Boeddhist

De tol van Freek de Jonge is de hele maand november te zien in Luxor, Rotterdam en in december in Nieuwe de la Mar, Amsterdam. Daarna tournee.
Een boodschap heeft Freek de Jonge nog steeds. Alleen minder nadrukkelijk. Een beetje boeddhistisch eigenlijk. Op 1 november is de premiere van ‘De tol’, zijn nieuwste solovoorstelling. Waar staat de vijftigjarige cabaretier nu?

BELLEVUE, AMSTERDAM. Een kleine, lage zaal met een podium van misschien tien vierkante meter. Daarop twee houten Chinese lampen, een rond tafeltje, een stoel en een stapel papier. De Jonge komt op in keurig zwart pak, wurmt zijn benen rond het tafelblad - ‘Ik voel me net Henk Wijngaard’ - en begint aan het eerste vel. Onhandig, onwennig. Toch wordt er veelvuldig gelachen.
Het is, op die vrijdag de zestiende september, een van de eerste leesvoorstellingen van De Tol, maar de geheide succesnummers drijven al onmiskenbaar naar boven: De Jonges ervaringen als nar in King Lear van het Nationale Toneel; de overstroming in Limburg; en Azie, waar De Jonge voorafgaand aan zijn nieuwe voorstelling zo'n acht maanden doorbracht. Regelmatig verlaat hij stoel en tekst voor improvisaties. Dankbaar benut hij op die momenten de oefenstatus van de voorstelling. Bijvoorbeeld op het moment dat hij zich op hilarische wijze en met veel verbaal misbaar in een Chinees gewaad wurmt. Na anderhalf uur breekt hij het lezen abrupt af en schudt hij de papieren weer tot een stapel. Licht gegeneerd neemt hij het applaus in ontvangst. 'Gisteren zei een mevrouw in de evaluatie na afloop: leuk, maar een beetje voorspelbaar. Maar ja, zei ik toen, geldt dat niet voor de hele schepping?’
Leuk, maar een beetje voorspelbaar. Vier, vijf keer verkondigde De Jonge zijn definitieve afscheid van het toneel, even zo vele keren kwam hij er op terug. Afgelopen seizoen leek het gesternte voor een aftocht echter gunstiger dan ooit. Werd hij dit jaar immers geen vijftig en was de pers in de waardering voor zijn laatste show Losse nummers niet juichender dan ooit tevoren? Tegelijkertijd gaf een sombere De Jonge in interviews ongeneerd af op zijn eigen verdiensten. 'Zo langzamerhand weet ik dat de kracht van wat ik doe ligt in het entertainment - amusant en op zijn best heel erg amusant, maar burgerlijk en gevaarloos’, zei hij tegen de NRC. Eerder tekende Nieuwe Revu uit zijn mond op: 'Het publiek is niet meer verbaasd, een heleboel van mijn zeggingskracht is tot een cliche geworden.’ Tijd dus voor herbezinning.
'Het probleem van Freek’, zegt stand-up comedian Raoul Heertje desgevraagd, 'is dat het publiek al tevreden is zodra hij opkomt. Hij heeft niets meer te overwinnen. Als hij anderhalf uur op een stoel gaat zitten en zijn mond houdt, applaudiseert men nog. Ik herinner me zijn voorstelling Losse nummers in Carre. Freek vertelde en plein public dat hij die avond geen zin had. Dat was geen pose, hij had echt geen zin. Op zo'n moment vind ik dat je de voorstelling moet afbreken.’
'Freek is een oude vriend van me’, zegt directeur Joost Nuissl van De Kleine Komedie. 'Maar hij is wat nukkig geworden de laatste jaren. Ik denk dan: waarom zou je spugen in de bron waaruit je zelf gedronken hebt. Ik hoop dat hij in zijn nieuwe show weer de oude Freek wordt.’
EEN WEEK LATER geeft De Jonge de laatste leesvoorstelling van De tol in Klein- Bellevue. Hij oogt moe, ongeinspireerd. Versprekingen alom, tussen de lachsalvo’s gapen stiltes bij het publiek. De gedichten en liedjes die de vorige sessie soms enige lucht verschaften, hebben grotendeels plaatsgemaakt voor nog meer Aziatische reisverslagen. Hoewel De Jonge het genre volop ironiseert, maakt hij er anderzijds gretig gebruik van. Met gemengde gevoelens verlaat het publiek de zaal.
De Jonges nieuwe show verschijnt op een moment dat zijn troonpretendenten zich rijendik aandienen. 'Cabaret is booming business’, zegt Joost Nuissl. Elke zaterdag struikel je in de Volkskrant over de oproepen aan nieuwe grappenmakers om eens op een festival het podium te beklimmen. Het genre van de stand-up comedy grijpt razendsnel om zich heen. Raoul Heertje, initiator van het recent opgerichte stand-up cafe Toomlers: 'Mensen hebben geen zin meer om anderhalf uur opgedirkt in een zaal te zitten. Bij ons vind je het pubiek net als thuis voor de buis met een zak chips op schoot. Belangrijker nog is dat men rechtstreeks wil worden aangesproken, vermaakt. Het gaat echt om dit moment; ze willen iets anders meemaken dan de bezoekers van de avond tevoren.’
Geinspireerd door die gedachte staat een nieuwe generatie cabaretiers gewapend met zeer lovende kritieken al te trappelen: Theo Maassen, Lenette van Dongen, Lebbis & Jansen, Hans Teeuwen. Ze combineren de vaak wankele grofheid en actualiteit van de stand- up comedy met de vaste grond van een aantal structurele succesnummers. Geholpen door de televisie - waar de Vara zich nadrukkelijk met cabaret profileert - kon Hans Teeuwen vrijwel uit het niets De Kleine Komedie twee weken uitverkopen en daarmee het vertrek van Youp van ’t Hek naar Carre compenseren.
Vergeleken met De Jonge verkiest Teeuwen een nonchalante aanpak. Hij kan zich dat veroorloven dank zij een magistrale mimiek. Zijn scherpe teksten krijgen relief in talrijke, veelal Brabantse typetjes die hij ogenschijnlijk achteloos uit zijn mouw schudt. De Jonge is veel inhoudelijker. In dialect zul je hem zelden of nooit horen praten - ooit zei hij tijdens een moeizaam verlopen Duitse conference in Keulen: 'Geen wonder dat je met zo'n taal de oorlog verliest.’ En De Jonge is, zo blijkt half oktober tijdens een try-out in Nieuwegein, oneindig veel theatraler. Terwijl bij Teeuwen geen noemenswaardig toneelbeeld aanwezig is, zet bij De Jonge het strenge, symmetrische decor vanaf de eerste seconden de toon: een stellage van ladenkasten (voor de pauze benut bij een goochelact, erna bespeeld als muzikale sample-machine), een aantal rode, bolvormige Chinese lampen en een reusachtige landkaart. De Jonge mixt de afgeronde verhalen uit de leesvoorstellingen door elkaar en heeft De tol daarmee gelaagd gemaakt. Zijn ervaringen bij het Nationale Toneel fungeren als fundament waarop een ingewikkeld bouwwerk van veelal Aziatische verhalen wordt opgetrokken.
Na de pauze is De Jonge directer, meer uit op de lach. In een nummer over Chinese eet- en toiletmanieren trekt hij de laatste treuzelaars in de zaal over de streep. Aan het slot incasseert hij een massale staande ovatie.
IK SPREEK DE JONGE twee dagen later in hotel Het Rechthuis in zijn woonplaats Muiderberg. Hij heeft een dikke ochtendstem en natte, steil achterovergekamde haren. We praten over de laatste wedstrijd van Ajax - de woensdagavonden zijn in de omvangrijke tournee stuk voor stuk vrijgehouden - zijn optreden in Nieuwegein, zijn collega’s op het toneel. 'Het vak wordt niet meer beoefend zoals het beoefend zou moeten worden, zeggen Toon Hermans en ik soms tegen elkaar. Terwijl wij met Neerlands Hoop juist begonnen zijn om al dat soort ideeen over het vak aan de kant te schoppen.’ Hij schudt wat met zijn theezakje en zegt ondertussen over de jongste generatie cabaretiers: 'Ze doen er geen reet meer voor, het waait ze allemaal maar aan. Ze hebben geen talent meer.’
Sympathie koestert hij wellicht voor Teeuwen. 'Ik denk dat hij dicht bij mij ligt, zal ik maar zeggen, hij heeft persoonlijk engagement. Voor de rest vind ik het een beetje onbeholpen gekrabbel.’ Over wat er uit Engeland en Amerika aan stand-up comedians komt overgewaaid: 'Grappen over seks en homoseksuele schoonmoeders - in dat opzicht hebben we hier een veel en veel hoger niveau.’
Zo vond ook de jury van de Nationale Cabaretprijs die De Jonges Losse nummers betitelde als 'fascinerend, fabuleus en subliem’. Hoe moet je dat, zeg ik, in godsnaam met De tol nog overtreffen? Hij relativeert: 'Ik denk niet dat er sinds '69 een programma van mij is geweest waar dat, op wat detailkritiek na, anders was. Ik heb het ook altijd geweten. Dat merk je aan het publiek. Het zou wel heel gek zijn als hun voortdurende enthousiasme op een misverstand berust. Je ziet wel dat in de kritiek een moment gaat komen dat men zegt: nu weten we het wel. Altijd goed wordt ook eentonig. Opeens merk je dat je een gepasseerd station bent. Zoals de Rolling Stones werden overvleugeld door Nirvana.’
Ik confronteer hem met een opmerking van een cabaretier van de jongste lichting, Dolf Jansen. Vijf jaar geleden begon Jansen met Hans Sibbel aan een eigen programma. Na het zien van De Jonges show De volgende wilden ze het liefst een ander vak kiezen. De Jonge zwijgt. Doet de vraag wellicht een te groot beroep op zijn ijdelheid? 'Nee, ik zat even te denken. Je zou het kunnen vergelijken met een mooie vrouw die andere vrouwen de lust beneemt nog te dingen naar een schoonheidsprijs. Huub van der Lubbe, de zanger van De Dijk, wilde ook ooit met cabaret beginnen. Na het zien van Neerlands Hoop is hij afgehaakt. Zo spreek ik meer mensen. Het was natuurlijk ook tamelijk absoluut wat Bram en ik toen deden. We duldden niemand naast ons.’
NU IS DAT noodgedwongen anders. In populariteit en maatschappelijke impact lijkt De Jonge inmiddels voorbijgestreefd door Youp van ’t Hek (die immers het failliet van Buckler afdwong) en Paul de Leeuw. 'Ach’, zegt hij, 'Youp heeft ook over andere produkten iets gezegd en die zijn niet uit de handel genomen. Dat Buckler-bier was gewoon een wanprodukt van Heineken. Paul de Leeuw is natuurlijk een fenomeen. Komt ook voort uit het cabaret, zit nu veel meer aan de - laten we maar zo vriendelijk mogelijk blijven - Dada-kant, maar zijn werk heeft een enorme impact. Ik geloof dat hij vierhonderdduizend elpees verkoopt. Maar ja, het maatschappelijke effect is dan dat hij een platenmaatschappij op de been houdt.’
Voor Wim Kan werd in politiek Den Haag nog gesidderd.
De Jonge: 'Ook Kan is in dat opzicht erg overschat. In wezen was zijn cabaret tamelijk vrijblijvend. Goed, Schmeltzer is nooit van die gladde tekkel afgekomen, maar of Kan daarmee politieke invloed had? Ik geloof er niets van. Hij heeft niet kunnen voorkomen dat Hirohito naar Nederland kwam, net zomin als wij met Neerlands Hoop het Nederlands voetbalelftal in 1978 uit Argentinie hebben kunnen houden. “Dan moet je net voetbal pakken”, zei Jan-Hein Donner nog tegen ons. “Als je een schaker had genomen was het geen enkel probleem geweest. Dat interesseert niemand een reet. Daarmee had je easy kunnen scoren.” Inmiddels denk ik dat Bram en ik met onze toenmalige lobby en technieken Hirohito hadden kunnen tegenhouden. Waren ze in Den Haag bang geworden en was uit veiligheidsoverwegingen een smoesje bedacht.’
Tijdens een actie voor Mexico konden mensen tegen betaling met je op de foto en vroeg je journalisten aan het slot van hun interview een gironummer van de Novib af te drukken.
'Ja, vreselijk. Vreselijk om te lachen ook trouwens. Wat je daar meemaakte aan schaamteloos profiteren van een ander, dat hou je niet voor mogelijk. Je kunt wel roepen dat je het zo goed met de wereld voor hebt, maar wat is de ernst daarvan? Dan kom je op pathetische dingen als in het openbaar iets offeren. Ik heb tijdens de Argentinie-acties serieus overwogen mijn pink in te leveren voor de goede zaak. En als het elftal toch zou afreizen, wilde ik mijn middelvinger ook afstaan. Stomme ideeen. Soms moet je bij jezelf kunnen zeggen: nee, dit is niet de weg. Toen kwam ik uit bij Baader-Meinhoff: met de botte bijl dingen veranderen. Ik heb de grenzen van m'n potentie dus wel gezien.’
HET THEMA AZIE zou in een vroegere voorstelling aanleiding zijn geweest tot diepgravend metafysisch gemijmer. In De tol, zeg ik, lijkt het op de eerste plaats decor, couleur locale. De Jonge: 'In plaats van “Hoor mij eens beweren” is het nu subtieler. “Leren doet pijn”, een regel aan het eind van de voorstelling, is in wezen een boeddhistische boodschap die er nu heel terloops uitkomt. In het theater hoef ik op dat punt niet meer zo te scoren. Wat ik kwijt wil aan diepzinnige filosofieen gaat nu veel meer in mijn romans zitten.’
De Jonges proza kan tot nu toe op een wisselende ontvangst rekenen. 'Mijn probleem is dat ik debuteer met een achtergrond’, zei hij eerder. 'Iedereen heeft een mening of verwachting. Aan de andere kant is het ook een voordeel. Ik hoef geen aantrekkelijke jonge vrouw te zijn om op te vallen met mijn eerste roman.’
Dat was Zaansch Veem. 'De Jonge schreef een boekje over zijn jeugd’, kopte de Volkskrant. Met de roman Neerlands Hoop leek De Jonge die criticus de mond te willen snoeren. Het werd een bijna vuistdik boek, waarin de bom op Hiroshima, de Oostindische kampen en de Molukkers-problematiek figureren in een groteske parabel over schuld en onschuld. De inzet van De Jonge werd geprezen maar, suggereerde men, misschien schreef De Jonge te makkelijk. 'Vond ik een fantastische zin’, zegt hij, 'De Kunstenaar Moet Lijden. Men denkt dat iets pas goed kan zijn als er tien dagen over is nagedacht. Omdat ik op het toneel gewend ben aan het briljante moment, is het al heel wat als ik ergens een uur over nadenk. Ik doe geen drieeneenhalf jaar over een roman van driehonderd pagina’s, ik doe daar een half jaar over. Dat is tamelijk vlot, ja.’
In Opa’s wijsvinger, zijn laatste roman, las de literaire pers primair een afrekening met Neerlands Hoop. 'Misschien moeten de preoccupaties wat slinken, om een overtuigender roman op te leveren’, schreef Carel Peeters. De Jonge: 'Natuurlijk zitten er een paar duidelijke verhalen in die Bram en ik hebben meegemaakt, maar zelfs van het gedeelte over de twee artiesten is vijftig procent verzonnen. In het boek staan de vader en de opa diametraal tegenover elkaar. De zoon vraagt zich vervolgens af wat zijn plaats is. Hij stuit dan op iemand die door het meenemen van zijn opa’s wijsvinger hem zijn verleden afhandig maakt. Alleen door zelf een offer te brengen kan hij daarmee weer in contact komen. Wat met mij een heleboel mensen frustreert, is dat we materieel alles hebben, maar geen boete kunnen doen. Ja, we kunnen geld geven aan de arme kindertjes, maar dat is geen offer; de bankrekening is dik genoeg om ons dat te kunnen permitteren. We zijn doodsbang om werkelijk iets af te staan. Dat had ik graag in de recensies teruggevonden, maar ja, niet gelezen.’
Waarom, vraag ik, zet je die thematiek niet voort in een nieuwe roman in plaats van in een zoveelste cabaretprogramma, waarvan je nu al weet hoe juichend pers en publiek gaan reageren. 'Soms snorkelen, soms diepzeeduiken’, zegt hij. 'Dat hangt af van de temperatuur van het water.’ Ook aan een andere grote liefde, de film, heeft hij sinds een diepgaand conflict met regisseur Jos Stelling weinig gehoor gegeven. 'Opa’s wijsvinger wordt misschien verfilmd. Dat wordt een televisieserie, want de film in Nederland ligt toch een beetje op z'n reet.’
IN DECEMBER doet De Jonge nog een liedjesprogramma met The Nits, en wie weet komt na de nar bij King Lear ooit nog die geambieerde grote rol in een Grote Tragedie. Er moeten, zeg ik, ondanks die sombere toon in veel van zijn interviews best mensen te vinden zijn die op hun vijftigste een minder prettig leven leiden dan Freek de Jonge. 'Zeker, zeker’, valt hij in. 'Ik mag ook niet klagen. Het is vergelijkend lijden. Je hebt mensen die zeggen: ik heb wel heel erg last van m'n ingegroeide nagel. Iemand anders heeft botkanker in z'n been. Maar dat betekent niet dat die nagel geen pijn doet. Ik ben zeker geen hypochonder, of een hele grote melancholicus. Maar ja, m'n leven speelt zich wel in verhevigde vorm af. Ik heb in die vijftig jaar misschien meer meegemaakt dan een ander in tweehonderd. Dan ga je sneller patronen ontdekken en denk je: jeetje, moet ik nog vijfentwintig jaar! Daar kun je wel eens een keer treurig om worden. Maar over het algemeen ben ik een blijmoedig mens.’ Hij zegt het voor de zekerheid een tweede keer: 'Een zeer blijmoedig mens.’