BOEK VAN DE MAAND

Jacq Vogelaar bespreekt zes boeken uit het aanbod van vertaalde literatuur. Het zijn niet per se de beste romans, als wel de romans die in zijn ogen om de een of andere reden de moeite waard zijn. Zoals De decaan van Lars Gustafsson, die de lezer op het hart drukt dat zelden iets vaststaat. ‘Is deze wereld echt een goede wereld?’

Een decaan
terug uit Vietnam
LARS GUSTAFSSON
DE DECAAN
Uit het Zweeds (2003) vertaald door Cora Polet
Hoogland & Van Klaveren, 159 blz., € 22,50

Dit boek verdient alleen al aandacht omdat het eindelijk weer eens proza is dat vertaald wordt van de productieve Zweedse schrijver Lars Gustafsson (1936). Van zijn poëzie is, vooral door toedoen van Bernlef, zoveel vertaald, vorig jaar nog het lange gedicht Een tijd in Xanadu, dat je rustig kunt stellen dat Gustafsson deel uitmaakt van de Nederlandse poëzie. Maar hij werd hier het eerst bekend door zijn proza, met name twee bijzondere romans: Het eigenlijke relaas van Arenander (1975, over een ballonvaarder, in zekere zin een voortzetting van de dichtbundel De ballonvaarders uit 1962) en De dood van een imker (1981), waarin een ex-onderwijzer het einde van zijn lijdensgeschiedenis registreert; een uiterst nauwkeurige beschrijving van pijn. Laat Gustafssons nieuwe uitgever die twee boeken nog eens te voorschijn halen. In het begin van de jaren negentig zijn er nog eens twee verhalenbundels vertaald, De tennisspeler en De namiddag van een tegelzetter. En dan nu De decaan, een roman die het derde boek is in een reeks die de lezer niet kan kennen. Uit de paar glimpen die ik van de vorige twee delen heb opgevangen, maak ik op dat Gustafsson telkens met dezelfde gegevens en voor een deel dezelfde personen – de decaan treedt met zijn Vietnam-verleden ook in de vorige roman, Windy, op – een ander verhaal vertelt. Ik geloof niet dat een lezer van De decaan de vorige delen nodig heeft; bij Gustafsson hoef je zelfs het andere werk, en dat is nogal wat, niet te kennen.
De verteller, Spencer, is een gelegenheidsschrijver, een filosofieprofessor die zich, ‘vermomd’ als universiteitsgeoloog, in een pension aan de rand van de woestijn bij Austin in Texas heeft afgezonderd om op papier na te denken over wat hem de afgelopen twee jaar als helpende hand van de machtige decaan Paul Chapman is overkomen. Hoewel niet geverseerd in het vertellen geeft hij wel zelf aanwijzingen hoe je zijn aantekeningen moet lezen. Hij heeft ze allereerst voor zichzelf geschreven, en het manuscript wordt – door het vocht aangevreten, vellen papier van verschillende herkomst, slordig gestapeld – in de kofferbak van de auto van Spencer gevonden, die zelf verdwenen is, zoals iedereen op een gegeven moment verdampt. Voor een deel bevat het manuscript gesprekken met de decaan, dat wil zeggen: flarden van zijn monologen, want een hele tijd lijkt hij Spencer alleen als assistent te hebben aangenomen om van gehoor voor zijn privé-colleges verzekerd te zijn – en verder moet hij donaties werven voor de universiteit. Maar, zegt Spencer, denk niet dat wij uitgebreide gesprekken hadden: ik heb fragmenten, telkens weer afgebroken praatjes samengevat, ‘ik verplaats en plak heel veel’. Een slimme maar ook enigszins afgezaagde truc, want ook voor de lezer van deze losse papiertjes zit er niks anders op dan opnieuw te knippen en te herplakken. Gustafsson drukt hiermee via zijn zegsman – die op zijn beurt weer een doorgeefluik van de decaan is – de lezer één ding op het hart: dat er allerlei gedachten in ronddwarrelen en oorlogsherinneringen overhoop worden gehaald, maar dat maar zelden iets vaststaat.
En voor degene die dit boek bespreekt is het dubbel oppassen geblazen. ‘Is deze wereld echt een goede wereld?’ is een retorische vraag van de decaan. Nee dus: ‘Deze wereld is geen sympathieke schepping. En het enige waarmee verzoening voor de mens mogelijk is, is dat hij er – in het beste geval – op die manier naar kijkt.’ En de natuur is alleen in schijn natuurlijk: ‘Wat we zien is een bijna door en door slechte natuur. Een enorme, vernuftige machinerie, gericht op het berokkenen van pijn.’ Er zijn momenten waarop je bij de decaan met een eindeloos kankerend personage van Thomas Bernhard te maken denkt te hebben. Maar Spencer zegt het al, de decaan bazuint zijn meningen alleen maar af en toe uit, in brokstukken en bij voorkeur in cryptische bewoordingen. Wat enscenering en regie betreft zijn er meer overeenkomsten, zoals de decaan die weer vertelt wat zijn schizofrene oom, die hem op het slagveld bezocht, uitkraamde; dat kan tot in de tweede macht gebeuren, als zo’n zegsman weer een ander in de directe rede aanhaalt – en dat alles in de weergave van Spencer, die van toehoorder steeds meer de naprater van de decaan wordt.
Spencer maakt zich vooral sterk als bestrijder van het natuurlijke. Wat is dat, natuurlijk? vraagt hij zich herhaaldelijk af; is er wel iets onnatuurlijk? Niet toevallig is hij gepromoveerd op een Franse Verlichtingsfilosoof. Los daarvan is het ook wel verfrissend eens een lofzang – nou ja, lofzang – op het gemaakte te horen, in een tijd dat ook de tweede natuur gemythologiseerd wordt tot iets wat er altijd al geweest is en altijd zo zal blijven, de mens daarin een passant die voornamelijk spelbederver is. Aan wie zulke gedachten in het boek moeten worden toegeschreven, is niet helemaal duidelijk, omdat Spencer meer en meer echt een plaatsvervanger van zijn dicterende superieur wordt. Per slot van rekening gaat het om de decaan, niet om zijn spreekbuis.
Hij krijgt in een later stadium opdrachten van zijn baas, maar wat die inhouden komen we niet te weten omdat dan toevallig de tekst door waterschade onleesbaar is geworden. Tot die opdrachten behoort een mysterieuze afspraak dat zij over en weer een rivaal uitschakelen: Spencer wil van zijn stinkrijke neef Derek af, die het met zijn vriendin doet; Chapman heeft vele vijanden.
Intriges genoeg in het boek, vele losse eindjes en draden die Spencer laat vallen, hij weet het en doet er niet veel tegen, maar net zoals het geen zin heeft het wereldbeeld van de decaan aan elkaar te kitten, zo kom je ook niet ver met het tot een flaptekst aan elkaar plakken van stukjes ‘handeling’. Die bestaat vooral uit losse verhalen. De hoofdstukjes zijn al kort, de zijwegen ook, maar Gustafsson is niet zuinig met zijn stof; hij melkt z’n verhalen niet uit, en laat veel aan de lezer over. Het minst interessant is het gedoe van de oudere heer met jongedames – er zijn weinig schrijvers op jaren bij wie dat niet gênant uitpakt – overigens is Exit van Philip Roth van na De decaan. In een boekhandel ziet Spencer een oud-studente terug: ‘Op dat moment begreep ik dat ik dit meisje daadwerkelijk wilde bezitten.’ Dan is nog wel grappig dat zij een nieuwe Faust wil schrijven, over een footballcoach die zijn ziel verkoopt voor zijn collegeteam.
Er worden heel wat filosofische vragen gesteld door Spencer, gesouffleerd door Chapman, vragen waarop meestal geen antwoord gegeven wordt. En zo ook laat de handeling heel wat vragen open: was er een moordcomplot? Waarom is Spencer verdwenen? Is er wel iets gebeurd? Schreef de decaan ook de onder de naam Winnicot uitgegeven sf-romans?
Het klinkt misschien allemaal als een rebus, maar het spel waarvoor Gustafsson de regels uitdenkt is altijd op z’n minst dubbelzinnig; hij is gewoon te intelligent voor spelletjes ter tijdverdrijf. ‘Aan het eind van de twintigste eeuw’, schrijft Spencer, ‘is die oude, mooie detectiveroman, in alles een product van het Britse Imperium met zijn hoogontwikkelde rechtsprincipes, iets lachwekkends geworden.’
Hij heeft zijn lesje geleerd van de decaan, die de wereld ziet als een doodsmachine. In Vietnam raakte de man een been kwijt, hij racet dan ook rond in een rolstoel, en alle illusies. In Vietnam, zegt hij, werden door hen fabrieksmatig dode Vietnamezen geproduceerd. Het was massamoord, ‘Vietnam was zinloos uit elk denkbaar historisch perspectief, maar er waren heel veel mensen die er een persoonlijke zingeving in gevonden hebben.’ Soldaten genoten van het doden, raakten in een roes. Hij had zelf manschappen onder zich – het uit de astrologie afkomstige woord ‘decaan’ was bij de Romeinen de bevelhebber van tien man – en, geeft hij volmondig toe, hij voelde zich intens tevreden als hij aan het lot van zijn vijanden dacht.
‘Hoe zou’, vervolgt Spencer zijn door de decaan geïnspireerde gedachte, ‘hoe zou de moord in de bibliotheek ook maar de strijd kunnen aanbinden met de massagraven van de twintigste eeuw, de crematoria en de vernietigingsfabrieken?’ De hel is dus een morele noodzakelijkheid, is een conclusie van de decaan, die op z’n tijd een anti-decaan is, én van Spencer, vervangend decaan: ‘Omdat de kwaden kennelijk niet in deze wereld bestraft worden maar eerder nog beloond, vooral de echt kwaadaardigen, om die reden hebben we een andere wereld nodig.’ Zo’n uitspraak maakt het overbodig de suggestie te volgen als zou de decaan een demon zijn, zelf bron van het kwaad. Als hij een demon is, dan in heel andere zin. Gustafsson vertelt gelukkig niet wat we ons daarbij dienen voor te stellen: ‘Zo’n man mag domweg niet bestaan! Dat begrijpt iedereen toch.’ Een paar pagina’s voor dat slot staat er: ‘“Ik begrijp het,” zei ik.’ (witregel) ‘Die uitdrukking betekent opvallend vaak het tegendeel.’

Passanten in Ligurië

FRANCESCO BIAMONTI
DE ENGEL VAN AVRIGUE
Uit het Italiaans (1983) vertaald
door Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd
Van Gennep, 158 blz., € 14,95

In Ligurië, vlak over de grens, ligt het bergdorpje Avrigue, waar Gregorio voor even is teruggekeerd. Hij is zeeman op een Zwitsers schip, ‘hij had nooit graag gevaren, zijn wortels lagen op het land’. De schrijver Biamonti (1928-2001) woonde zelf in de streek van de mimosa en olijven. ‘Die wereld met alles wat hem lief was’, schrijft hij over de zeeman, ‘was aan het verdwijnen. Niet helemaal, maar grotendeels. Wat bleef waren sporen, patronen die herinnerden aan dit verdwijnen.’ De wereld van flats en jongeren die ‘de laatste mode: agressie’ zijn toegedaan, rukken op. De grens is de streek van vluchtelingen. Eerder al zijn huizen opgekocht en bungalows gebouwd door buitenlanders, vooral Nederlanders. Gregorio betreurt de afloop van de ongelijke strijd, maar gaat schouderophalend verder. In het begin valt er een dode, een jongen ligt beneden, Jean-Pierre, van de rotsen geduwd of gesprongen. Gregorio wil een reden vinden; zelfmoord lijkt hem onwaarschijnlijk en ten slotte toch aannemelijk. Niet uitgesloten dat iemand hem bij zijn val een handje geholpen heeft. ‘Jean-Pierre was een goed mens met wie het fout was gelopen.’ Realistisch is dat zijn onderzoek alles alleen nog maar duisterder heeft gemaakt. Gregorio zelf is zo’n man aan wie passanten gemakkelijk hun levensverhaal vertellen. ‘Hij verkeerde zo graag (en al zo lang) in een hypnotische toestand, vertrok zo graag in de geest, dat hij die dag zijn huis niet verliet.’ En als hij, meestal doelloos, rondloopt komt hij mensen tegen. Zijn interesse voor hen lijkt niet verder te gaan dan een passeerbeweging, of het nu een geliefde of vreemden betreft. Meer aandacht lijkt hij te hebben voor de bomen, de stenen, het licht, geluiden, geuren.
Een mooi, zorgvuldig gecomponeerd verhaal met veel uitsparingen, zodat er genoeg te raden overblijft. Als er één ding jammer is, dan is dat de vertaling van een ander boek van Biamonti, die in totaal vier romans en nog wat essays geschreven heeft. Twee jaar geleden verscheen in vertaling de roman De woorden de nacht, voor mij een van de ontdekkingen van dat jaar. De nieuwe vertaling is die van zijn debuut; onwillekeurig ga je dan vergelijken en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Biamonti hetzelfde materiaal zoveel jaar later in De woorden de nacht veel beter beheerste: dichter en ook dichterlijker van taal, zintuiglijker in de beschrijvingen, misschien minder vertellend maar sterker van beeld, en dat is voor zo’n landschapsschildering een voorwaarde.

Autobiografie
uit Corruptistan
ANDREJ KOERKOV
DE LAATSTE LIEFDE VAN DE PRESIDENT
Uit het Russisch (2004) vertaald door
Eva van Santen, Nieuw Amsterdam, 511 blz., € 22,50

Als je een fantastisch boek van een schrijver gelezen hebt, ben je positief vooringenomen – dat kan geen kwaad. Ik heb de indruk dat als er iets uit de Oekraïense literatuur vertaald wordt het satire is. Zo werd in de eerste vertaling van Andrej Koerkov (1961), Picknick op het ijs, vertaald in 2000, op hilarische wijze het wilde kapitalisme gedemonstreerd aan een arme schrijver die, geaccompagneerd door een koningspinguïn, necrologieën voor nog levende mensen schrijft – niet helemaal duidelijk of de opdrachten van hogerhand of rechtstreeks van de maffia komen. De roman die nu vertaald is, uit 2004, speelt zich af in Corruptistan en heeft als hoofdpersoon president Sergej Pavlovitsj Boenin, die zelf honderden pagina’s zijn zegje doet. Hij blijft zichzelf verrassend gelijk en trouw in het verhaal dat wisselend midden jaren zeventig, rond 1983, begin jaren negentig, 2003 en zelfs 2015 speelt. Op- en neergang en wederopgang van een dictator, als in een cakewalk (zo die nog bestaat). Zo kan Koerkov laten zien hoe een mannetje stap voor stap aan de macht komt en blijft. Maar ja, je weet al meteen de afloop.
Al in een van de eerste hoofdstukjes, ‘Moskou. Januari 2013’, gaat Boenin in ceremoniële zwembroek, badjas en slippers over een loper naar het bad van een enorm openluchtzwembad, waar in een wak de wereldleiders elkaar ontmoeten. De viering van 25 jaar onafhankelijkheid van Corruptistan valt ongeveer samen met de honderdste verjaardag van de Oktoberrevolutie. Poetin, die zojuist weer aan de macht is gekomen, ‘begaf zich allereerst naar de president van de Verenigde Staten. Daarna onderhield hij zich met de president van Kazachstan en ten slotte zwom hij naar mij toe.’ Het wak in het ijs is een soort running gag die ook al in 1985 een rol speelt, maar dan voor spionagedoeleinden. De als een stoplicht verspringende jaartallen zijn op zich een aardig idee, maar het levert weinig op. Het gegoochel met bijfiguren en grappige details onttrekt mogelijk zinnige dingen in het boek aan het zicht. Maar sommige grappen zijn effectief, zoals het hart dat de president ingeplant heeft gekregen onder voorwaarde dat de weduwe altijd bij hem in de buurt mag blijven; en zij is streng. Bovendien kan het Fremdkörper op afstand bestuurd en als afluisterapparaat gebruikt worden. Een tweelingbroer van de president in het gekkenhuis levert natuurlijk ook vrolijke scènes op. Een boek om in te bladeren, zou ik zeggen.

Weense soap
avant la lettre
HEIMITO VON DODERER
DE STRUDLHOFTRAPPEN OF MELZER EN
DE DIEPTE DER JAREN
Uit het Duits (1951) vertaald door Nelleke
van Maaren, Atlas, 812 blz., € 49,95

Heimito von Doderer (1896-1966) schreef zijn grote romans – onder meer Die Strudlhofstiege (1951) en Die Dämonen (1956) – na de Tweede Wereldoorlog, toch lijkt hij meer een schrijver van ervóór. Het enige boek dat eerder is vertaald, Ieder mens een moordenaar, was van 1938. Doderer heeft een grote naam, van de klasse van Döblin, Broch en Musil, zegt men. Volgens mij gezichtsbedrog, misschien omdat hij óver de jaren schreef waarin de anderen hun werk publiceerden. Waaraan Doderer zijn faam te danken heeft, ik weet het niet; baanbrekend was hij allerminst, en qua ideeën ronduit conservatief. De Strudlhoftrappen (1951) speelt afwisselend in 1910/11 en 1923/25. In zekere zin is de roman tijdloos, en zo ook bedoeld; de wereldoorlog en het einde van de monarchie zijn niet meer dan rimpelingen in het leven van de personages. Amoureuze perikelen zijn de grote catastrofes in een harmonieuze wereld waar de tijd verglijdt. In twintig jaar veranderen de personages nauwelijks van karakter; het zijn dan ook echte karakters. Teken van continuïteit – oftewel onveranderlijkheid – zijn de Strudlhoftrappen in Wenen, die twee stadsdelen verbinden, twee tijdperken én de milieus van (adellijke) bourgeoisie en kleinburgerdom.
De Melzer van de ondertitel, een k.u.k.-officier, is meer verbindingsfiguur dan hoofdpersoon. ‘In een betere roman zouden nu de gedachten van de eenzame reiziger tijdens zijn reis naar Wenen moeten worden verteld, desnoods uit de betreffende figuur worden geschud of opgedregd. Maar bij Melzer is dat ten enenmale onmogelijk: geen spoor van gedachten; nu niet en later niet, zelfs niet als majoor.’ Joligheid troef in het onderonsje van de schrijver met zijn beoogde lezer. Dertien pagina’s later: ‘Maar dit beestje [een hazelworm] leek hem een beweging van zijn eigen innerlijk, als zijn geheimste gedachten, en het was onvoorstelbaar die te onthullen.’ Als dat geen denken is. Maar het is waar, Melzer ziet passief toe hoe levens geleid worden door het lot, dat uiteraard bestierd wordt door Doderer. Zelf noemde hij zijn ‘Wetenschap van het leven’ fatalogie: het leven verloopt zus of zo, als het ware achter de rug om van personages, door hen niet beïnvloed. Onder en los van de grote geschiedenis speelt zich een veel belangrijkere geschiedenis af, die van het persoonlijke leven. Het is wel grappig om te zien hoe de belangrijkste wendingen in de roman tot stand komen doordat personages afspraken missen of verzuimen, nalaten een huwelijksaanzoek te doen en andere ‘toevalligheden’. Het versterkt de indruk dat het gewoon een opgeklopte soap is, typisch Wenen.
De geschiedenis
van twee zangen

ALBERTO MANGUEL
DE ILIAS EN DE ODYSSEE VAN HOMERUS
Uit het Engels (2007) vertaald door Patty Adelaar
Mets & Schilt, 250 blz., € 18,-

De Engelse uitgave heeft als ondertitel A Biography, ruim vertaald betekent dat hier: de meer dan tweeduizendjarige levensgeschiedenis van het oorlogs- en reisverhaal van de blinde bard. Diens biografie, de fabel dus, is erbij inbegrepen, met de nodige vraagtekens uiteraard. Een nuttig boek, niet alleen om de samenvatting van de Ilias en de Odyssee. Manguel vertelt uiteraard hoe de dichter Homerus voor Plato het voorbeeld werd van fictie die maar afleidde van de ware werkelijkheid, het begin van een nooit aflatend misverstand.
Minder bekend is de vergelijking van Homerus en Vergilius. De Romein maakte van de ondergang van Troje een uitgestelde overwinning door de Trojaan Aeneas de grondlegger te laten worden van de natie die over de arrogante Grieken zou heersen; een mooi voorbeeld van lezen en herschrijven. Vergilius werd weer de gids van Dante, die Homerus ook alleen maar kende van Latijnse vertalingen. Opmerkelijk trouwens hoe de Griek meer in andere talen werd gelezen en gewaardeerd dan in zijn eigen Grieks. Vertalen betekende vaak ook inlijven, zoals de christenen op allerlei manieren deden – Augustinus, die de tweede helft van zijn leven moest afrekenen met de lectuur van de eerste helft, op zijn manier in De stad van God.
Minstens zo interessant is de invloed op de Arabische cultuur, te meer daar men in de Arabische culturele centra bemoeienissen met het Grieks zag als een dialoog tussen tijdgenoten. Zo traceert Manguel het Nachleben van het epos van Homerus tot op heden, met als voorlopig eindpunt een Joyce die de oerreis op eigen houtje overdeed. De Canadees Manguel (1948) is hier op z’n best, zoals hij soepel velerlei details en bijzonderheden aaneenrijgt; dat is de auteur van encyclopedische boeken zoals de geschiedenis van het lezen of een dictionaire van imaginaire plaatsen. Dat is al heel wat en het is een genoegen al die weetjes voorgeschoteld te krijgen. Maar o wee als hij gaat analyseren. Citeren, parafraseren en verzamelen, dat is zo lang als het breed is. Zodra hij dieper op zijn lectuur ingaat is hij vaak verbazingwekkend oppervlakkig. De tegelijk elders in vertaling verschenen bundel met vijf lezingen is daarvan een demonstratie.
Literatuur om
van te leren
ALBERTO MANGUEL
STAD VAN WOORDEN
Uit het Engels (2007) vertaald door Auke Leistra
Ambo, 168 blz., € 19,95

De stad is een toren, Babel; een beetje misleidend omdat de titel City of Words vroeger al eens gebruikt is door Tony Tanner voor een studie over de stadsroman in de Amerikaanse literatuur. De derde lezing heet ‘De bouwstenen van Babel’, met als eerste steen aforismen van Kafka, waarna Genesis de opstap vormt voor een verhandeling over taal, de oorsprong van gesproken taal en schrift, die eindigt in een abstract betoog over identiteit, het ‘creëren van een geïnspireerde identiteit’, waarheid, werkelijkheid, een verhaal ‘dat ons een bruikbare visie op de werkelijkheid voorhoudt’. Toren van Babel? Eerder flarden uit een echoput. Kennelijk gaat het bij dat alles om de tegenstelling tussen degenen die zweren bij het werkelijkheidsprincipe, meestal personen met macht en/of wapens, en degenen die op ijlere hoogten zweven. De grap is dat de laatsten zich vaak door de eersten laten voorschrijven wat belangrijk is of niet; en Manguel toont zich geïntimideerd, al was het maar in zijn deun dat literatuur heus wel iets over de echte werkelijkheid te zeggen heeft. Hij noemt het de eeuwige strijd tussen de beoefenaren van de letteren en die van oorlogen. Zo was de schrijver Cervantes ooit soldaat.
Met dat in het achterhoofd leest Manguel de twee delen Don Quichot. Dankbaar citeert hij Quichot waar deze laat zien dat om de schijn te doorzien wel degelijk de scherpe blik van de literator nodig is. Over zijn centrale thema heeft Manguel zelf weinig te melden. Het zijn ook in dit boek de zijwegen die meer te bieden hebben. Bijvoorbeeld dat Cervantes het boek als een Arabische creatie presenteerde – Quichot zag in een al bestaande Arabische vertaling voorgeschreven welke avonturen hem te wachten stonden – precies in de tijd dat Spanje de Moren het land uit joeg. Vele schrijvers passeren in dit boek de revue. Manguel lijkt hun werk vooral te gebruiken als vindplaats van citaten die bewijzen dat ‘verhalen ons kunnen vertellen wie we zijn’. Hij zegt voor wat we aan troost en wijsheid uit de boeken kunnen putten – dat ‘we’ gaat irriteren. De algemeenheden zijn niet van de lucht: ‘We leven in een wereld van veranderlijke grenzen en identiteiten.’ En dan de Ander, want daar draait het allemaal om: de uitgeslotene, de vijand, de vreemdeling, de barbaar én de ander in onszelf. Het hele thema van de dubbelganger, vanaf de Gilgamesj, schijnt daar om te gaan.