In het getto overleeft de slimste

BOEK VAN DE MAAND

NIEUWE RUBRIEK
VERTAALDE LITERATUUR

Het Boek van de Maand is in De Groene Amsterdammer misschien wel een running gag. Heel lang geleden kwam een comité letterkundigen maandelijks bijeen om vast te stellen wat in de recente oogst aanbevelenswaardig was. Van recenter datum is de keuze door een wisselend gezelschap van vier boeken, waarvan elke maand het beste uitvoeriger werd besproken, de andere kort.
Ondergetekende draaide jarenlang in de club mee en begint nu voor zichzelf. Het is niet per se het beste boek uit het hele aanbod. Van de vertaalde literatuur signaleer ik er hier zes. Aan één ervan besteed ik, om een of andere reden, meer aandacht dan aan de andere. Over het boek van Hrabal, een keuze van autobiografische fragmenten, had ik uitvoeriger kunnen schrijven, omdat het aanleiding geeft ander werk van hem te herlezen. De vroege roman van Kadare bood gelegenheid de wisseling van realistische naar meer fabelachtige verhalen toe te lichten. Van Sebald is alles vertaald en verscheen alsnog zijn eerste roman. Maar uiteindelijk vroeg Nacht van Hilsenrath het meest om een weerwoord. Daarbij interesseert mij vooral de vraag of de aanpak van deze roman over een getto in oorlogstijd na 44 jaar niet een heel ander effect heeft dan het schokeffect dat de schrijver in 1964 met het oog op het Duitse publiek voor ogen stond.

EDGAR ILSENRATH
NACHT
Uit het Duits (1964) vertaald door Ingrid ten Bos, Chrétien Breukers en Willem Desmense
IJzer, 493 blz., € 29,96

Hoewel er in de jaren negentig twee boeken van hem zijn verschenen, is Edgar Hilsenrath in Nederland nagenoeg onbekend gebleven. Hij werd in 1926 in Leipzig geboren, kwam op de vlucht voor de nazi’s in Roemenië terecht, in een getto, emigreerde in 1945 naar Israël en verbleef van 1951 tot eind jaren zeventig in Amerika waarna hij weer naar Duitsland terugkeerde. Met alleen die twee vertalingen – Het sprookje van de laatste gedachte (Amber, 1991) en De terugkeer van Jossel Wassermann (Bodoni, 1995) – had men kunnen denken dat hij met de joodse sprookjes en de verhalen over het sjtetl tot het bekende type folkloristische joodse schrijvers behoorde. En wie dan bij de twee recente vertalingen niet op de jaartallen let, kan denken dat Hilsenrath zelf met dat imago heeft willen afrekenen. Het jaar van uitgave is daarom niet onbelangrijk.
Dit jaar werd zijn tweede roman, De nazi en de kapper (1971) vertaald. Een fervente nazimoordenaar neemt na ’45 dankzij z’n klassieke joodse uiterlijk de identiteit aan van een jeugdvriend, die hij vermoord had, een kappersjongen met, dat is de grap, toevallig een typisch arisch uiterlijk. In Israël gaat de misdadiger door het leven als kapper, wordt terrorist die zich opwerkt tot held van het joodse volk.
Hilsenrath schreef de roman op verzoek van zijn Amerikaanse uitgever, nadat zijn eersteling, Night. A Novel, een kassucces was geworden. Twee jaar eerder, in 1964, was Nacht in het Duits verschenen. In tweede instantie werden zijn boeken ook in Duitsland bestsellers. De uitgevers hadden er aanvankelijk moeite mee, omdat ze dachten, werd en wordt verondersteld, dat de Duitse lezers een satire over joden en de SS niet aankonden. De kappersroman verscheen eerst in Amerika, als The Nazi & the Barber: A Tale of Vengeance (1971), hoewel ik niet begrijp wat er in dat boek aan wraak zit. De hoofdpersoon zegt weliswaar op het eind dat hij straf wil ‘die mijn slachtoffers genoegdoening biedt’, maar straf is geen wraak; en hoe kun je tienduizend doden, zoveel als hij er op zijn geweten had, voldoening geven? Als de boodschap was dat het verschil tussen de vermoorde Itzik Finkelstein en zijn alias, de moordenaar Itzik Finkelstein voorheen Max Schulz, louter toeval was, een kwestie van omstandigheden, van glijdende schaal, dan was dat eind jaren zestig net zo’n dooddoener als nu en in 1938 of 1941.
Er was moed nodig om het boek in Duitsland uit te geven, beweerde de uitgever. Misschien hebben andere uitgevers het gewoon geen goed boek gevonden, te breedvoerig, vol herhalingen, en vonden ze de grap van de persoonsverwisseling – de nazimeeloper die in Israël een even leeghoofdige meeloper wordt – niet bijster geslaagd.
Nacht is een dik boek, veel te dik en daardoor snel na te vertellen. 1942, plaats van handeling is een getto in Prokow, een plaatsje aan de Boeg, in een deel van de Oekraïne dat niet door de Duitsers maar door de Roemenen bezet is – achter de frontlijn van het in Rusland oprukkende Duitse leger waar de joodse massaslachting in 1941 begon. Dit is al bijna meer dan er in de roman over de context gezegd wordt, want het perspectief is vanaf de eerste zin niet groter dan de rooftocht van ‘een gekke kerel met een grote hoed op en met een broek met gaten waardoorheen je z’n kont kunt zien’. Het jachtterrein is het getto, waar joodse politie de orde handhaaft, en in het getto gaat het om één huis, een nachtasiel waar in één ruimte veel te veel mensen opeengepakt zitten; af en toe is het bordeel of het café plaats van handeling. Voor iedereen gaat het maar om één ding: eten, en dat is er niet, even schaars als slaapplaatsen. Wie geen onderdak heeft, wordt omdat er uitgaansverbod heerst ’s nachts opgepakt. Iedereen is uitsluitend bezig met eten zoeken, ruilhandel drijven, stelen, kortom: overleven, koste wat het kost. Een stervende wordt van zijn schoenen en kleren beroofd, een houten poot gaat de kachel in, zelfs het van een bedgenote gestolen zijden broekje levert nog iets op. Elke inwoner van het getto is voor de ander een wolf. Ook in het nachtasiel is niemand voor wie ook veilig; zodra er een crepeert wordt zijn of haar ligplaats, onder de kachel, onder of op een bed, op de gang, ingenomen of verkocht.
Het perspectief is in de roman nog kleiner, vooral gericht op één verloederde smeerlap, Ranek, voor zijn lotgenoten een naamloze, die zelf anderen alleen bekijkt op wat ze hem te bieden hebben. Zo begint het wanneer op straat een vrouw, een verse want ze heeft nog vlees aan haar lijf, zich aan hem opdringt. Hij bezorgt haar onderdak in het asiel met het oog op alles wat hij van en door haar kan krijgen. Wanneer zijn broer opduikt en aan vlektyfus sterft, wrikt hij met een hamer diens mond open om de gouden tand te kunnen verhandelen. Gouden tanden, ook in de kappersroman symbool voor mensonterende roofzucht, zijn belangrijk; als Ranek ze kwijtraakt doordat anderen ze van hem afpikken, wordt het zowaar een soort schelmenroman. Wat Ranek nog aan gevoel had, is verdoofd; hij is ‘iemand voor wie niets heilig is’. Maar echt cynisch is dat hij in de ogen van sommigen, hoewel ze door hem bedrogen worden, een fatsoenlijk man lijkt. Vaker wordt over hem gesproken als iemand die het niet lang meer zal maken. Maar hij is de slimste, hij overleeft, ten koste van wie of wat dan ook. Alleen afspraken gelden voor hem, de enige regel: beloofd is beloofd.
Honderden pagina’s lang volgt het verhaal hem op de voet bij zijn dagelijkse strooptochten, vooral ’s nachts, slechts onderbroken door razzia’s waarvan hij, tot twee keer toe, levend terugkeert. Ergens na het midden van het boek begint een nieuwe alinea met ‘Een zinloze dag was weer ten einde’, alsof de schrijver zelf genoeg kreeg van de aaneenrijging van gruwelijke details. Aan de doffe ellende komt geen einde, geen ogenblik, rust kent alleen de dode. En omdat er alleen maar beschreven wordt, is de vertelling even kortzichtig: beperkt tot de fysieke existentie. De morbide toon van begin tot eind zou dan realistisch zijn omdat ze past bij het verhaal van die ene man. Maar het perspectief is niet alleen dat van Ranek. De toon is niet anders wanneer anderen hem zien. Op de meest rare momenten wisselt het perspectief, of is de schrijver aan het woord die ook nog eens weet wat de man te wachten staat.
Heel realistisch dus, zowel wat beschreven wordt als de cynische toon: zo is het nu eenmaal, zo ging het, hoe en door wie die situatie ook tot stand was gekomen; in zo’n oertoestand gaan mensen op zo’n manier met elkaar om dat het gedrag van dieren er heilig bij is. Maar waarom laat mij dat alles totaal koud? Niets is onbegrijpelijk, maar het blijft van een zeldzame oppervlakkigheid: waar onverschilligheid heerst is alles om het even, details dienen alleen om te bevestigen hoe erg deze mensen er aan toe zijn, hoe slecht ze zijn als ze niet meer als mensen leven. Dit is Hobbes’ natuurstaat, de oorlog van allen tegen allen, wanneer begrippen als goed en kwaad, recht en onrecht (ik citeer Hobbes) er niet (meer) toe doen, en de enige deugden kracht en list zijn. Het cynisme van de roman – zeggen: zie je wel, en toekijken hoe het gebeurt zoals het altijd gebeurt – kan de lezer ertoe verleiden even cynisch te denken: zo is het nu eenmaal.
Michaël Zeeman schreef in de Volkskrant dat het boek ‘vragen genereert die in veruit de meeste holocaustliteratuur niet gesteld worden’. Nu ken ik toevallig wat van die literatuur, en laten nu de betere verhalen precies die vraag wél stellen, vragen naar de grenzen van het extreme, en daar ook nog antwoord op geven, maar minder cynische en minder gemakzuchtige dan die van Hilsenrath. Lees de epiloog van de kamproman Een wereld apart van Gustav Herling: de ex-gedeporteerde is drie jaar vrij wanneer een medegevangene hem vergiffenis komt vragen voor zijn daden van toen. Herling geeft hem zijn zegen niet met als argument dat hij in vrijheid weigert de wetten van de wereld apart te accepteren waar alleen het recht van de sterkste geldt. In Nacht bezit iedereen, niet alleen de hoofdpersoon, zijn ziel in lijdzaamheid, in de hele roman geen spoor van verzet, al was het maar tegen het lot, ook bij de schrijver niet. In de hele roman wordt niet eens de vraag gesteld wie die oertoestand heeft aangericht. Voor het bewijs van de eeuwige slechtheid van de mens was geen roman van vijfhonderd pagina’s nodig geweest.
Galgenhumor

BOHUMIL HRABAL
PRAAGSE IRONIE
Uit het Tsjechisch vertaald door Kees Mercks
Prometheus, 271 blz., € 19,95

In elk geval zal zijn einde herinnerd worden, hoe hij in 1997 bij het voeren van de duiven uit het raam van de vijfde verdieping van het ziekenhuis viel. Ondertussen is van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal (1914-1997) sinds 1967 (Zwaarbewaakte treinen) ongeveer alle werk vertaald. Uitgeverij Bert Bakker heeft enkele jaren terug nog eens ettelijke titels in verzamelbundels uitgebracht. Nadat in Hrabals sterfjaar het eerste deel van zijn autobiografie was vertaald, Vita nuova: schilderijententoonstelling, wordt dat nu (onder de naam Prometheus) voortgezet met een keuze van autobiografische teksten uit het hele werk.
Hoewel ook voor dit boek als vertaler Kees Mercks tekent, wordt niet vermeld van wie de keuze is. Een toelichting was niet overbodig geweest, het gaat immers om een selectie uit werk van vijftig jaar. Uit een noot van de vertaler blijkt dat een verhaal over zelfmoord uit 1948, Kaïn. Existentieel verhaal, pas in de jaren negentig gedrukt is; wel stonden varianten al in andere boeken. Het is een mooi boek: voor liefhebbers een aanvulling, maar het lijkt me heel geschikt als eerste kennismaking of ook, omdat Hrabal expliciet over eigen werk schrijft, als gids.
In Wie ik ben (1984) betuigt de schrijver spijt over zijn eeuwige geschipper. Hij bedoelt dat ook in politieke zin, hoe hij zich altijd gedeisd heeft proberen te houden. Zijn vermomming was die van een wat onnozele drinkebroer, de kleine man met z’n eeuwige hoedje, het intellectuele niveau van het bierglas en andere stamgasten als peilstok. Uit Waarom ik schrijf blijkt wat dat olijke mannetje allemaal (aan lectuur) achter de kiezen had. Ronduit vertelt hij wat hij van anderen (van Céline, maar de laatste jaren ook Roland Barthes) leerde en zonodig leende. Onbedoeld was hij een experimenteel, zegt hij trots, omdat hij alles wat hij tegenkwam aan elkaar lapte.
Beschouwingen worden bij Hrabal, gelukkig maar, vanzelf verhalen, over zijn jeugd, zijn bohémienleven en zijn schrijfwerk. Sommige stukken schreef hij als brief aan een Amerikaanse slaviste: ‘Ik ben eigenlijk in eenzame opsluiting en zit vastgebonden in een dwangbuis en ik leef niet meer in de tijd, maar enkel en alleen in de ruimte, een waar ik bang voor ben en die me de stuipen op het lijf jaagt’, zo begint hij Publiekelijke zelfmoord (1995). Het is uit hetzelfde jaar als de laatste, indrukwekkende tekst, waarin Hrabal al zijn kleine én grote angsten opbiecht. Praagse ironie is overigens een ander woord voor galgenhumor.
………………………………………

Angstmachine

ISMAIL KADARE
HET MONSTER
Uit het Albanees (1991) vertaald door Roel Schuyt. Van Gennep, 191 blz., € 19,90

Na de breuk tussen de Sovjet-Unie en Albanië in 1960 moest Kadare (1936) uit Moskou terugkeren, net als vele andere Albanese studenten die in Oost-Europa studeerden. In Monster, de roman die hij na De generaal van het dode leger schreef (na publicatie in 1965 in een tijdschrift verboden en pas in 1991 in boekvorm verschenen) is de hoofdpersoon ook zo’n student. De meisjes zijn er op vooruitgegaan, denkt Gent Ruvina als de kennismaking met de mooie Helena vlot verloopt. De reden is dat zij van een door de familie bedisselde verloving af wil. Tijdens het verlovingsfeest schaakt hij haar. Meer dan een bruggetje naar de Trojaanse oorlog is die heldendaad niet, al volgt de eerwraak een oud patroon.
Waar alles om draait is het Monster, een raar woord voor het Paard van Troje, een kaduke vrachtauto vlak buiten de stad (Tirana) waar een aantal mannen in zit. Troje zou een oud Albanees woord zijn voor ‘ver land’. Gent bedenkt een theorie over het einde van de Trojaanse oorlog: niet het paard met vechtersbazen erin was de list, het was de camouflage van een echt grote list: een Griekse delegatie die in de stad schijnbaar over vrede onderhandelde. In Moskou had Gent geleerd dat achter de schijn der dingen altijd iets anders schuilgaat. Het mysterie was niet het Paard – een angstmachine, toen en nu – maar hoe dat symbool is ontstaan, het verschil dus tussen het eigenlijke en het vertelde verhaal. Het zou dan om een analogie gaan tussen tweespalt onder de Trojanen en de splitsing in het socialistische kamp. De boodschap voor de lezer nu is dat alom verraad heerst.
Wel zie je in dit vroege boek hoe het politiek-historische realisme de richting uit gaat van de indirecte benadering via parabels. Kadare heeft in die vorm prachtige boeken geschreven. In deze vroege roman is het allemaal nogal houterig. Je zou bijna denken dat het boek zelf een in elkaar geknutseld Paard van Troje wilde zijn. Dat het om meer dan een liefdesgeschiedenis ging hadden de Albanese autoriteiten gauw in de smiezen.
………………………………………

Tussen werk en leven

W.G. SEBALD
DUIZELINGEN
Uit het Duits (Schwindel. Gefühle, 1990) vertaald door Ria van Hengel. De Bezige Bij, 208 blz., € 18,90

Duizelingen was het boek waarmee de toen al sinds 1966 in Engeland wonende Sebald (1944-2001) als prozaschrijver debuteerde. Daarvoor had hij veel over literatuur geschreven, hij was in Norwich ook docent Europese literatuur, en publiceerde in 1988 een lang gedicht, Naar de natuur. Inmiddels is alles van hem vertaald. Dan mag je gerust zeggen dat deze eersteling niet zijn beste boek is geweest, al bevat het naast enkele bekende thema’s de voor Sebald karakteristieke illustraties. Maar die plaatjes voegen in dit boek vrijwel niets toe, of het moet zijn dat hotelrekeningen bewijzen dat hij ergens echt geweest is. Andere boeken bevatten vooral scherpe portretten van mensen die Sebald in het echt, op papier of in zijn verbeelding getroffen heeft.
Opvallend aan de vier verhalen in Duizelingen is hun wazigheid. Dat het met de titel te maken heeft, is meer dan een woordspeling. Het gaat om mistige gemoedsgesteldheden bij een man die in steden ronddwaalt, onverwacht van reisdoel kan veranderen en moeilijk de dingen die hij ziet en voelt, zeker als het om merkwaardige coïncidenties gaat, bij elkaar kan houden, zo hij al zelf niet in beelden verdwaalt. Het woord ‘duizeling’ past bij Stendhal, die in het eerste verhaal hoofdpersoon is. Stendhal was de uitvinder van de duizeling, zoals zijn hoofd omliep wanneer hij een teveel aan indrukken (in Florence, in een museum) niet kon verwerken. Sebald zoekt bij hem meer het punt waar een literair werk het geluk bij een ongeluk in de liefde wordt. Ook Kafka volgt hij, letterlijk, op een reis naar Wenen en Venetië, om door een kier tussen werk en leven te gluren. De kier is een gat in het dagboek en de brieven van Kafka.
En dan is er dat vierde hoofdstuk, over een verblijf, na dertig jaar, in het geboortestadje W. in Allgäu. Maanden hangt hij er rond, hij doet niets anders dan notities maken, maar zijn verslag van zeventig pagina’s is de saaiste jeugdherinnering die ik ooit gelezen heb. Een debuut, jawel, maar van iemand die dan al 44 is.
Goedgemutst

LAURENT GRAFF
DE SCHREEUW
Uit het Frans (Le cri, 2006) vertaald door Han Meyer
Nijgh & Van Ditmar, 110 blz., € 16,50

De boeken van de Franse schrijver Laurent Graff (1968) zijn komisch en ook nog dun. Niet dat Graff leuk doet of een komische stijl heeft, al komen sommige zinnen geestig uit de hoek; het komische zit ’m in de situaties. Ze komen lijnrecht uit de opzet voort, maar de opzet staat scheef. In Gelukkige dagen, een wat ouder boek, is het uitgangspunt dat een man van 35 een erfenis besteedt aan een plaats in een particulier bejaardentehuis en daar nog intrekt ook: een jonge bejaarde tussen oudjes. In De man die op reis ging gaat een man helemaal niet op reis; hij koopt wel een koffer om vervolgens het vertrek zo lang uit te stellen dat vertrekken een levenswerk wordt.
De schreeuw is minder rechtlijnig. Tot op een derde van het boek ziet een employé op een tolstation steeds minder auto’s langskomen, zodat hij aan enkele mensen wat meer aandacht kan besteden, zoals een vrouw die een botsing meemaakt van haar man en haar minnaar, waarna ze hen, beiden in coma, bijstaat. Vreemd is misschien dat van de paar passanten sommige stuiptrekkend zitten te kermen.
Het toeval wil dat de tolbeambte in een verlaten auto het onlangs gestolen schilderij De schreeuw van Munch aantreft. Dat neemt hij overal mee naartoe, terwijl mensen her en der door geluid boven de pijngrens getroffen worden. De aardigheid begint er een beetje af te raken wanneer Graff er en passant de hele planeet bij haalt. De keerzijde van de ramp is dat het overal wat rustiger wordt, niet alleen in het verkeer. Goedgemutst gaat de tollenaar aan de wandel. En daar had het boek moeten sluiten, maar nee: de autoroute wordt een gewone, zeg maar doodgewone, doodlopende weg, en hij wordt getuige van een ongeluk: een auto is op een tractor gereden, vrouw en kind zijn dood – zijn vrouw: ‘Ik heb mijn mond open gedaan. Tegelijk hief ik mijn handen. Mijn ogen sperden zich open. Ik nam mijn hoofd op oorhoogte in mijn handen en drukte. Ik begon te schreeuwen…’
………………………………………
Jaloerse vrouwen

ORNELA VORPSI
HET LAND WAAR
JE NOOIT STERFT
Uit het Italiaans (2005) vertaald door Yond Boeke en Patty Krone. Van Oorschot, 117 blz., € 15,-

In hun grootheidswaan kennen Albanezen geen angst, ook niet voor de dood. Waar ze goed in zijn is ‘het geslettebak’: elk mooi meisje is een slet; zo zien mannen het, maar ook jaloerse vrouwen. Een lerares handwerken koelt met een gloeiende ijzeren liniaal op het meisje de woede over haar eigen lelijkheid. Als dochter van een mooie, nog jonge moeder en een politieke gevangene als vader is de Ornela in het boek nog meer het doelwit van vernedering en pesterij dan haar leeftijdgenoten. Van hen en van zichzelf onder andere namen schrijft Ornela Vorpsi (1968) portretten. Het zijn gitzwarte tijden in Tirana, waarvan Vorpsi een reeks onbarmhartige momentopnamen geeft.