Essay De alomvattende bibliotheek

Boeken als biobrandstof

In De bibliotheek van Babel beschrijft Jorge Luis Borges een verzameling waarin alle geschreven en nog te schrijven boeken zijn opgeslagen. Alle boeken ter wereld voor iedereen toegankelijk. Is dit ideaal, door internet steeds realistischer, een droom of een nachtmerrie?

GEZETEN ACHTER haar schrijftafel in een stille pastorie in de Beemster fantaseert schrijfster Betje Wolff in 1776 over Holland in het jaar 2440. Oorlog zal verdwenen zijn en misdaad is vrijwel uitgebannen. De Nederlanders zijn eindelijk redelijke wezens geworden en hun regering laat zich leiden door wijze filosofen. Ook de informatievoorziening zal in die verre toekomst sterk verbeterd zijn: ‘Ieder heeft een kleine voorraad van meest geliefde boeken.’ Meer hebben mensen thuis niet nodig. Met behulp van een index op alle beschikbare boeken is alles te vinden in openbare bibliotheken. Bovendien verschijnen er compendia waarin de vorderingen binnen de wetenschappen en nieuwe literatuur worden samengevat. Zelfs de hersencapaciteit van mensen is in de toekomst efficiënter geworden. Ze zullen beschikken over een 'sterker en beknopter’ denkvermogen.
Inmiddels zijn we bijna tweeënhalve eeuw verder. Sommige ontwikkelingen gingen sneller dan de schrijfster vermoedde. Een maandelijkse index op verschenen boeken kwam er nog tijdens haar leven in 1790. Voor iedereen toegankelijke openbare bibliotheken kwamen er al aan het eind van de negentiende eeuw.
Betje Wolff kon zich in 1776 echter nog geen bibliotheek voorstellen zonder muren. Bibliothecaris Jorge Luis Borges deed dat een halve eeuw geleden al wel, in zijn verhaal De bibliotheek van Babel. De verteller van dit verhaal kijkt terug op zijn leven, dat hij heeft doorgebracht in een bibliotheek die bestaat uit een oneindig aantal zeshoekige ruimtes, waarin alle geschreven en nog te schrijven boeken zijn opgeslagen. Dat kan omdat in deze boeken alle mogelijke combinaties van de letters van het alfabet zijn afgedrukt, 'oftewel alles wat maar uit te drukken valt: in alle talen. Alles. Toen men ontdekte dat de Bibliotheek alle boeken omvatte, was het eerste gevoelen er een van buitensporig geluk. Alle mensen voelden zich de baas van een ongeschonden, geheime schat.’
Pleitbezorgers van de digitalisering zien hierin de droom van het internet die inmiddels in vervulling is gegaan. Borges zou geprobeerd hebben de 'ideale’ bibliotheek te verbeelden. Althans dat deed hij bijna, volgens de website van het SocioSite-project aan de Universiteit van Amsterdam: 'Bijna, omdat zijn droom van een universele bibliotheek in ruimtelijk opzicht eindig is. In de virtuele bibliotheek wordt dat nadeel overwonnen. De virtuele bibliotheek is namelijk onbegrensd zonder dat ze enige fysieke beperking oplegt.’
De huidige 'beknopter denkende’ lezers, die Betje Wolff al voorspelde, werden door The New York Times op 6 januari 2008 voorzien van het zojuist geciteerde fragment uit Borges’ verhaal: het geluk waardoor men werd bevangen bij de ontdekking dat deze bibliotheek compleet was. Dit citaat werd vervolgens gekoppeld aan een mijlpaal: 1,5 miljoen boeken zouden inmiddels zijn gedigitaliseerd: 'This project brings us closer to the ideal of the Universal Library.’

DE DIGITALISERING van onze cultuur is natuurlijk al zo'n twintig jaar geleden begonnen. Er waren sceptische geluiden van bijvoorbeeld George Steiner of Sven Birkerts, maar de toon is inmiddels veranderd. Scepsis ten aanzien van de verworvenheden van het internet of digitaliseringsprojecten hoort tegenwoordig altijd te worden voorafgegaan door een bekentenis. De keuzemogelijkheden zijn ruim, maar hebben wel een vast patroon: mijn hele huis is voorzien van ADSL, mijn kinderen spelen de hele dag World of Warcraft, ik las mijn vakliteratuur al digitaal voor Web 2.0 was ingevoerd. Of de omgekeerde variant: mijn huis is van onder tot boven volgepakt met boeken. Deze intro wordt zowel gehanteerd door sceptici om spotlustigen de mond te snoeren als door propagandisten van de digitale cultuur om duidelijk te maken dat ook zij hun klassieken kennen. Het zijn alleen de sceptici die zich hierna in nog wat meer bochten moeten wringen. Dat kan geraffineerd door een schijnbaar onbelangrijke tussenzin: 'het leger van onheilsprofeten groeit aan’. Daarmee geeft de auteur aan daar zelf niet bij te horen.
De propagandisten van de digitale cultuur proberen de onrust te bezweren over de mogelijke consequenties van het verdwijnen van het gedrukte woord en de bijbehorende leescultuur met een populaire mantra. Elke revolutie op het terrein van de communicatie heeft nu eenmaal geleid tot gemor. Dat vaste patroon begint al met de Griekse filosoof Socrates, die wees op de nadelen van de overgang van een orale naar een schriftcultuur. De uitvinding van de drukpers rond 1500 verdrong op haar beurt de handschriftelijke cultuur. En de uitvinding van de industriële rotatiepers zou tot de moderne pulpcultuur hebben geleid. Dit alles onder hevig protest. In zo'n opsomming is de huidige digitale revolutie slechts een volgend stadium van een onstuitbare ontwikkeling. Dit finalistische geschiedverhaal reduceert critici tot achtergebleven sufferds. Dat vooruitgang niet altijd verbetering is wordt vaak vergeten. Dat de geschiedenis van de media ook voorbeelden geeft van het instorten van geletterde culturen is al helemaal een taboe.
De belangrijkste kritiek komt op dit moment uit de hoek van de cognitieve en neuropsychologie. Uit recent onderzoek blijkt namelijk dat de wijze waarop mensen communiceren en informatie tot zich nemen van grote invloed is op de ontwikkeling en werking van het menselijk brein. Van wetenschapsjournalist Nicholas Carr verscheen hierover een paar maanden geleden The Shallows: What the Internet Is Doing to Our Brains. Het boek bevestigt wat Sven Birkerts in zijn omstreden verdediging van de boekcultuur uit 1994, The Gutenberg Elegies, al intuïtief aanvoelde. Het lineaire lezen - dat is het lezen van gedrukte boeken - en het schrijven met de hand stimuleren creativiteit, het kritisch denken en het vermogen tot diepgang. Het internet versterkt daarentegen primaire functies zoals oog-handcoördinatie, de snelheid van reflexen en de verwerking van visuele informatie. Ook het vermogen tot 'multitasken’ verbetert bij zware internetgebruikers. Dat doet het althans een beetje. Uit vergelijkend onderzoek tussen de mentale capaciteiten van deze groep en - laten we zeggen - 'digifoben’, blijkt echter tegelijkertijd dat de eerste groep veel sneller is af te leiden. De conclusie is dat intensieve internetgebruikers 'sponzen zijn voor irrelevante informatie’.
Dit brengt mij terug bij de droom van Borges. Wie de moeite neemt om verder te lezen na de euforie over de universele bibliotheek zal ontdekken dat wat de auteur beschrijft in werkelijkheid geen droom is, maar een nachtmerrie: 'Op deze bovenmatige hoop volgde, logischerwijs, een zeer diepe depressie.’ Omdat de bibliotheek alle boeken bevat die denkbaar zijn, geschreven in alle combinaties van het alfabet, is het overgrote merendeel hiervan onleesbaar voor wie de codes niet kent en de inmiddels dode of nog te ontwikkelen talen waarin ze geschreven zijn. De hoop dat ergens tussen deze boeken gevuld met 'onzinnige kakofonieën, verbale samenraapsels en incoherenties’ begrijpelijke teksten te vinden zijn die opheldering verschaffen 'van de basismysteries van de mensheid: de oorsprong van de bibliotheek en de tijd’, leidde tot een eeuwigdurende speurtocht van talloze rusteloze zoekers. Een aantal bewoners van de bibliotheek begon nutteloos werk te elimineren. Maar de vernietiging van miljoenen boeken hielp niet, want van elk boek bestonden immers nog een oneindig aantal slechts miniem afwijkende exemplaren.
Het is mogelijk om Borges’ verhaal uit 1944 op talloze manieren te interpreteren, zelfs als een voorafschaduwing van het digitale tijdperk. Om een beeld te krijgen van wat men zich zou moeten voorstellen bij de 'onzinnige kakofonieën, verbale samenraapsels en incoherenties’ uit de bibliotheek van Babel hoeft men slechts te klikken op het Google-icoon 'Bekijk pagina’s die vertaald zijn uit het Engels’ - dat is: vertaald door computers, - of een blik te werpen op Hyves, Facebook of Twitter. In Borges’ verhaal is veel te projecteren, echter beslist niet de zogenaamd ideale bibliotheek, die inmiddels dankzij het internet tot perfectie zou worden gebracht.

DE DROOM van de universele bibliotheek is zo oud als de geschiedenis van de westerse beschaving. De legendarische bibliotheek van Alexandrië uit de oudheid is daarvan natuurlijk het meest bekende voorbeeld. De grootsheid van haar ambities en de magistrale omvang van haar collectie heeft altijd tot de verbeelding gesproken. Ook of misschien wel juist vanwege de ondergang van deze onderneming - geplunderd en verbrand tot er van de circa een half miljoen boekrollen die hier bewaard werden vrijwel niets meer over was. Want de andere kant van deze droom kent eveneens een lange traditie: de behoefte aan overzicht en dus aan selectie en begrenzing van informatie.
In het achttiende-eeuwse tijdschrift Vaderlandse letteroefeningen wordt de vernieling van de bibliotheek van Alexandrië herdacht als een zegen voor de mensheid: 'Om de waarheid te zeggen, wij hebben niet alleen genoeg oude boeken, maar wij bevinden ons overlaaden met oude en nieuwe, als wij in aanmerking neemen hoe weinig er gelezen wordt, en hoe onmoogelijk het is alles te leezen wat reeds geschreeven is.’ Overal in Europa leefde deze gedachte. We zagen ze al bij Betje Wolff. Wolff had wel een originele oplossing voor de recycling van afgekeurde boeken, namelijk tot een soort biobrandstof, waarmee de mensheid nog eeuwen toe zou kunnen.
Het devies 'minder is meer’ werd sindsdien steeds vaker gehoord en is ook terug te vinden in diverse achttiende-eeuwse imaginaire reisverhalen. Het 'minder’ is daarbij soms gereduceerd tot slechts één boek. Robinson Crusoe spoelde aan met alleen een bijbel. De zeer populaire imaginaire reis van Klaas Klim voert naar een ideale onderaardse samenleving, waar groepen onderzoekers - de zogenaamde 'boekerij-veegers’ - zijn aangesteld om prulboeken uit de circulatie te halen. Tegelijkertijd wordt de productie van boeken ingedamd. Pas na hun dertigste, en nadat is vastgesteld dat ze hiertoe voldoende capaciteiten hebben, mogen de inwoners van dit koninkrijk boeken schrijven: 'Hierom komen er weinige, maar geleerde en zeer wel doorwrogte schriften in ’t licht.’
Dat is weer eens een ander geluid dan de blijmoedigheid waarmee aspirant-lezers van de e-reader hun enthousiasme voor dit nieuwe medium belijden. 'Zo kan ik op mijn vakantie wel honderd boeken meenemen.’ >
DE AFGELOPEN jaren heb ik onderzoek gedaan in egodocumenten van de zestiende tot de twintigste eeuw, in het bijzonder naar de motieven van mensen om een dagboek te beginnen of om herinneringen vast te leggen in een autobiografie. Uit deze egodocumenten sprak een onbedwingbare passie om de dagelijkse chaos aan indrukken, opgedaan in leven en literatuur, te bedwingen door ze op een ordentelijke wijze vast te leggen op papier. Op die groeiende behoefte werd door uitgevers in de negentiende eeuw ingespeeld door de introductie van het voorgedrukte dagboek en het herinneringsalbum. Wat was er eerder, de behoefte aan dit format of waren het de uitgevers, die een nieuwe manier zagen om geld te verdienen en hiervoor eigenhandig een markt hebben gecreëerd? Inzicht in dit proces is op zichzelf interessant, maar kan indirect ook van belang zijn om ons huidige denken over de vraag- en aanbodkwestie van de e-reader en de digitalisering van onze cultuur aan te scherpen.
Het verdienmodel van Google is erop gericht dat mensen klikken. Wat voor soort mensen gaat al dit geklik opleveren en wat betekent dit voor hun besef van individualiteit? De vooraanstaande Engelse hersenwetenschapper Susan Greenfield voorspelt dat dit een afnemend identiteitsbesef tot gevolg zal hebben. Een virtuele omgeving genereert een teveel aan dopamine, wat leidt tot verslavingsgedrag en het onderfunctioneren van juist dat deel van de hersenen waarmee we verbanden leggen en betekenis geven.
Boekhistorici kunnen hierover niet zo gemakkelijk uitspraken doen. Wel kan worden onderzocht welke invloed het medium van het gedrukte papieren boek heeft gehad op leven, denken en voelen van mensen in het verleden. Theorievorming hierover ontbreekt, behalve dan een restant van Rolf Engelsings these van de lezersrevolutie: de overgang in de loop van de achttiende eeuw van intensief lezen - het steeds weer herlezen van een klein corpus aan teksten - naar extensief leesgedrag - gevarieerder en oppervlakkiger lezen. De samenstellers van het onlangs verschenen The History of Reading ruimden voor het eerst een aparte sectie in voor het onderzoek naar leesbeleving van mensen in het verleden. Maar omdat het alleen individuen betreft - die dan ook nog eens bij uitstek exceptionele lezers zouden zijn - betwijfelt de redactie of deze lezers ons ooit de weg zullen wijzen naar een bredere overkoepelende visie, naar een nieuwe theorie. Het zijn immers uitzonderlijke lezers die doen wat hun hart hun ingeeft. Ik wil dat 'de mythe van de vrije lezer’ noemen.
Michel de Certeau gaf deze lezer in 1980 vleugels in zijn boek L'invention du quotidien. Hij stelt daarin dat de tekst die een lezer onder ogen krijgt, door haar interne logica, de grenzen van het speelveld bepaalt, maar dat de lezer vervolgens deze ruimte ten volle benut om er zijn eigen betekenis in te leggen. Leeshistorici zijn geïnspireerd door de geur van vrijheid die hieruit opstijgt, die hen er vervolgens toe aanzet over een andere dimensie in het werk van De Certeau heen te lezen: de van buitenaf opgelegde grenzen waarbinnen de lezer vrij mag zijn.
Dat kunnen grenzen zijn die worden opgelegd door de auteur, door de context waarin men leest - het in stilte alleen lezen, het samen lezen, het voorlezen, lezen bij kaars- of elektrisch licht of door de vormen waarin de inhouden zijn vervat. Volgens mediasocioloog Marshall McLuhan is de vorm zelfs allesbepalend: het medium is de boodschap. Een medium is in McLuhans visie elke extensie van de menselijke geest of van het menselijk lichaam, kortom, elke uitbreiding van onszelf: de automobiel is bijvoorbeeld een extensie van de voet en de computer een extensie van het brein. Nieuwe media versnellen en verbreden de schaal van reeds bestaande menselijke functies, maar terwijl zij dat doen verzwakken zij de functies waarvan ze een uitbreiding zijn. De eerste generatie gebruikers heeft steevast de neiging de effecten van nieuwe media te onderschatten. Dat komt doordat nieuwe media aanvankelijk 'oude’ inhouden presenteren. Televisie bijvoorbeeld vertoonde in haar begintijd met name uitzendingen van theaterstukken en concerten. Pas later veranderde de inhoud in genres die beter aansloten bij de mogelijkheden en beperkingen van dit nieuwe medium. Tv, weten we nu, was geen theatervoorstelling. En zo is ook het e-book geen boek. Deze en andere apparaten bevatten het oude medium boek, maar dat is, zo voorspel ik, slechts tijdelijk. Door de vorm en mogelijkheden hiervan - telefoon, films, tv, internet en e-mail - zijn deze leesapparaten een verlengstuk van het internet en deze eigenschap zal uiteindelijk de huidige voornaamste 'inhoud’, namelijk het boek, transformeren.
De narcotiserende werking die van nieuwe media uitgaat wordt door McLuhan geïllustreerd door een gangbare misinterpretatie te corrigeren van de mythe van Narcissus. Narcissus verdronk omdat hij dacht dat de weerspiegeling van hemzelf in het water iemand anders was, niet omdat hij verliefd werd op zichzelf. De 'pointe’ van deze mythe, zo betoogt McLuhan, is 'dat mensen worden meegezogen door elke extensie van zichzelf in elk materiaal dat niet van henzelf is’. Narcissus - afgeleid van het Griekse woord narcosis -, was met andere woorden slachtoffer van de afstomping waarmee de confrontatie met nieuwe media gepaard gaat.
Een van die zinsbegoochelingen waarvoor we moeten oppassen is de mythe van de 'vrije lezer’ die zo graag wordt verteld onder leeshistorici en voorstanders van de digitalisering. In het gezaghebbende A History of Reading van Steven Roger Fischer vinden we hiervan een opmerkelijk staaltje. Het lezen zal nooit verdwijnen, zo betoogt Fischer, al was het alleen maar omdat het Latijnse alfabet in het nieuwe mediasysteem is ingebakken. Sterker nog, dankzij de computer zal de geletterdheid van mensen overal ter wereld alleen maar toenemen. Nieuwe lezers zullen nieuwe markten openleggen, een explosie van koopkracht en kooplust genereren en het bewustzijn vergroten. 'De hele wereld zal rijker worden, letterlijk!’ En ook over de toekomstige lezer hoeven we ons volgens hem geen zorgen te maken, die laat zich niet manipuleren maar kiest zelf wat en hoe hij wil lezen: 'Geen enkele tekst, zelfs niet de meest religieus fundamentalistische, dicteert een lezer.’ Het wonder van het lezen is dat het niet de auteur is die voor God speelt, maar de lezer. Om dit wonder te illustreren serveert ook hij de mythe van Narcissus, ditmaal wél verliefd op zijn eigen spiegelbeeld. In de literatuur zien we in feite alleen onszelf en daarom zal wat en hoe we lezen met ons mee veranderen, niet andersom. Hier toont zich inderdaad de imaginaire vrije lezer ten voeten uit.

HET IS HOOG tijd om te gaan afdalen, in de empirie. Ik begin bij de leeservaringen van één individu, Otto van Eck, een jongetje dat eind achttiende eeuw opgroeide in de kringen van de elite. Zijn ouders waren geïnspireerd door de nieuwe verlichte pedagogiek, door Rousseau uiteengezet in zijn Emile, ou de l'education: kinderen moesten niet langer worden gezien als in wezen slecht, want beladen met erfzonde, maar juist als per definitie goed. Daarom moest de oorspronkelijke natuur van het kind zo min mogelijk door cultuur verstikt worden en moest het lectuurdieet van kinderen met zorg worden samengesteld.
Otto hield vanaf zijn tiende tot zijn overlijden, toen hij zeventien jaar oud was, een dagboek bij. Dat deed hij niet op eigen initiatief maar met enige tegenzin, aangemoedigd door zijn ouders, die ook nog een aantal eisen stelden aan de inhoud. Hun speciale aandacht ging uit naar zijn belevingswereld en zijn reacties op zijn leesstof. Over het algemeen waren dat de nieuwe verlichte kinderboeken, in het kielzog van Hieronymus van Alphen, speciaal toegesneden op de eigen belevingswereld van kinderen en steevast voorzien van een verantwoorde moraal. Analyse van Otto’s dagboek wees uit dat zijn ouders actief met hem meelazen en dat hun meeleven en meelezen zich niet beperkten tot Otto’s kinderboeken maar zich ook uitstrekten tot het boek waaraan hijzelf dagelijks werkte: zijn dagboek. Was hij ook een exceptionele lezer?
Nadat Rudolf Dekker en ik onze studie over Otto van Eck hadden voltooid, heb ik het onderzoek voortgezet met de analyse van andere kinderdagboeken rond 1800, bijgehouden door zowel echte kinderen als door papieren kinderen, de kinderen over wie Otto las in zijn verlichte kinderliteratuur. Deze fictieve kinderen bleken dezelfde boeken te lezen als hijzelf en hielden bovendien net als hij een dagboek bij dat eveneens door hun ouders werd meegelezen. Ditzelfde patroon kwam naar voren in de dagboeken van echte kinderen, Nederlandse en Engelse. Toen ik over de muren van Otto’s tuintje keek - in zijn geval was dat een landgoed - ontvouwde zich, met andere woorden, een duizelingwekkend universum van dagboekschrijvende kinderen die samen met hun ouders lazen over andere dagboekschrijvende kinderen die samen met hun ouders lazen over et cetera. Geen exceptionele lezers en al evenmin lezers die doen wat zij willen, maar daarentegen braaf lezende kinderen met hun al even braaf lezende ouders. Als ze al de neiging hebben in hun boeken iets anders te lezen dan de auteurs voor ogen hadden, dan is dat vooral de tendens de moraal uit hun literatuur - wie goed doet, goed ontmoet - te overdrijven.
De lezers van het nieuwe genre van de roman en de kinderliteratuur werden niet - zoals Fischer veronderstelt - verliefd op hun eigen spiegelbeeld, maar werden tijdens het lezen meegesleept door de gevoelens en lotgevallen van anderen. Dat kan alleen door intensief te lezen - dus niet afgeleid door de prikkels waaraan het internet mensen blootstelt - en door het lezen van kaft tot kaft, niet door het googelen van flarden tekst. Bovendien, dat wisten de ouders van Otto van Eck en die van heel wat andere kinderen, deze manier van empathisch lezen moet je leren. Dankzij onder meer het werk van de socioloog Norbert Elias weten we dat het vermogen zich met vreemden te identificeren, met mensen buiten de eigen kleine gemeenschap, niet van alle tijden is maar een verworvenheid, een vorm van beschaving.
Ook het idee waardoor deze ouders bezield waren - we zijn wat we lezen - is niet universeel, maar ontstond ergens rond 1800. Vroeg-moderne autobiografen zijn vergeleken met de generaties na 1800 bijzonder zwijgzaam over de boeken in hun jeugd. Als vroeg-moderne autobiografen al herinneringen ophalen aan de boeken uit hun jeugd betreft dat meestal één boek als voorafschaduwing van hun toekomstig beroep. Na 1800 groeit het aantal boeken en krijgen deze boeken bovendien een andere functie in de levensverhalen. Negentiende- en twintigste-eeuwse autobiografen proberen met behulp van de door hen gelezen boeken de ontwikkeling van hun identiteit te reconstrueren. De autobiografie van de in 1848 geboren dominee G.A. van der Brugghen wordt zelfs grotendeels in beslag genomen door indrukwekkende lijsten van boeken die hij per levensfase heeft gelezen: 'Niet om te zeggen: zie, wat heb ik al gelezen! Want ik houd niet veel van lezen, en ik lees zeer, zeer langzaam. En ik heb heel weinig gelezen.’ Hij geeft de titels omdat ze hem hebben gevormd en voor hem tevens als geheugensteun dienen: 'Ik heb geen geheugen. Daarom: wilde ik iets bewaren, dan moest ik het optekenen.’ Hij gaf dan ook vol zelfspot deze titel aan zijn autobiografie: Vijf maal dominee en nog altijd een sukkel .
Het idee van mensen als vleesgeworden boeken neemt zelfs letterlijke vormen aan in de laatste decennia van de negentiende eeuw, met de opkomst van de massapers. In die jaren beginnen fictieve en echte autobiografieën te verschijnen onder titels als: Bladzijden uit mijn levensboek, met een kleine variatie Bladen uit mijn levensboek, of nog soberder: Uit mijn levensboek.
De tendens om al dagboekschrijvend op het eindproduct - autobiografie - vooruit te lopen, zien we ook terug bij negentiende-eeuwse uitgevers van voorgedrukte dagboeken - die vaak zijn voorzien van de voor ons misleidende titel 'Herinneringen’. De vanzelfsprekendheid van deze keten: mens = ervaringen = dagboek = toekomstige herinneringen = autobiografie = boek, kort samengevat: mens = boek, hangt samen met een complex van factoren. Allereerst met de commercialisering van de autobiografie. De tweede factor is de doorbraak naar een modern historisch besef in de jaren 1750-1850, het besef dat het verleden onherhaalbaar is, dat gepaard gaat met een grotere vergeetachtigheid. De breukervaring als gevolg van de Franse Revolutie en de Industriële Revolutie speelt hierin natuurlijk een belangrijke rol. Dat men dit vreemde verleden niet wil vergeten, hangt samen met een derde factor, de overtuiging dat de mens maakbaar is, dat de eigen identiteit wordt gevormd door de boeken die men leest en de ervaringen die men opdoet. Dit complex aan factoren genereerde een drang om de dagelijkse indrukken vast te leggen, als geheugenpaleis. De boekbanden waarmee men zich omringde hadden dezelfde functie.
Het boek als mens en de mens als boek is bezien tegen het licht van vijfduizend jaar geschiedenis van het schrift een tamelijk recent fenomeen. Het ligt inmiddels wel diep verankerd in ons bewustzijn en is ook niet zonder consequenties gebleven. Men zou zich kunnen afvragen hoe toekomstige generaties zichzelf zullen gaan bezien, als ze nog naar zichzelf zullen kijken, en wat ze ontdaan van kaft en band - oftewel zonder houvast - nog over zullen hebben aan identiteit.
Maar zo ver is het nog niet. De 'boekmensen’ uit een verder of recenter verleden zijn ons nog altijd zeer nabij. Zoals ook de dagboekkinderen met hun meelevende, meelezende en voorlezende ouders heel herkenbaar zijn. Dat zijn ze althans als we ons niet blindstaren op de soms wat rigide uitvoering van het project: de maakbare mens. Ik ben niet geschokt door de stringente leesbegeleiding die achttiende- en negentiende-eeuwse ouders hun kinderen gaven. Wat mij veel meer verbaast, zijn de reacties van hedendaagse lezers op het fenomeen ouders die meelezen in het dagboek van hun kind. Men ervaart de semi-openbaarheid van wat wij thans als privé-domein zien als een ontoelaatbare schending van de privacy van kinderen.
Dat doen we tegenwoordig wel anders. Wij geven onze kinderen de ruimte zich geheel onbespied door hun ouders te verliezen in computerspelletjes, wild schietend vanuit een tank in Afghanistan bijvoorbeeld, beelden waarin alles tot in detail levensecht is gemaakt behalve de holle poppetjes - precies het omgekeerde dus van wat zich afspeelde in de verlichte kinderliteratuur waarin de karakters juist wél zijn uitgewerkt. Wij geven hun de vrijheid zich bloot te geven op Facebook, Hyves, Twitter en MSN of hun hele hebben en houden toe te vertrouwen aan Google - consumptiepatroon, keuzes, interesses, bevliegingen, afspraakjes, correspondentie. De impertinentie van Otto’s ouders en de anderen bestond eruit alles te willen weten wat in de hoofden van hun kinderen omging om ze een opvoeding te geven die aansloot bij hun karakter.
Google is geen ouder, zelfs geen grote broer. Dit bedrijf wordt geleid door technici, bezield door wat voor Borges een nachtmerrie was, maar wat voor hen een gelukzalige droom is om alle informatie ter wereld te verzamelen. Alles. In 2005 meende een woordvoerder van dit bedrijf hiervoor nog driehonderd jaar nodig te hebben, ergens rond het jaar 2305 - we beginnen dan Betje Wolffs 2440 te naderen. We hebben hier echter niet te maken met een utopie maar met de uitkomst van een kille wiskundige berekening. De prognose uit 2005 wordt nu naar beneden bijgesteld omdat iedereen inmiddels door hetzelfde ideaal lijkt te zijn bevangen of een meer pragmatische houding heeft. En zo worden ook de fenomenale, eeuwenoude en duur betaalde collecties uit universiteitsbibliotheken overal ter wereld gratis ter hand gesteld aan dit bedrijf om te worden gedigitaliseerd, en worden wetenschappers opgeroepen hun werk open access beschikbaar te stellen - open Access is the only way forward - in een digitaal centraal depot dat vaart onder de veelbetekenende naam Narcis.
Google doet geen kwaad, zoals ze van het begin af aan hun gebruikers hebben verzekerd - don’t be evil -, maar wil alleen in onze hoofden kijken om ons reclame op maat te kunnen geven; de 'links’ die rechts in het beeld verschijnen als wij onze zoektermen invullen, bescheiden vormgegeven en goed voor een miljardenomzet. Hoe meer zielen op het internet en hoe langer ze hier verblijven, hoe meer vreugd voor deze exploitanten. Hieruit vloeit voort dat hoe meer informatie op internet te vinden is en hoe opener de toegang, hoe beter het is. De vraag is alleen voor wie, voor hoe lang en tegen welke prijs.