Boek!

Dat er beroemdheden zijn die ons een kijkje gunnen op de grootste knoop of in de diepste kronkels van hun ingewanden, is een zegen voor het publiek. Want in het algemeen moet er heel wat gebeuren alvorens wij onze voyeuristische dorst kunnen lessen. Wij hebben bijvoorbeeld hele bataljons paparazzi nodig om te achterhalen wat zich precies in een bepaalde tunnel onder de Seine heeft afgespeeld. En als er geen fulltime aasgier in de buurt van een Oval Office te vinden is wanneer de minnares van een president eruit probeert te sluipen, hopen wij vurig dat die vrouw ergens een vriendin met verborgen microfoon zal tegenkomen.

Met haar boek I.M., dat over haar liefdesrelatie met Ischa Meijer handelt, heeft Connie Palmen alle Nederlandse paparazzi in één klap overbodig gemaakt. Onder de dekmantel van de literatuur heeft de auteur een bijzonder egodocument geleverd waarin de meest intieme en bizarre details betreffende die relatie door haarzelf worden onthuld.
Zo wordt het boek ingeluid met een schokkende gebeurtenis die de penetrante geur draagt van vers uitgeworpen fecaliën. In I.M. ontmoeten Ischa en Connie elkaar op straat en doen ze het allebei, elkaar aankijkend, spontaan in hun broek. (Hopelijk is deze wederzijdse liefdesverklaring geruisloos gebeurd.) ‘Ik scheet blubber van angst’, lichtte de auteur toe in een exclusief interview in Het Parool.
Misschien moet dit in verband worden gebracht met de cryptische vraag die Palmen in hetzelfde vraaggesprek opwerpt: 'Hoe ziet een grote liefde eruit, hoe ruikt het, hoe voelt het, wat voor kleur heeft het.’
Je kunt hier om gaan lachen of je neus toepasselijk dichtknijpen, maar de bewonderenswaardige openheid van de auteur, de kwetsbare positie waarin ze zich manoeuvreert, onder supervisie van haar uitgever natuurlijk, is in feite een meesterzet. Het authentiseert in één klap het hele boek. Zoiets goors en tegelijk intens verzin je niet, dus de rest van het verhaal moet ook waar en hartstochtelijk zijn.
En wat wil de voyeuristische lezer van I.M. anders dan echte drek en echte liefde?
Echte anekdotes over echte doden en levenden die hij door de uitwerking van zijn zinsbegoochelende tv-toestel bijna tot zijn familie rekent.
Is hij soms niet bereid uren in de rij te staan om zijn heldin in het echt te bewonderen en haar met compassie gade te slaan? Ruikt ze misschien nog naar haar eerste ontmoeting met wijlen haar geliefde? En dan kun je altijd bij zo'n sessie een schouderklopje geven en een aardig woordje fluisteren: 'Erg zo'n verlies, nietwaar mevrouw Palmen?’
Je kunt ook, terwijl je met een turbovulpen wordt afgewerkt, in de diepte achter de netvliezen van de treurige auteur naarstig naar een restje rouw en verdriet gaan zoeken. Hopend op een laatste verdwaalde traan van de schrijfster, die per toeval op je net gesigneerde exemplaar zou kunnen vallen. Hoeveel zou dat boek met een mix van inkt en oogvocht niet waard zijn?
Toen Ischa Meijer dood ging, dacht ik: boek! En zo dacht natuurlijk ook zijn vriendin de schrijfster en haar uitgever. Later leerden de omslagontwerpers, redacteuren, promotiemedewerkers en de gehele afdeling verkoop ook in die termen te denken: boek! Je kunt niet iedere dag een beroemde tv-dode binnenhalen.
En wat voor een trouwens! Bij de exit polls aan de deur van het volgepakte kerkhof kon je, drie jaar geleden, de kans op succes al peilen. Verdriet en rouw, plus haat en nijd, familieruzies, seksuele ontrouw, hoerenloperij en, natuurlijk, Grote Liefde. Hoeveel brengt dat niet allemaal op?
Daarom is de dood van Ischa Meijer, precies drie jaar na dato, een voor Nederland ongekend commercieel evenement geworden. Een eerste oplage van 100.000 gebonden exemplaren van I.M., ondersteund door een gigantische publiciteitscampagne met grote posters waarop Het Verdriet zelve de potentiële koper naar de stapels moet lokken.
In werkelijkheid, zoals in het tv-programma De Plantage bleek, is de schrijfster rouw en verdriet voorbij. Ze is nu in de fase beland waar platitudes en clichés over Liefde en Dood vrolijk aan de man worden gebracht. Dat de dode in kwestie toevallig wars was van dit soort taferelen, doet er niet meer toe. Of, om Connie Palmen te parafraseren (over de overleden Roelof Kiers): 'Hij kan het wel hebben, hij is dood.’