresseerd in instituten als Maitreya. Ina van Delden: «We hebben geen contact. Ik zie ze soms wel door de stad lopen en we hebben ze ook uitgenodigd toen de dalai lama hier was, want hoewel dat niet hun directe geestelijk leider is, erkennen ze wel zijn wijsheid en heiligheid. Lange tijd hebben we toen niets van ze vernomen, totdat ze op het allerlaatst lieten weten er toch bij te willen zijn. Maar toen hij er eenmaal was, heb ik ze niet gezien.»

De Nederlandse boeddhist zoekt iets anders in het boeddhisme dan de Chinese beoefenaar. Van Delden kwam in India tot het boeddhisme toen ze op zoek was naar yogatrainingen voor gevorderden. Ze legt uit dat bij een voornamelijk door Nederlanders gerund instituut als Maitreya de nadruk niet ligt op de rituele kant van het boeddhisme: «Soms gebeurt het wel dat cursisten met elkaar trouwen en dat ze hun huwelijk willen laten inzegenen door de geshe. Die vindt dat prima, doet het ook, maar in gesprekjes doet hij er heel schamper over. Zo'n inzegening haalt het natuurlijk niet bij het echte ritueel in Tibet, en bovendien gaat het daar in het Nederlandse boeddhisme niet om.»

Bij de Nederlandse boeddhisten gaat het om contemplatie, meditatie en inzicht. Bij de Chinezen in de Zeedijkbuurt gaat het om andere zaken, legt Frank Man uit, die zelf pas boeddhist is geworden. «Dat veranderde toen Hsing Yun, de hoogste meester van de Blia, vertelde wat er in het dagelijks leven van een boeddhist wordt verwacht. Hoe hij moet leven. Mijn vrouw zei toen tegen mij: ‹Maar dat is niet zo moeilijk, dat doen wij al. Eigenlijk zijn we al boeddhist.› Nou, toen zijn we tot het geloof gekomen. En daarna ben ik tot voorzitter gekozen van de IBPS, de boeddhistische vriendenorganisatie van de tempel.»
Man is niet de enige bekeerling onder de Chinezen rond de Zeedijk. Zelfs mijnheer Lo, met wie alles is begonnen, heeft pas zeer onlangs het licht gezien. Daarvoor beleed hij niets, ondanks zijn dank aan Boeddha voor zijn wonderbaarlijke redding. Een volgende miraculeuze redding heeft hem over de drempel geholpen. Lo was doodziek toen zijn vrouw bedacht hoe de ziekte in hem was gevaren: ze hadden hun restaurant in Amstel veen nooit mogen verkopen met alle boeddhabeelden erin. Toen ze haar man in dit inzicht wilde laten delen, hadden de doktoren hem al opgegeven en lag hij in een kamer voor hopeloze gevallen. Nog die dag heeft mevrouw Lo de vergissing rechtgezet en het restaurant teruggekocht. De volgende dag knapte haar man op. Nu is hij tot het boeddhisme gekomen en weer helemaal in orde. De Blia zal tevreden zijn. De kleurrijke folder van de organisatie laat in heldere bewoordingen weten dat de meer dan duizend discipelen van Hsing Yun zich over de wereld verspreiden om hoop, geluk en harmonie te brengen.

De vraag is of de Zeedijk-nonnen ook weerklank zullen vinden buiten de Chinese gemeenschap. Want op een enkele uitschieter als de befaamde schrijfster Lulu Wang na, is de Chinese gemeenschap de minst geïntegreerde groep allochtonen in Nederland. Hildegard Veldkamp, die diverse minderheden in Nederland bestudeerde, bevestigt dat: «Het is een gesloten bastion. We weten ook weinig van ze omdat ze niet in het minderhedenbeleid zijn opgenomen. In de ogen van het beleid doen ze het goed, sociaal-economisch vormen ze geen probleem en daarom zijn ze niet aangemerkt als minderheid.»

Zo ondervond ook fotografe Venus Veldhoen toen ze besloot de Chinese gemeenschap in Amsterdam te portretteren. Veldhoen: «Het valt me nog altijd zwaar om het leed bij hen te vinden. Psychiatrische patiënten bijvoorbeeld, die moeten er zijn, maar de Chinezen weten hen goed te verbergen. Ze kloppen ook niet aan voor hulp. Chinezen zijn keiharde werkers met enorm veel trots. Ze doppen altijd hun eigen boontjes. Toen ik voor het eerst bij de nonnetjes op de Rechtboomssloot langsging en hun vroeg of ik foto’s van ze mocht maken, weigerden ze resoluut. Ze bedachten zich pas toen ik mijn visitekaartje liet zien. Daarop staat een lotus afgebeeld, boeddhistisch symbool bij uitstek. Toen ze dat zagen, was het meteen raak. Ze gaven me een nieuwe naam, ‹grote lotus› in Mandarijn, en vanaf dat moment kon ik altijd bij ze langskomen en mocht ik van alles en iedereen foto’s maken. Het scheelde ook dat ik er oosters uitzie, door mijn moeder die half Aziatisch is. En natuurlijk maakte het uit dat ik een vrouw ben. Want de tempel wordt louter door nonnen gerund en is gewijd aan Kwan Yin, de enige vrouwelijke boeddha. Haar rol kun je vergelijken met die van Maria in het katholicisme.»
Voor architect Greven was de tempel aan de Zeedijk de mooiste klus uit zijn carrière, maar ook hem viel de omgang met de Chinezen zwaar. «Dat zat hem in de communicatie.» Het project heeft er zelfs een jaar door stilgelegen. «In Taiwan heb ik me in de Chinese bouwkunst verdiept. Daar bleek alles te draaien om tou-kou, wat je kunt vertalen als ‹het kleinste maatje›. Maar hoe klein is het kleinste maatje? Mijnheer Lo wist het niet, mijnheer Man wist het niet. Na een jaar wachten, waarin ik de meest verwarrende berichten ontving, wist een soort architectuurnon me te vertellen dat het kleinste maatje precies 32,5 centimeter meet. Toen kon ik weer aan de slag.»

Op 15 september wordt de Fo Kuan Shan-tempel officieel geopend. Op de Nieuwmarkt is deze plechtigheid te volgen via een groot televisiescherm.

Vanaf 17 februari is in het Amsterdam Historisch Museum een tentoonstelling te zien van de foto’s van Venus Veldhoen, onder de titel: Het jaar van de draak: Portretten van de Chinese gemeenschap in Amsterdam.