De interesse voor de Eerste Wereldoorlog

Boeiend bloedbad

Waarom was de Eerste Wereldoorlog zo’n enorm bloedbad? Dat er vragen blijven bestaan, blijkt wel uit de talloze boeken over en de nog steeds toenemende interesse voor ‘die oude oorlog van onze buren’.

SINDS OP 11 november 1918 een einde kwam aan de Eerste Wereldoorlog zijn veel historici gefascineerd geraakt door deze viereneenhalf jaar durende massaslachting. Waarom brak de oorlog eigenlijk uit? Hoe kon het gewapende conflict zo uit de hand lopen? Wat waren de gevolgen van deze oorlog?

Ook het grote publiek heeft zich verwonderd over dit waanzinnige bloedbad, althans in de landen die deelnamen aan de oorlog. Het aantal gesneuvelde soldaten in deze Eerste Wereldoorlog was dan ook veel groter dan in de Tweede. In Engeland, Frankrijk en België heeft altijd grote belangstelling bestaan voor de Grote Oorlog. In Duitsland daarentegen raakte die belangstelling na 1945 volledig ondergesneeuwd door de obsessie voor het trauma van de Tweede Wereldoorlog.

Tegenwoordig neemt de interesse voor 1914-1918 weer toe, wat ook het geval is in Nederland. En dat laatste is toch opmerkelijk, aangezien het onze oorlog niet was. Welke verklaringen zijn er aan te voeren voor het feit dat steeds meer Nederlandse mannen — ik kan er ook niets aan doen maar de meeste vrouwen lopen nog altijd met een boogje om oorlogen heen — afreizen naar die plaatsen waar de generatie van hun (over)grootvaders zichzelf 85 jaar geleden afslachtte? Waarom lijkt die oude oorlog van onze buren aan populariteit te winnen ten koste van onze eigen Tweede Wereldoorlog?

Om te beginnen is daar een toerisme-technische reden: de Eerste Wereldoorlog was veel sterker gelokaliseerd. Aangezien weinig slagveldtoeristen Gallipoli of de Masoerische meren bezoeken, concentreert de aandacht zich op het voormalige front in België en Noord-Frankrijk. Omdat de Blitzkrieg hier al snel uitmondde in een Sitzkrieg en het front in vier jaar tijd niet noemenswaard van plek veranderde, is de invloed op het landschap enorm geweest.

Nog altijd zijn de gevolgen van de oorlog te zien, terwijl tal van forten en loopgraven zijn geconserveerd. Vergeleken met de plekken waar in de Tweede Wereldoorlog is gevochten, valt hier eenvoudig veel meer te zien. Bovendien voorziet la Grande Guerre in de behoefte aan records die de hedendaagse mens heeft. Wat snel is moet sneller, wat veel is moet méér worden.

Wat aantallen slachtoffers betreft voldoet deze oorlog in alle opzichten. Was het totale aantal slachtoffers (doden en gewonden) van de slag bij Verdun met zo’n 900.000 al een record; de eerste dag van de slag aan de Somme deed dit met 60.000 in enkele uren ruimschoots verbleken, terwijl bij de krankzinnige aanval bij de Chemin des Dames in april 1917 het dubbele aantal soldaten crepeerde. Niet zelden krijgt men de indruk dat zulke cijfers met een zekere wellust worden opgeschreven. Maar met dergelijke banale redenen valt lang niet alles te verklaren, aangezien die slagvelden er al meer dan tachtig jaar zijn en pakweg twintig jaar geleden lang niet zo intensief werden bezocht. Er moet dus meer zijn.

Het lijkt misschien op blasfemie, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er bij veel mensen ten opzichte van de Tweede Wereldoorlog een zekere vermoeidheid begint op te treden. Nu zijn er na 1945 wel enkele golven van belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog geweest, maar vooral sinds de jaren zestig is er eigenlijk voortdurend veel aandacht besteed aan die vijf gruwelijke jaren. Was het niet de presentatie van het zoveelste deel van Loe de Jongs magnum opus, de onthulling van het oorlogsverleden van een politicus of het proces tegen een oorlogsmisdadiger, dan was het wel een discussie over de mate van collaboratie of over de hemeltergende wijze waarop joodse overlevenden werden verwelkomd na afloop van de oorlog. Dit alles zorgde voor een ontstellend aanbod aan wetenschappelijke studies, memoires en literatuur. Op een gegeven moment is het niet meer dan logisch dat een zekere verzadiging optreedt.

Hier komt echter nog iets bij. Historici trachten weliswaar steeds vaker te verklaren hóe bepaalde zaken konden gebeuren en waaróm mensen bepaalde keuzes maken, in plaats van op iedere bladzijde een moreel oordeel te vellen, toch wordt de Tweede Wereldoorlog nog steeds beheerst door het onderscheid tussen goed en fout. De onvoorstelbare, onbegrijpelijke misdaad tegen de joden zal altijd als een benauwende, onwelriekende deken over deze oorlog blijven liggen.

Fascinatie met geweld, vernietiging en dood is van alle tijden. Het hopeloze gevecht op de verloren post, de roekeloze aanval op de onneembare stelling, de helse wanhoop van de gewonde soldaat in niemandsland, de onuitsprekelijke vermoeidheid na geforceerde dagmarsen — voor velen is het aantrekkelijk zich te verplaatsen in de mensen die dit moesten doormaken.

In het geval van de Tweede Wereldoorlog is dat eigenlijk alleen toegestaan als het gaat om de Geallieerden of het verzet. Identificatie met de US Rangers die met hun wiebelige touwladdertjes de zwaar verdedigde kliffen van Pointe du Hoe bestormden, of met verzetsstrijders die kameraden bevrijdden uit het Leeuwardense huis van bewaring, daar hebben we weinig problemen mee. Maar dat zit toch iets anders met Gerardus Mooyman, een negentienjarige Nederlander die in de tweede slag bij het Lagodameer ruim twintig Russische tanks uitschakelde en daarmee als eerste buitenlandse SS’er het Ritterkreuz verdiende.

De moed, het doorzettingsvermogen, de ontberingen en de wanhoop van soldaten aan de Duitse kant waren uiteraard niet minder dan die aan de goede kant, maar al te grote belangstelling voor wat zij hebben doorgemaakt is not done. Van de in 1986 uitgebarsten Historikerstreit herinneren de meeste mensen zich waarschijnlijk alleen nog een aantal discutabele uitspraken van Ernst Nolte. Een minstens even belangrijke rol speelde echter een dun boekje van Andreas Hillgruber, getiteld Zweierlei Untergang. Hierin behandelde hij niet alleen de vernietiging van de Europese joden, maar ging hij ook uitgebreid in op het ineenstorten van het Oostfront in 1944-1945, dat zowel voor de Duitse soldaten als voor de Duitse burgers een orgie van geweld en ellende betekende. De eminente historicus werd daarna uitgemaakt voor lakei van Goebbels en erger.

Bij de Eerste Wereldoorlog heb je van dit alles weinig last. Uiteraard is er decennialang gedebatteerd over de vraag wie schuldig was aan het uitbreken van de oorlog. Ook het barbaarse optreden van het Duitse leger tegen de burgerbevolking van België en Frankrijk en de moorddadige blunders van de legerleidingen van de verschillende landen wekken nog altijd verontwaardiging, maar dit is niets vergeleken bij de morele kwesties die bij de Tweede Wereldoorlog een rol spelen. Goed en fout zijn, na ruim tachtig jaar althans, geen categorieën meer die op de Eerste Wereldoorlog van toepassing zijn. Dat ze ook bij de bestudering van de jaren 1939-1945 hoogst problematisch zijn, doet niets af aan het feit dat die oorlog wel degelijk ergens over ging. Bij de Eerste Wereldoorlog lijkt zinloosheid daarentegen het sleutelwoord.

In het huidige tijdsgewricht worstelen mensen als nooit tevoren met de vraag wat nu de zin van het bestaan is. Vaak resulteert dit in het besef dat die zin er niet is, terwijl de behoefte eraan onverminderd blijft bestaan. Dit gevoel werd in de loopgraven van het westelijk front treffend verwoord door Engelse soldaten, die op de melodie van Auld lang syne zongen: ‘We’re here because we’re here.’ Deze soldaten waren in de modderige, vervuilde trenches volledig teruggeworpen op zichzelf. Alleen het handjevol kameraden om hen heen telde nog, en ook die sneuvelden of raakten gewond. Het doel van de oorlog, laat staan de diepere zin, had voor hen geen enkele betekenis.

Het zou wel eens zo kunnen zijn dat veel fanatieke Eerste-Wereldoorlogtoeristen zich sterk vereenzelvigen met het lot van de loopgraafsoldaten omdat ze veel herkennen in dit besef van totale zinloosheid. De behoefte om zoveel mogelijk van die oorlog te zien, te weten, te verzamelen, komt misschien voort uit de behoefte aan overzicht, om in deze chaos nog enige orde te kunnen brengen. Boeken zijn hierbij een hulpmiddel, al brengen die elk weer hun eigen ordening aan en geloofden de soldaten in de loopgraven volgens de Franse historicus Marc Bloch alles, behalve het gedrukte woord.


ONTELBAAR ZIJN de overzichtswerken over de Eerste Wereldoorlog, vaak bestaande uit verscheidene delen. De echte liefhebber wil natuurlijk alles bezitten maar wie behoefte heeft aan een gedegen, hanteerbare introductie kan bijvoorbeeld eens beginnen met Martin Gilberts First World War. Gilbert is de officiële biograaf van Churchill en een rasechte veelschrijver die onlangs een driedelige geschiedenis van de twintigste eeuw voltooide. Hij behandelt zijn onderwerp altijd chronologisch, heeft oog voor het sprekende detail en ook zijn boek over 1914-1918 leest als een trein. De meer visueel ingestelde lezer, die nogal aanhikt tegen een vuistdik boek als dat van Gilbert, heeft wellicht meer aan het door Jay Winter en Blaine Bagget geschreven boek over de oorlog dat bij de BBC-serie uit 1996 hoort. Veel minder politiek en strategie dan bij Gilbert, maar wel veel aandacht voor het lot van soldaten en burgers.

Uiteraard heeft tachtig jaar bestudering van de oorlog geleid tot een verregaande mate van specialisatie, zodat veel overzichtswerken tegenwoordig bestaan uit door verschillende auteurs geschreven artikelen. Dit komt de betrouwbaarheid meestal ten goede, maar de nadelen van dit soort bundels zijn evident. Toch zijn er heel goede boeken bij, waarin vrij snel terug te vinden is hoe de oorlog op de verschillende fronten verliep en waarin ook wordt ingegaan op gevolgen van het conflict voor de economische, sociale en politieke verhoudingen. Voorbeelden zijn de door Hew Strachan geredigeerde Oxford Illustrated History of the First World War en Michalka’s Der Erste Weltkrieg. Een absolute topper in deze categorie is Facing Armageddon van Hugh Cecil en Peter H. Liddle. Naast artikelen over de militaire aspecten wordt in dit boek ook veel aandacht besteed aan de invloed van de oorlog op de burgerbevolking en op de diverse nationaliteiten, op het moreel van de troepen en de rol van de medische wetenschap, het verzet tegen de oorlog in de verschillende landen en de weerslag van het conflict in beeldende kunst en literatuur.


WIE HET NOG wel in z’n eentje kan omdat hij zich voornamelijk beperkt tot de politieke en militaire aspecten van de oorlog is John Keegan, de voornaamste vertegenwoordiger van de Engelse school van de new military history. In zijn First World War combineert hij twee benaderingen die elkaar heel lang hebben uitgesloten. In de traditionele geschiedschrijving werd de oorlog uiteraard heel lang beschreven vanuit het perspectief van de politici en generaals. Zij hadden immers de beslissingen genomen, zij droegen de verantwoordelijkheid voor het immense bloedbad. Aanvankelijk leverde dit vrij kritiekloze, vanuit nationalistische optiek geschreven boeken op. Later leidde dit juist tot felle aanvallen op de rücksichtslose, starre en stompzinnige wijze waarop de bevelhebbers de levens van miljoenen hadden opgeofferd.

Een recent voorbeeld van deze benadering is John Laffins British Butchers and Bunglers of World War One. Een van Laffins bêtes noires is vanzelfsprekend veldmaarschalk Sir Douglas Haig, die besliste dat bij de aanval aan de Somme de soldaten in gesloten gelederen, met 33 kilo bepakking, moesten opmarcheren naar de Duitse stellingen, die ze uiteindelijk nooit zouden bereiken. Op deze stijve, ogenschijnlijk hardvochtige en traditionele Commander in Chief is al sinds het einde van de oorlog scherpe kritiek geuit. De Britse premier tijdens de oorlog, David Lloyd George, had in zijn memoires een vernietigend oordeel uitgesproken over de man die hij had willen ontslaan maar voor wie hij geen opvolger had.

Ook de befaamde krijgshistoricus Liddell Hart had in de jaren dertig geen spaan heel gelaten van Haigs optreden, terwijl John Terraine de man in 1963 nogmaals neersabelde. Als cavalerieofficier zou Haig niets hebben begrepen van moderne oorlogvoering en ver achter het front, in een comfortabel château, zou hij zich niet hebben bekommerd om het mensonterende lot van zijn soldaten. Een indringende studie over hoe het Engelse leger met vallen en opstaan de volstrekt nieuwe problemen van de massale stellingenoorlog trachtte op te lossen, is trouwens Tim Travers’ The Killing Ground. Hierin staan de praktische problemen centraal, niet de schuldvraag.

De genadeslag kreeg Haigs reputatie met Denis Winters Haigs Command, a Reassessment, waarin werd aangetoond dat de opperbevelhebber een pathologische leugenaar was die officiële verslagen vervalste om zijn imago op te poetsen. In een land als Engeland, waar de geschiedschrijving zo intensief wordt bedreven, kon een boek waarin deze uiterst kritische visie op Haig en de andere generaals wordt aangevallen niet lang uitblijven. In The Great War Generals on the Western Front 1914-1918 wordt door Robert Neillands dan ook betoogd dat de oorzaken van de massaslachtingen voornamelijk dienen te worden gezocht in factoren waaraan de bevelhebbers niet zo veel konden doen en waarvoor de verantwoordelijkheid in de eerste plaats bij de politiek lag. Ook in de onlangs verschenen bundel over Haigs optreden, geredigeerd door Brian Bond en Nigel Cave, lijken diens verdedigers op punten te winnen van de critici. Uiteindelijk heeft Haig immers wel de oorlog gewonnen.


ALS REACTIE OP de nadruk die lange tijd werd gelegd op het optreden van de bevelhebbers verschenen vanaf eind jaren vijftig steeds meer boeken die waren geschreven vanuit het perspectief van de loopgraven. In 1958 zette Leon Wolff met In Flanders Fields de toon van de door Neillands gewraakte mud, rats and shellfire view-from-the-trenches. Drie jaar later verscheen Alan Clarks The Donkeys, dat eveneens felle kritiek bevatte op de wijze waarop de generaals de oorlog voerden en waarin het immense lijden van de privates en officieren te velde centraal stond. Ook Denis Winters Death’s Men en Martin Middlebrooks The first day on the Somme stonden in deze traditie. De laatste auteur schreef bovendien nog een boek over het Duitse offensief van maart 1918. Daarbij kwam hij wederom, evenals trouwens de meeste soldaten, niet verder dan de eerste dag. Vanaf de jaren zeventig verscheen bovendien een enorme reeks boeken van Lyn MacDonald, die op basis van egodocumenten en interviews met veteranen de gehele oorlog beschreef vanuit het perspectief van de loopgraven. Aan het lijden en sterven van de mannen in de loopgraven wijdde de Nederlandse historicus Leo van Bergen vorig jaar een imposante studie.

Verreweg de meest aangrijpende boeken zijn uiteraard de getuigenissen van hen die het overleefden. Hoewel Pat Barkers bekroonde trilogie en Sebastian Faulks Het lied van de loopgraven op indringende wijze het leven aan het front beschrijven, haalt geen enkele historische roman het bij memoires als die van Robert Graves, Siegfried Sassoon of Ernst Jünger, en zelfs niet bij een roman als Im Westen nichts Neues.

De Grote Oorlog was trouwens een echte writers war, aangezien vele bekende en talloze minder bekende schrijvers in deze oorlog vochten en soms ook sneuvelden. Met Een plasje bloed in het zand heeft Chrisje Brants een prachtige bloemlezing samengesteld van literaire getuigenissen. Ook zeer de moeite waard is De Troost van Schoonheid van Piet en Wim Chielens, die in een briefwisseling de literaire geschiedenis schrijven van het front rond Ieper, waar Sassoon, Owen, Gurney, Blunden en andere war poets vochten. Over de gevolgen van de oorlog voor het literaire en alledaagse Engels handelt het klassieke boek van Paul Fussell, The Great War and Modern Memory.


Wie zich niet alleen wil verdiepen in het lot en de beleving van individuele soldaten maar ook zicht wil krijgen op het grote geheel kan kiezen uit tal van boeken. Naast de reeds genoemde overzichtswerken zijn er verscheidene uitstekende boeken die een bepaalde fase of een bepaald front van de oorlog behandelen. Over de oorzaken en het uitbreken van de oorlog is ongelooflijk veel geschreven. Nog altijd bruikbaar zijn de al wat oudere boeken van James Joll, Barbara Tuchman en A.J.P. Taylor, terwijl daar recent zijn bijgekomen het boek van de Nederlandse historicus Andriessen en de nogal speculatieve en gezocht controversiële studie van Niall Ferguson.

Buitengewoon verhelderend is bovendien nog altijd het boek Griff nach der Weltmacht uit 1961, waarmee Fritz Fischer in Duitsland een debat veroorzaakte dat in hevigheid en emotionaliteit niet onderdeed voor de latere Historikerstreit of de Goldhagen-controverse. Terwijl velen het ontstaan van de oorlog trachtten te verklaren uit een noodlottige samenloop van omstandigheden, stelde Fischer dat het Duitsland was geweest dat doelbewust had gepoogd een Weltmachtstellung te veroveren. Om de enorme kritiek te ontzenuwen schreef hij daarna nog een boek over de Duitse voorbereiding op de oorlog.

Dat Duitsland uiteindelijk de oorlog verloren heeft, is minder vanzelfsprekend dan men achteraf zou denken. Nog in maart 1918 wist het Duitse leger, het best getrainde en bewapende ter wereld, aan het westelijk front een gigantisch offensief te lanceren dat de geallieerde legers leek weg te vagen. In zijn voortreffelijke boek over de oorlog vanuit Duits/Oostenrijkse optiek heeft Holger Herwig laten zien dat niet alleen gebrek aan grondstoffen, maar ook een inefficiënt gebruik van de wél aanwezige hulpmiddelen de oorzaak vormde van de Duitse nederlaag. Bovendien was het vaak bejubelde maart-offensief een aaneenschakeling van strategische en tactische blunders. Overigens besteedt zijn boek ook veel aandacht aan een aspect van de oorlog dat veel huidige slagveldtoeristen vergeten, namelijk dat er ook nog een oostelijk front was. Wie meer wil weten over de gruwelijke toestanden aan dit vergeten front kan onder meer terecht bij het beknopte maar zeer informatieve boekje van Norman Stone. De lezer die nieuwsgierig is naar meer details over het Isonzo-front of de slag van Tarnow-Gorlice, heeft bovendien de beschikking over het monumentale boek Der Tod des Doppeladlers van Manfried Rauchensteiner.

Weinig Eerste Wereldoorlogtoeristen zullen bovengenoemde slagvelden bezoeken, wat ook geldt voor het strijdtoneel van het bloedige debacle bij Gallipoli, de mislukte Engelse invasie van Turkije. Maar hier kan het dikke boek van Robert Rhodes James ter compensatie dienen. De meeste belangstelling gaat echter nog altijd uit naar de oude frontlijnen in Vlaanderen en Frankrijk. Hierover zijn zoveel boeken geschreven dat ik er nog slechts twee wil noemen: Alistair Hornes klassieker over de slag bij Verdun en de curieuze topografische geschiedenis van de slag bij de Somme van Gerald Gliddon. In dit laatste boek wordt elk heuveltje, elke holle weg en elke boerderij op het slagveld beschreven en kan men op enkele meters nauwkeurig terugvinden waar Ernst Jünger of Siegfried Sassoon heeft gevochten. Een reisgids voor de echte Great War Freaks.

Voor de minder monomane reiziger is er het onvolprezen boek van Chrisje en Kees Brants dat tien voortreffelijke routes biedt en waarin bijzonder veel historische informatie te vinden is. Van aanzienlijk mindere kwaliteit zijn de boekjes van Richard Heijster over Verdun en Ieper, waarvan het niveau voldoende is weergegeven als we weten dat deze auteur het nodig vindt ons mede te delen dat België in het buitenland ligt, zodat we ons paspoort niet moeten vergeten! Er is veelvuldig geschreven over de waanzin van de oorlog, maar dat die waanzin tot op de dag van vandaag voortduurt, bewijst het laatste boekje van Heijster: Mysterie 14/18. In dit boekje met een voorwoord van Ronald Jan Heijn rijgt de schrijver de ene paranormale gebeurtenis aan de andere en citeert uitgebreid mensen die zeker weten dat ze de reïncarnatie zijn van een gesneuvelde soldaat.


ONZIN IS ER genoeg geschreven over de Eerste Wereldoorlog, net als er veel geschreven is over de zinloosheid ervan. Een drama dat zo volstrekt zonder enige zin was als de Great War vormt uiteraard een uitdaging voor auteurs die er toch een bepaalde betekenis aan willen hechten. Een controversieel en inmiddels klassiek voorbeeld hiervan is Modris Eksteins’ Rites of Spring, waarin de oorlog wordt gezien als de uiterst pijnlijke en bloedige geboorte van onze moderne cultuur. Een zeer aanvechtbaar doch tevens inspirerend boek, waarop door Jay Winter is gereageerd met het even prachtige Sites of Memory, Sites of Mourning. In deze rijke studie laat hij zien hoe de overlevenden en nabestaanden op tal van terreinen juist niet naar moderne vormen grepen, maar allerlei traditionele stijlmiddelen uit de kast haalden. Om het onvoorstelbare leed te verzachten had men niets aan modernistische literatuur of abstracte kunst, maar greep men terug naar het oude en het vertrouwde, naar datgene wat in feite door de oorlog was verwoest. Misschien is dat ook de oorzaak dat veel mensen in deze onzekere tijden niet vooruit maar achterom kijken, naar de oorlog die het begin vormde van de eeuw die we zo graag voorgoed willen afsluiten.


Met dank aan Gerard Bettinger en Arjen van Ginkel


— kader —

Het totale aantal boeken over de Eerste Wereldoorlog moet in de tienduizenden lopen. Voor wie zich hierin wil verdiepen een ondoordringbaar oerwoud, temeer daar veel titels inmiddels niet eenvoudig te vinden zijn. De volgende boeken zijn over het algemeen nog verkrijgbaar en helpen iemand met belangstelling voor de Grote Oorlog enigszins op weg. Op de pagina’s hiervoor worden deze boeken in vogelvlucht besproken.


Andriessen, J.H.J., De andere waarheid. Een nieuwe visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog (Bataafsche Leeuw)

Barker, Pat, Niemandsland (De Geus)

Barker, Pat, Het oog in de deur (De Geus)

Barker, Pat, Weg der geesten (De Geus)

Bergen, Leo van, Zacht en eervol. Lijden en sterven in een Grote Oorlog (Sdu/Standaard Uitgeverij)

Bond, Bryan & Cave, Nigel (ed.), Haig. A reappraisal seventy years on (Barnsley/Cooper)

Bond, Bryan (ed.), The First World War and British Military History (Oxford University Press)

Brants, Chrisje, Een plasje bloed in het zand. Literaire getuigenissen van de Grote Oorlog (Balans)

Brants, Kees & Chrisje, Velden van weleer. Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog (Nijgh & Van Ditmar/Dedalus)

Cecil, Hugh & Liddle, Peter H., Facing Armageddon. The First World War Experienced (Leo Cooper)

Chielens, Piet & Wim, De Troost van Schoonheid. De literaire Salient (Ieper 1914-1918) (Globe)

Clark, Allan, The Donkeys (Pimlico)

Eksteins, Modris, Lenteriten. De Eerste Wereldoorlog en het ontstaan van de nieuwe tijd (De Haan)

Faulks, Sebastian, Het lied van de loopgraven (De Arbeiderspers)

Ferguson, Niall, The Pity of War. Explaining World War I (Basic Books)

Fischer, Fritz, Griff nach der Weltmacht. Die Kriegszielpolitik des kaiserlichen Deutschland 1914/1918 (Droste)

Fischer, Fritz, Krieg der Illusionen. Die deutsche Politik von 1911 bis 1914 (Droste)

Fussell, Paul, The Great War and Modern Memory (Oxford University Press)

Gilbert, Martin, First World War (Harper Collins)

Gliddon, Gerald, The Battle of the Somme. A Topographical History (Sutton)

Graves, Robert, Goodbye to all that (Cassell)

Herwig, Holger H., The First World War. Germany and Austria-Hungary 1914-1918 (Arnold)

Heijster, Richard, Een bezoek aan Verdun. Breuklijn der beschaving (Elmar)

Heijster, Richard, Ieper 14/18 (Lannoo)

Heijster, Richard, Mysterie 14/18. De Eerste Wereldoorlog onverklaard (Lannoo)

Horne, Alistair, The Price of Glory. Verdun 1916 (Penguin)

Joll, James, The Origins of the First World War (Longman)

Jünger, Ernst, In Stahlgewittern (Klett-Cotta)

Keegan, John, First World War (Hutchinson)

Laffin, John, British Butchers and Bunglers of World War One (Bramley Books)

Liddell Hart, B.H., A History of the First World War (Cassell)

Lloyd George, David, War Memoirs, 6 delen (Nicholson & Watson).

MacDonald, Lyn, 1914. The dawn of hope (Penguin)

MacDonald, Lyn, 1915. The death of innocence (Penguin)

MacDonald, Lyn, Somme (Penguin)

MacDonald, Lyn, They called it Passchendale (Penguin)

MacDonald, Lyn, The Roses of No Man’s Land (Penguin)

MacDonald, Lyn, Voices and images of the Great War (Penguin)

Michalka, Wolfgang (Hrsg.), Der Erste Weltkrieg. Wirkung, Wahrnehmung, Analyse (Piper)

Middlebrook, The first day on the Somme (Penguin)

Middlebrook, The Kaiser’s Battle. 21 March 1918: The first day of the German Spring offensive (Penguin)

Neillands,Robbert, The Great War Generals on the Western Front 1914-1918 (Robinson)

Rauchensteiner, Manfried, Der Tod des Doppeladlers. Österreich-Ungarn un der Erste Weltkrieg (Sytria)

Remarque, Erich Maria, Im Westen nichts Neues (Propyläen)

Rodes James, Robert, Gallipoli (Pimlico)

Sassoon, Siegfried, Memoirs of an Infantry Officer (Faber & Faber)

Strachan, Hew (ed.), Oxford Illustrated History of the First World War (Oxford University Press)

Stone, Norman, The Eastern Front, 1914-1917 (Penguin)

Taylor, A.J.P., War by Timetable. How the First World War Began (Hamish Hamilton)

Terraine, John, Douglas Haig. The educated soldier (Arrow Books)

Travers, Tim, The Killing Ground. The British Army, the Western Front & the Emergence of Modern Warfare, 1900-1918 (Routledge)

Tuchman, Barbara, De kanonnen van augustus (Agon)

Winter, Denis, Haig’s Command, A Reassesment (Penguin)

Winter, Denis, Death’s men. Soldiers of the Great War (Penguin)

Winter, Jay, Sites of Memory, Sites of Mourning. The Great War in European cultural history (Cambridge University Press)

Winter, Jay & Bagget, Blaine, 1914-18. De Grote Oorlog en de vorming van de 20ste eeuw (Standaard Uitgeverij/Van Buuren)

Wolff, Leon, In Flanders fields. The 1917 Campaign (Penguin)

— einde kader —