Boek dat onder de huid gaat zitten

De beste boeken lees ik op verstolen momenten. Het feit dat ik ze tussentijds niet probeer op te pakken, verhoogt het genot. Zo lees ik nu voor recensentbegrippen al een best oud boek (in 2010 kwam de vertaling uit), een boek dat eigenlijk voor mij al verloren was, maar dat ik in zo'n typische vlaag van lezerswanhoop - ik moet nú iets lezen, nú, en dan niet waar ik iets mee moet en ook even geen kookboek - uit een ongerede stapel viste.

Het is geschreven door Austin Wright en het heet Tony & Susan. Ik had het bewaard omdat Katja de Bruin er in de VPRO-gids aanstekelijk over had geschreven, en ook omdat ik daarna op het boek zelf zag dat Ruth Rendell en Sarah Waters er aardige dingen over hadden gezegd. Ruth Rendell, van wie sowieso altijd alles gelezen moet worden - maar dan wel de boeken die ze onder haar pseudoniem Barbara Vine schreef. Gallowglass, A Sight for Sore Eyes, The Chimney Sweeper’s Boy, in hun genre - de psychologische thriller - zijn het de beste boeken. Maar van Austin Wright had ik dus nooit gehoord. Ik heb het boek er nu trouwens even bij gepakt en zie dat de schrijver al overleden is, in 2003.

Even een rekensommetje: hij was 71 toen dit boek in Amerika uitkwam! Zijn enige? Nu is het zaak níet te gaan googelen, en uiteindelijk op een site uit te komen waar ik jurken en schoenen online ga kopen, de vogels doen zo hun best buiten.

Tony & Susan dus, en het verhaal had me onmiddellijk in zijn greep. Een getrouwde vrouw, Susan, krijgt na twintig jaar een brief van haar vroegere echtgenoot. Of ze alsjeblieft de roman wil lezen die hij geschreven heeft. Ze voelt er weinig voor, het feit dat hij schreef was de belangrijkste reden van hun huwelijksproblemen geweest, maar ze wil ook weer niet de lulligste zijn, ook al ergert ze zich onmiddellijk aan z'n aanminnige ondertekening: ‘je oude Edward, nog vol herinneringen’. Zucht, stuur maar op. Drie maanden lang laat ze het manuscript vervolgens liggen, tot ze het op een avond, vervuld van een gevoel van naderend onheil - maar dat lijkt meer te maken te hebben met het zakentripje van haar man naar New York - ter hand neemt en gaat lezen.

En de lezer leest met haar mee.

Nachtdieren, zo heet de roman die Edward schreef, en de hoofdpersoon heet Tony. Tony rijdt midden in de nacht samen met vrouw en dochter over de snelweg in Noord-Pennsylvania, op weg naar hun zomerhuis in Maine. Op verzoek van de dochter hadden ze besloten ‘s nachts door te rijden in plaats van onderweg ergens te overnachten. En dan staat daar die lifter, een Jezus-achtige verschijning, maar Tony negeert hem ondanks het protest van zijn dochter. Vervolgens doemen er twee auto’s op die een geintje met Tony gaan uithalen. Ze zitten hem op alle mogelijke manieren dwars door vlak naast of voor hem te gaan rijden, tot ze hem dwingen aan de kant van de weg te stoppen.

Zó'n bloedstollend verhaal, meteen, maar toen ik het navertelde aan een vriend haalde die zijn schouders op: 'Ach, zo beginnen echt alle horrorverhalen.’

Maar ik kon al niet meer wachten tot mijn volgende verstolen leesmoment, en zo las ik op een uur dat ik anders hooguit nog lees hoe je financiers aux framboises moet bakken dat Tony in z'n eentje in het volkomen duister in een bos belandt. Zo eng en desolaat wordt dat beschreven, dat ik er toch weer niet mijn mond over kon houden.

‘Maar hoe kan hij nou zijn vrouw en dochter zijn kwijtgeraakt?’ vroeg diezelfde kritische vriend.

Ondertussen had ik in het boek ook nog te kampen met de reactie van Susan op wat ze las. Susan die eigenlijk wel onder de indruk is van de schrijfkwaliteiten van haar vroegere geliefde, maar die zich ook wat ongerust begint te maken over de wending die het verhaal dreigt te nemen en van wie je als lezer het idee krijgt dat er van alles smeult onder haar kabbelende oppervlak. Edward zou nooit een verhaal van bloed en wraak schrijven, denkt ze, maar wat is dit dan?

Voor Tony heeft Edward in ieder geval een verschrikkelijk lot in petto, en het grootste deel van het verhaal verkeert Tony in diepe, stomme rouw. De lezer rouwt met hem mee. Susan ook, al maakt ze zich zorgen dat zijn depressie te zeer uitgesmeerd gaat worden, zich ook weer herinnerende dat Edward tijdens hun huwelijk aan depressies leed omdat het schrijven niet wilde lukken.

‘Hoe is het met die man?’ vraagt de vriend als ik hem weer zie. ‘En die vrouw?’

Zo'n boek is het dus. Een boek dat onder de huid gaat zitten van iedereen die er ook maar zijdelings mee in aanraking komt. Wat begint als een ‘gewoon’ horrorverhaal, ontpopt zich heel subtiel tot een heel ander soort horrorverhaal. Ik weet het nog niet precies maar het heeft iets te maken met oud zeer, met leugens en verraad, en de intrinsieke oneerlijkheid die optreedt zo gauw je iets op papier zet. Gelukkig heb ik nog 160 bladzijden te gaan.