Boek van de maand

Jacq Vogelaar bespreekt zes boeken uit het aanbod van vertaalde literatuur. Het zijn niet per se de beste romans, als wel de romans die in zijn ogen om de een of andere reden de moeite waard zijn. Zoals Een ander ik van de Zuid-Afrikaanse schrijfster EKM Dido, waarin een vrouw op zoek gaat naar de persoon die zij ooit was.

Een ‘ik’ gezocht voor een stuk lichaam
EKM DIDO
EEN ANDER IK
Uit het Afrikaans (’n Ander ek, 2007) vertaald door Riet de Jong-Goossens
Ailantus, 299 blz., € 19,95

Als je iets weet kun je er moeilijk omheen; iets niet weten is makkelijker. Wie EKM Dido was wist ik niet, dus ook niet dat Een ander ik van de in 1951 geboren Zuid-Afrikaanse schrijfster al haar vijfde roman is sinds 1996, en dat zij na pogingen in het Engels met Die storie van Monica Peters de eerste niet-blanke schrijfster van een Afrikaanse roman was. Dit staat achter op het boek.
In de roman was ik achteraf gezien liever met het tweede hoofdstuk begonnen, waar de hoofdpersoon nog niet meer is dan een bewustzijn dat voor zijn geestesoog wat beelden ziet flakkeren, het lijf door handen, zachte maar vooral harde behandeld voelt, geuren opvangt, stemmen hoort en ook daarin harde van zachtere onderscheidt. Een bitse stem met een knoflookwalm: ‘Ik ben het zat om voor dit dooie lijk te zorgen.’ Geluiden en hard gepraat doen pijn. ‘Kan iemand alsjeblieft het licht aandoen, wil ik vragen, maar krijg mijn lippen niet van elkaar.’ Wie dat leest weet na het beginhoofdstuk eigenlijk al te veel, omdat de lezer ‘het geval’ al van buitenaf heeft gezien: je hebt al gezien dat op een ziekenhuisafdeling verpleegsters in de weer zijn met een vrouw die na drie maanden Groote Schuur Ziekenhuis hier in het Conradie Ziekenhuis nog eens drie maanden in coma ligt en al die tijd nauwelijks enig teken van leven heeft gegeven: ‘onze Unknown op kamer drie’.
Voordat zij – de onbekende, die van dat woord gruwt en daarom als ze per se een naam moet hebben zichzelf maar Egidius noemt, omdat die naam in haar opkomt, Egidius Papier, omdat haar oog op papier valt – voordat zij zelf aan het woord komt weet je van de man die al zes maanden naar zijn verdwenen vrouw op zoek is en van de verpleging een verfomfaaid wezen met maar één oog, veel littekens, grijs haar en een afgesneden ringvinger te zien krijgt, dat zij niet Geertruida Reiger is, directeur van een basisschool in een plaatsje buiten Kaapstad, die bewuste dag, 22 februari 2005, in de stad onderweg naar haar universitaire promotor. Zij is zijn Geertruida niet, dat weet de heer Reiger zeker. En zij, de vrouw zonder naam en zonder geheugen, zal pas veel later weten wie zij is – of liever wie zij was en nooit meer zijn zal.
In het eerste hoofdstuk kijkt de lezer dus met verpleegsters, arts en bezoeker mee, tegelijk meer én minder wetend dan de vrouw die vanaf het tweede hoofdstuk stapje voor stapje bij zinnen komt. De weg terug in twee termijnen wordt vooral een lijdensweg door toedoen van anderen. Eerst nog een tijd in het ziekenhuis, waar ze zodra ze verplaatsbaar is op een zaal met andere vrouwen komt – een eerste oefening in spitsroedenlopen. Alles moet ze leren: lopen, praten, kijken met één oog, omgaan met een pruik. Ze moet vooral leren een ander te zijn en te wennen aan het verminkte hoofd in de spiegel: aan die ander, want een ander ik, waarover de titel het heeft, kun je het (nog) niet noemen.
Op een of andere manier is de vrouw in het ziekenhuis nog geborgen; er wordt immers voor haar gezorgd. Buiten zal ze er alleen voor staan, en daar is ze niet op berekend. Om een bed vrij te krijgen wordt ze zo gauw mogelijk ontslagen en per taxi naar een opvang voor daklozen gestuurd, een nachtasiel, waar iedereen ’s ochtends vroeg zonder pardon door de achterdeur geloosd wordt. Ze bevindt zich tussen roofdieren die het op haar koffer, haar kamerjas, haar weinige bezittingen gemunt hebben; ze is weerloos te midden van schreeuwerige, dronken, stelende zwervers, bergies. Tussen die bergies moet ze zich staande houden tot ze zo ver is dat ze haar plaats van herkomst achterhaalt. Bij gebrek aan beter wordt ze de weerspannige mokkel van Brainy, nog de minst erge van de daklozen. Brainy – in een vorig leven advocaat – komt ze altijd wel ergens tegen, ook als hij haar heeft ingeruild voor een slaafser type. Haar enige identiteit is ook in die situatie haar taal – die verraadt en redt haar: aan haar taal is te horen dat ze een beschaafd mens is; daarom krijgt ze een baantje bij een liefdadigheidsinstelling die maaltijden verstrekt. Verder leeft en slaapt ze op straat en de wereld (Kaapstad) lijkt uitsluitend bevolkt door bergies. In een bus zegt een dame over haar: ‘Goeie genade! Wat komt er van ons terecht als de bergies ook al met de bus reizen?’ Die geeft zij publiekelijk lik op stuk, zo ver is ze dan al.
Maar van een ander ik kan pas dan sprake zijn als zij weet wat haar vroegere ik was. Wat haar geheugen stukje bij beetje loslaat wordt aangevuld door wat ze van de politie hoort en door wat ze vindt als ze in een bibliotheek op zoek gaat in oude kranten: ‘Ernstig gewonde vrouw poedelnaakt gevonden’, met opmerkelijk genoeg geen vermelding van haar ras. In haar gloednieuwe auto is ze indertijd door drie mannen die in een auto naast haar voor het stoplicht zaten verkracht, verminkt, beroofd en voor dood achtergelaten. Kennelijk een geval uit vele, dagelijks. Zoiets kan ertoe leiden dit geval als typisch voor de huidige situatie in Zuid-Afrika te beschouwen en de hele roman in de eerste plaats als sociale schildering te zien. Maar zoals gezegd komen ras en huidskleur nauwelijks ter sprake. De gedetailleerdheid van het leven in het nachtasiel en het daklozenbestaan kan eveneens aanleiding geven te denken dat de hoofdpersoon voornamelijk tot functie heeft een sociale werkelijkheid te zien te geven. De roman van Dido is net als romans van Marlene van Niekerk in politieke termen besproken, waarbij de recensent al gauw de neiging heeft realistische kritiek te leveren: waarom heeft de vrouw niet meteen een taxi genomen naar haar oude adres? Dat doet ze uiteindelijk ook en ze ziet dan hoe haar man inmiddels een nieuw gezin op poten heeft gezet – om de clou maar snel weg te geven: wist meneer Reiger daarom al op het eerste gezicht dat de verminkte vrouw nooit meer de zijne zou zijn?
Het lijkt me beter je als lezer te houden aan het perspectief dat de roman aanhoudt en de vrouw te volgen: hoe zij zonder richtinggevende herinneringen en gehinderd door een geruïneerd lichaam, ten goede en ten kwade overgeleverd aan de willekeur van anderen, zoiets als een ander ik weet te assembleren waarmee ze alleen verder kan. Wie dan meteen de vraag stelt wat uit dit geval over het hele land te leren valt, ziet inderdaad nog alleen maar een geval, zoals in hoofdstuk één, van buitenaf, en niet dit ene bewustzijn dat in een ander lichaam probeert ‘tot zichzelf te komen’.
Ik noemde Marlene van Niekerk, met wier roman Agaat deze roman van Dido in de verte iets gemeen heeft. Maar er is een vergelijking die zich meer opdringt, een uit het ongerijmde, die met Nacht van Edgar Hilsenrath: over een man die zich met alle mogelijke, vooral misdadige middelen in leven houdt in een nachtasiel in een Roemeens getto. Toen ik dat boek besprak vroeg ik me af waarom het verhaal mij onberoerd liet. Ellende genoeg, net als in dit boek van Dido. Niet de erbarmelijke situatie raakt bepaalde zenuwen, maar de confrontatie met totale wanhoop en hulpeloosheid – en dan is het niet zozeer de kunst van de inleving die de een beter zou beheersen dan de ander, maar de verhouding nabijheid en afstand die in de zinnen en de opeenvolging van situaties vorm krijgt. Zo’n boek noem je dan beklemmend of aangrijpend, en daarmee bedoel je dat er bij het lezen iets gebeurt – maar vraag niet wat.

Ben ik wat ik ben

ANDRÉ BRINK
SPIEGEL
Uit het Engels (2008) vertaald door Rob van der Veer. Meulenhoff, 150 blz., € 16,90

André Brink (1935) schrijft in het Engels en pakt het heel anders aan dan EKM Dido, hoewel hij, niet alleen omdat ook in zijn verhaal de bergies nadrukkelijk aanwezig zijn, dichter in haar buurt komt in Spiegel dan in het vorige boek De blauwe deur waar de nieuwe roman nauw op aansluit.
Het zijn parabels, beide boeken met eenzelfde schema van een geslaagde man in wiens perfecte leven opeens een lelijke barst komt, niet door een misstap of externe gebeurtenis maar door een wonderlijke omkering. Achter de blauwe deur van zijn atelier, waar de gerieflijk getrouwde leraar André in z’n vrije tijd een eigen schildersleven leidt, treft hij op een goede dag een compleet gezin aan, Sarah, een jonge kleurlinge, met twee kinderen, een nieuw gezin waar hij even aan moet wennen. Zijn appartement blijkt vervolgens verdwenen. Ooit werd hij door een verliefde betrapt ‘met een bruine meid’; in de nieuwe werkelijkheid blijkt hij al negen jaar getrouwd met een mooie kleurlinge, een andere, vooral een andere dan zijn Lydia. Die komt ook voor in Spiegel, waarin de eveneens zeer geslaagde architect Steve, collega van Lydia, in de spiegel opeens een zwarte ziet. En niemand die dat vreemd vindt, ook zijn gezin niet.
De enige die iets van zijn huid zegt is het Duitse kindermeisje Silke, met wie hij die middag in bed duikt. Steve is geslaagd omdat hij zich steeds perfect wist aan te passen. In het nieuwe Zuid-Afrika heeft hij als zwarte nog meer voordelen, al heeft hij enige moeite de bergies vanwege dezelfde huidskleur ook als ‘mijn eigen mensen’ te zien. Bij een overval in een restaurant krijgt hij ook alweer vanwege z’n kleur de rol van bemiddelaar toebedeeld, maar de overvallers (Xhoasa’s) weten wel beter: ‘Jij bent niet een van ons.’ Was De blauwe deur nog een expliciet kafkaëske parabel, Spiegel is veel meer een gedachte-experiment: ben ik wat ik ben, heb ik een eigen kern, of besta ik alleen op grond van waarnemingen, van anderen, zelfs van mezelf (door een spiegel)?
Leugens en waarheid

JOSÉ EDUARDO AGUALUSA
DE VROUWEN VAN MIJN VADER
Uit het Portugees (2007) vertaald door Harrie Lemmens
Meulenhoff, 351 blz.,
€ 19,95
Zonder veel omwegen schuift José Eduardo Agualusa twee Afrikaanse reisverhalen door elkaar heen: dat van de jonge vrouw Laurentina, deels Portugese, deels Mozambikaanse, die van haar moeder hoort dat haar echte vader de beroemde zanger en bassist Faustino Manso is en met een groepje op reis gaat om een filmdocumentaire te maken van alle plaatsen waar de man gewoond heeft. Manso blijkt, zoals ze bij zijn begrafenis hoort, achttien kinderen bij zeven vrouwen te hebben verwekt.
Het andere verhaal is een exact gedateerd logboek uit de jaren 2005-2007 van een reis van een naamloze, waarschijnlijk de schrijver, op zoek naar locaties voor zijn personages in Angola, Mozambique, Namibië en Zuid-Afrika. Zeker met al die namen en plaatsen, plus de onthullingen (Manso blijkt onvruchtbaar te zijn, en Laurentina’s stiefvader blijkt alsnog de echte vader) lijkt het een uitermate ingewikkeld vlechtwerk – maar zo moeilijk is het niet om de twee parallelreizen te volgen.
Opmerkelijk is – zoals vaker bij een invulling van een legendarische persoon vanuit verschillende gezichtspunten, verteld door diverse betrokkenen – dat de hoofdpersoon zelf steeds vagere trekken krijgt. Intrigerend is een vraag aan het begin: ‘Uit hoeveel waarheden bestaat een leugen?’ Dat is zo’n wisecrack die je evengoed kunt omkeren. Ingewikkelder is wat er in dit alles Portugees en Angolees is, in taal en denken. Een van de reisgenoten, die ‘de zwartste neger van Portugal’ wordt genoemd, haat alles wat Afrikaans is. De schrijver daarentegen zingt de lof van het veeltalige, multiculturele en lawaaierige Luanda.
Niet toevallig komt in de roman collega Mia Couto voor, eveneens een Angolese in het Portugees schrijvende auteur die talen vermengt – én werkelijkheidservaringen. Wat dat betreft kan ik nog een andere, twee jaar geleden vertaalde titel van Agualasa (1960) aanbevelen: De handelaar in verledens – over een boekhandelaar die op bestelling biografieën levert. Ook de loopbaan van de kinderrijke zanger door zuidelijk Afrika bestaat uit vele levens, wel heel veel, want tijdens de periode met één vrouw, een van de zeven moeders, heeft hij, zoals zij uit de doeken doet, ook nog affaires met zeven andere. Een picareske geschiedenis, waar nog eens een kwart eeuw geschiedenis van de hele regio in verwerkt is.
Drie vrouwen

SVEN OLOV
KARLSSON
HET AMERIKAANSE HUIS
Uit het Zweeds (2008) vertaald
door Edith Sybesma. Prometheus,
267 blz., € 19,95

Niet alleen komt er uit het Noorden een golf van misdaadromans, ook in de gewone Scandinavische literatuur wemelt het van de misdaad. In de tweede roman van de Zweed Sven Olof Karlsson (1971) draait het om de moord van Eddy Mood op zijn vroegere maat Magnus, zoon van een oud boerengeslacht. Het gebeurt uit jaloezie als hij hoort dat zijn ex-vrouw na de geboorte van hun dode kind het met Magnus deed, poep-magnus die tot z’n 23ste nooit iemand had aangeraakt. Dat is een vooral psychologisch uitgewerkte geschiedenis in de roman, zoals ook de verloedering van Eddy, de bewoner van het Amerikaanse huis, na de scheiding die eindigt met een stal verwaarloosd en eigenhandig doodgemaakt vee.
Meer sociologisch is het verhaal als de terugkeer na twintig jaar gevangenschap de schrijver gelegenheid geeft het verschil tussen het dorp van vroeger en het huidige stadje te schetsen, waarbij ook nog een mijnbouwexploitatie door een Schotse firma een rol speelt. Tussendoor worden allerlei betrokkenen geschetst, autochtonen en import, zoals de nieuwe dominee die zich over de teruggekeerde moordenaar ontfermt. Iedereen wil de moordenaar zo snel mogelijk weg hebben; zij predikt verzoening. Maar de roddelmachine achterhaalt dat de vrouw als gevangenispastor al eerder een bajesklant aan de haak had en nu ‘ben jij haar extramurale gevangene’, weet een kletsmajoor met geleende termen te melden.
Op het eind deelt de schrijver nog eens uitdrukkelijk mee dat de hele geschiedenis ‘eigenlijk’ over vrouwen gaat, over drie vrouwen die elkaar al twintig jaar uit de weg gaan: de moeder van de vermoorde Magnus, de vrouw van Eddy en diens moeder. En zonder doodgeboren kind was alles anders gelopen, nog zo’n eye-opener. Het speelt nu, maar los van de details had het ook een ouderwets naturalistische roman kunnen zijn, ware het niet dat Karlsson eerder aan een film gedacht moet hebben met zijn wisselende scènes, sprongen in de tijd en verrassende wendingen en zijpaden.
Er is bijvoorbeeld ook nog het dagboek van een grootmoeder waaruit blijkt waarom zij krankzinnig is geworden en de hand aan zichzelf heeft geslagen. Op haar dertiende heeft die, ver terug in de vorige eeuw, een kindje begraven dat ze van haar vader had gekregen. Met al dat lamentabels is het meer een breikous dan een roman.
Beroepsfilosoof als broer

JULIAN BARNES
NIETS TE VREZEN
Uit het Engels
(2008) vertaald
door Sjaak
de Jong.
Atlas, 255 blz.,
€ 19,90

‘Tussen haakjes, dit is geen “autobiografie”. Ook ben ik niet “op zoek naar mijn ouders”.’ De waarschuwing op pagina 41 komt enigszins aan de late kant, namelijk nadat Julian Barnes uitgebreid over ouders en grootouders heeft verteld, en na een mooie anekdote over de poef die de vader ooit uit India had meegebracht, een lege leren huls. Als de zoon er met zijn volle pubergewicht bovenop kwakt, blijkt die gevuld met liefdesbrieven en ansichtkaarten van de ouders.
Julian heeft een beroepsfilosoof als broer, die nergens in gelooft, dat wil dus zeggen ook niet in herinneringen; hij, de jongere, die zelf na een afgebroken studie Frans ook filosofie ging doen maar daarin is blijven liefhebberen, wantrouwt eerder de inkleuring van herinneringen.
De verschillen tussen beide broers zijn één draad in dit niet-autobiografische boek, dat vooral over de dood gaat: geen dag dat Barnes niet aan het einde denkt, en ’s nachts nog meer. Die obsessie begon toen hij op z’n veertiende overvallen werd door het besef van sterfelijkheid.
Op z’n twintigste noemde hij zichzelf atheïst, ‘een blije atheïst’, of gewoon estheet; op z’n zestigste is hij agnost. Hij begint dit boek, dat eerder de titel ‘Alles over de dood op een rijtje’ had zullen krijgen, met de wisecrack ‘Ik geloof niet in God, maar ik mis hem’.
Op de opmerking over het autobiografisch gehalte volgt het zinnetje: ‘Wat ik nu doe – ogenschijnlijk een onnutte bezigheid – is onder meer uitzoeken hoe dood ze zijn.’ Niet hoe ze dood zijn gegaan – de vader een agnost die de dood vreesde, de moeder atheïste die niets vreesde – maar hoe ze (in de herinnering) nabestaan.
Wie een paar van de inmiddels elf vertaalde boeken van Julian Barnes (1946) gelezen heeft, zal het nodige herkennen, vooral de causeur die handig anekdotes aaneen weet te rijgen, en die hier terloops zijn literaire stamboom traceert met Jules Renard als spiegel en Montaigne als voorbeeld. Het is geen boek om te recenseren, je kunt het niet resumeren, hooguit typeren: hier denkt iemand hardop na, en nog zinnig ook. Om er echt iets over te zeggen moet je met de schrijver in discussie gaan, daarvoor moet je wel weten wat doodsangst en ongeloof is en vooral het niets in de titel vrezen.
Dat ene grote misverstand

CLAIRE
CASTILLON
DE LIEFDE IS
VAN IEDEREEN
Uit het Frans (2007)
vertaald door Martine Woudt.
Anthos, 146 blz.,
€ 16,95

Voor de literatuur, voor een bepaald soort literatuur, is de uitvinding van het huwelijk een zegen. In deze bundel korte, veelal bizarre en soms groteske en daardoor realistisch aandoende vertellingen licht de Française Claire Castillon (1975) een aantal variaties door. In het titelverhaal vertelt een vrouw over haar man, die ze af en toe op het station ziet om hem een nieuw gevulde koffer te geven en de oude in ontvangst te nemen. Verder is hij onderweg, om voor haar te zorgen. Dat loopt tot ze in een koffer een positieve zwangerschapstest vindt en een jurk die niet voor haar verjaardag bestemd blijkt. Ook als hij niet meer komt opdagen, wacht zij hem trouw op.
In een andere monoloog vertelt een vrouw hoe zij door de onnozelheid van haar man wordt aangestoken. Tenslotte beoefenen ze samen close reading op delen uit een kinderboekenserie. ‘Dit is het verhaal van twee mensen die hun liefde moeten beëindigen. De een omdat hij zich oud voelt, de ander omdat ze wordt weggestuurd.’ De laatste ligt met een letterlijk gebroken hart in het ziekenhuis, terwijl de eerste gek wordt en zich de haren uit het hoofd trekt zodat hij haar geur nog kan ruiken. Kinderen vragen of die vieze man in de struiken ook bijt. Een vrouw kan zelfs jaloers worden van haar eigen schaduw. En ouders kunnen hun vier kinderen zo verafschuwen dat ze alles doen om hen te laten mislukken. De brief van een broer aan een zus over de erfenis mag er ook wezen als staaltje pesterij.
In dat opzicht hebben de verhalen iets van Roald Dahl, en net als de korte romans van Nothomb draaien ze om een curieus gegeven dat consequent wordt doorgevoerd. Een kille toon is daarbij onvermijdelijk, en overdrijving hachelijk. Het genre brengt met zich mee dat de verhalen na één keer lezen op zijn. Je moet ze dan ook snel lezen en inderdaad zien als variaties van dat ene grote misverstand. Gezien de productie van Castillon – vijf romans, twee verhalenbundels, deze en het eerder vertaalde Insect – heeft dat het eeuwige leven.