Boek in de boksring

Margriet de Moor, Hertog van Egypte, Querido, 288 blz., 337,50 (pap.), 352,50 (geb.)
VAAK LIJKEN literaire critici tamelijk goede vrienden. Als je hun beschouwingen over een bepaald boek leest, lijken ze elkaar instemmende schouderklopjes te geven. De teneur van hun stukken komt redelijk overeen: gematigd positief of negatief, hier heeft het boek een onsje meer gekregen, daar een onsje minder, soms is er een uitschieter richting jubel of hoon.

Zo nu en dan lijken recensenten regelrecht met elkaar op de vuist te gaan, loftuiting en schimpscheut staan tegenover elkaar in de boksring. Mijn interesse is dan meteen gewekt: hoe kan het dat een boek zulke uiteenlopende reacties oproept? Is het puur een kwestie van smaak? Botsen verschillende literatuuropvattingen? Heeft het met de reputatie van de auteur te maken?
Ruim een maand geleden verscheen Hertog van Egypte, het nieuwe boek van Margriet de Moor dat, grof gezegd, over de liefde tussen Lucie, een aan huis en erf gebonden boerenvrouw, en de zigeuner Joseph gaat. De roman lokte een merkwaardige kritische estafetteloop uit. Tom van Deel startte als eerste in Trouw en bestempelde Hertog van Egypte als een fenomenale en schitterende roman met een ‘rijkelijk en gelukkig ook raadselachtig verhaal’; een paar uur later volgde Reinjan Mulder in NRC Handelsblad met een stuk dat aanmerkelijk kritischer was. De aanklacht in de roman maakt op hem 'een nogal simplistische en naïeve indruk’, de vele verhalen over het zigeunerleven lijden aan 'een vervelend soort sentimentaliteit’, en de passages waarin over de geschiedenis van de zigeuners wordt verteld hebben 'soms het karakter van een leerstuk’.
Een week later nam Aleid Truijens in de Volkskrant ferm het estafettestokje over voor een flinke sprint. Hertog van Egypte is voor haar 'jammerlijk mislukt’. Had Reinjan Mulder al geschreven dat het bij De Moors beschrijvingen van zigeuners moeilijk is 'om niet meteen een zigeunerbaron te horen of een snikkend zigeunermeisje te zien’, Truijens herhaalt dat de schrijfster hardnekkig blijft putten 'uit het palet van de schilder van het zigeunerkopje’ en dat Joseph omhangen is 'met alle zigeunerattributen uit de verkleedkist’. Ze benadrukt dat de twee hoofdpersonen louter uit clichés zijn opgetrokken, sneert dat het boek edelkitsch is, en concludeert dat het gevaarlijk is om mensen tot 'hun soort’ te reduceren. Wat was er gebeurd, vraagt Truijens zich verontwaardigd af, als De Moor niet over typische 'zigeunerachtigheid’ maar over typische 'joodsheid’ had geschreven?
Weer een paar dagen later schrijft Carel Peeters lyrisch over de 'stijlvaste zwier’ van de 'wervelende en tintelende’ roman, maar stelt Jaap Goedegebuure dat Hertog van Egypte niet helemaal ten prooi is gevallen aan 'kitsch en cultuurhistorische wetenswaardigheden’ omdat De Moor een subtiel spel tussen verteller en personages laat zien. En zo gaat het nog twee weken door: ronduit positieve en negatieve kwalificaties schieten heen en weer als een opgejaagde muis in een afgesloten kamer.
NATUURLIJK IS het een waagstuk om over zigeuners te schrijven. Aan geen enkele 'soort’ mensen kleven zoveel romantische clichés en vooroordelen als aan hen. Bovendien maakt De Moor - zoals we in elke afkeurende recensie kunnen lezen - zonder schroom gebruik van de bekende zigeunerkarakteristieken: Joseph heeft ravenzwart haar, zwerversogen en een fraaie zwarte snor; hij draagt een gouden horloge, een deukhoed en heeft zijn blote voeten in lakschoenen gestoken; hij rijdt in een 'protserige limo’ en is elke zomer maandenlang van huis om rond te zwerven door Europa, van zigeunerkamp naar zigeunerkamp, op zoek naar familie.
De vraag is of dergelijke karakteristieken maken dat de roman mislukt, 'edelkitsch’ is. Is Joseph een clichématige zigeuner? Voor Mulder, Truijens en Goedegebuure is dat in ieder geval een van de voornaamste bezwaren tegen Hertog van Egypte. Het lijkt me dat daarbij telt wat de literaire middelen zijn die Margriet de Moor hanteert. Door welke ogen worden de zigeuners gezien? Wie is er aan het woord in het boek? Wat is kortom het vertelperspectief? Juist de manier waarop het verhaal, of beter: de verhalen, in Hertog van Egypte worden verteld maakt het boek fascinerend. De geschiedenis krijgen we te horen van een ik-vertelster die betrekkelijk vaag is. Toch lijkt ze niet op de alwetende verteller die je zo vaak in de literatuur tegen komt, zo'n verteller die boven het verhaal zweeft en moeiteloos in de huid van zijn personages kruipt. Eerder is de ik een onzichtbaar personage; je kunt haar contouren niet uittekenen maar haar stem is persoonlijk en betrokken. Soms lijkt het of ze in de jij-vorm Joseph of Lucie iets wil toefluisteren, een keer steekt ze zelfs haar 'doorzichtige hand’ uit om het sluike haar van de dochter van Joseph en Lucie te strelen.
Uit wat de ik-vertelster over zichzelf loslaat, blijkt dat ze een buitenstaander is - een 'gadjo’ zoals de zigeuners dat noemen - die zigeuners wel en niet begrijpt. Soms is ze bevooroordeeld, 'dat soort mensen’ zegt ze dan, of 'het taaltje van hun soort’. Dan weer zit ze Joseph dicht op de huid: 'Wie anders dan ik zou hem moeten volgen? Met hem mee moeten rijden in de Buick al was het maar aan de andere kant van de grote bolle voorruit?’ Maar even later, als Joseph weer eens door een controlerende politieman van de weg wordt gepikt, geeft ze aan dat ze geen onschuldig blauwig landschap meer is maar tot over haar oren in een compromitterend vel steekt.
Je komt verder over de ik te weten dat ze niet achter de ogen van Joseph kan kruipen om te kijken hoe hij de wereld beziet, maar eigenlijk kan ze dat ook niet bij Lucie. Lucie is net zozeer een buitenstaander als de zigeuner Joseph. Ze is een bleke vrouw met rood haar, waardoor ze vroeger op straat werd uitgescholden. Daarbij is ze vreemd, ze staart en praat nauwelijks. De vertelster is vooral het scherpzinnige en pratende alter ego van de woordeloze Lucie: 'Ik ben tenslotte van dezelfde leeftijd als zij, in hetzelfde dorp geboren en zat in dezelfde schoolbank. (…) Na schooltijd hing ik als een roofvogel boven haar hoofd (…) en hoewel ik veel intelligenter ben dan zij, kon ik de kronkels in haar hoofd toch niet werkelijk volgen.’
Tegelijkertijd nadert de vertelster de schrijfster. Omdat ze per definitie buitenstaander is van de uitzonderlijke, woordeloze liefde tussen Joseph en Lucie en van het zigeunerleven. En omdat ze zo nu en dan haast ethische vragen stelt. Zo laat de ik weten dat zigeuners elkaar wel verhalen vertellen, maar dat ze die nooit op schrift stellen - 'Maar díé lui schríjven niets op!’ - en vraagt ze zich vervolgens af of het wel goed is om te schrijven 'over wie dat zelf per se niet doet?’
TERUG NAAR de estafetteloop. Nu gaat het in een literaire kritiek niet om het waardeoordeel maar om de weg die daarheen leidt, om de argumentatie zogezegd. Ik ben niet direct geneigd positieve besprekingen eerder te geloven dan negatieve, maar in het geval van Hertog van Egypte hebben de criticasters gewoon slecht gelezen. Reinjan Mulder constateert aan het begin van zijn recensie kort dat de vertellende instantie raadselachtig is en een dubbelganger van de hoofdpersoon lijkt te zijn, maar verder geeft hij daar geen betekenis aan. Aleid Truijens schiet gewoon mis als ze het over 'een reeks vertellers’ heeft. Ook zij houdt in het vervolg van haar kritiek geen rekening met hoe het boek wordt verteld. En Hertog van Egypte gaat juist over het vertellen van verhalen! Tom van Deel, Carel Peeters en Doeschka Meijsing wijzen daar terecht op, misschien dat hun stukken daardoor heel wat positiever uitpakken.
De liefde tussen Joseph en Lucie is van het fatale soort, twee uitersten voelen zich vanaf de eerste kennismaking onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken, ze zijn elkaar tegelijkertijd 'oneindig vertrouwd’ en 'oneindig vreemd’. De liefde is nog curieuzer doordat Joseph steevast in de zomer afreist en Lucie alleen achterlaat. Hun vreemdheid voor elkaar en Josephs afwezigheid worden overbrugd door de verhalen die hij vertelt. Ergens staat dat Lucie Josephs sultan is. Inderdaad is hij een mannelijke Scheherazade die, door de ik aan het woord gelaten, verhaal aan verhaal rijgt.
Hertog van Egypte is een even ambitieus als paradoxaal boek. Op papier probeert De Moor de per definitie orale vertellingen van de zigeuners vast te leggen. Aan het begin van de roman schrijft ze dat opgeschreven verhalen net als huizen, straten, klokken en kalenders bakens zijn die we in ons hoofd hebben aangebracht. In haar boek breekt De Moor die bakens weer af: ze laat zien dat verhalen letterlijk grenzeloos zijn, ruimte en tijd, leven en dood overschrijden. Door Josephs verhalen verplaatst Lucie zich door heel Europa: 'Vanuit het Twentse landschap in november kijkt Lucie die hele ochtend uit over een zomers Silezië.’ In de verhalen van de zigeuners is de grens tussen heden en verleden opgeheven, een verhaal over een gruwelijke terechtstelling uit de achttiende eeuw is even actueel als het laatste nieuws dat 'onmerkbaar in fabeltjes verandert’.
Ik heb bij het lezen van Hertog van Egypte niet aan een snikkend zigeunersmeisje gedacht, of aan het palet van de schilder van het zigeunerkopje. Ik hoorde een stem die verhalen vertelde, archaïsche verhalen die zich over de eeuwen uitstrekken en niet psychologiseren. 'O. Laat me dus praten’, zegt de stem. 'Zie je het voor je?’