Boeken het spoor bijster

Kazuo Ishiguro, De troostelozen. Uit het Engels vertaald door Bartho Kriek, uitgeverij Atlas, 580 blz., f65,-
Wanneer weet je dat een boek niet voor jou bestemd is? Doorgaans ruik je dat op afstand. Daar valt dan verder niets over te zeggen, zomin als iemand zou kunnen uitleggen wat je in een boekhandel, na een vluchtige blik op het achterplat en het lezen van drie regels op een willekeurige pagina, doet besluiten het boek, waarschijnlijk voorgoed, terug te leggen.

Maar wat als je wel begint te lezen en er maar niet inkomt? Wanneer mag je afhaken? Ik geef doorgaans een volumineus boek honderd pagina’s. Die ruimte moet je het gunnen, vind ik, wil je het met enig recht van spreken voor gezien houden - pas dan weet je of het aan het boek of aan de lezer ligt.
Aan De troostelozen van Kazuo Oshiguro (1954), een pil van bijna zeshonderd pagina’s, ben ik positief vooringenomen begonnen; aan twee eerdere boeken, waarvan The remains of the day in 1989 de Booker Prize won, had ik geen slechte herinneringen. Als ik het uitgelezen heb, is dat niet omdat ik een geduldige lezer zou zijn, maar eerlijk gezegd alleen uit eerzucht; ik wilde weten of dit werkelijk tot het bittere einde zo doorging. Ja dus. Na honderd pagina’s kende ik vaag de situatie. In een niet nader gesitueerde oude stad in Midden-Europa arriveert vanuit Engeland ’s werelds beste nog levende pianist, Ryder, wiens optreden twee dagen later, zo luidt eenieders verwachting, de crisis waarin de stad verkeert zal bezweren. Ryder wordt abusievelijk geacht het program van de komende dagen te kennen, hij weet van niks en laat ook nog eens de kans voorbijgaan zich te laten voorlichten, met deze roman als gevolg. En iedereen verwacht iets anders van hem. Een oude bagagist - ik wist niet dat een kruier zo heette - vraagt hem bij zijn optreden een goed woordje voor zijn beroepsgroep te doen en ook nog eens het contact met zijn dochter te herstellen. Die dochter blijkt Ryders vrouw te zijn en haar zoon is de zijne, kennelijk ook voor hemzelf een verrassing.
Tot zover ontging mij nagenoeg alles in de roman, voornamelijk vanwege de vaagheid van alle verwijzingen. Lijdt de man aan een geheugenstoornis? Is het een nachtmerrie? Halverwege het boek is er nog steeds niets opgehelderd. De avond dient, zo wordt gezegd, om een verlopen dirigent op te monteren zodat deze een eind kan maken aan de lokale dwingelandij van een cellist. Gaat het om een Kafka-persiflage? Opdracht onbekend, de stad een labyrint, de held voortdurend de weg kwijt of het spoor bijster. En waarom is men telkens zo in hem teleurgesteld? Wie heeft hij beledigd als hij zich voor een bepaald gebouw laat fotograferen? Honderden pagina’s verder en ik begin het ernstige vermoeden te krijgen dat dit alles een tergend wijdlopige en omslachtige uitwerking is van een idee: wat er in het klein zowel als in het groot (een heel leven) gebeurt als men kansen voorbij laat gaan. Pas op pagina 554 ziet hij kans zich - misschien ook wel namens deze lezer - bij de regeltante van de organisatie te beklagen over de ontbrekende informatie. Dat gebeurt vlak voor zijn avondlijke optreden, dat zal bestaan uit een recital volgend op een vraaggesprek met de zaal over de toekomst (‘betreffende niets minder dan de identiteit van onze gemeenschap’, aldus de burgemeester), waarbij de vragen op een scorebord zullen verschijnen. Op dat moment zit die dame al in het ochtendlicht het ontbijt te regelen. Ttja, tijd is relatief.
Het optreden vindt/vond trouwens niet plaats omdat de zaal inmiddels ontruimd was. Dat had dan 'een keerpunt voor de gemeenschap’ moeten betekenen. Hierna zal het 'internationaal bekend genie’ naar Helsinki vertrekken voor een volgend concert, vooralsnog zit hij op het eind nog in een tram te ontbijten.
De uitgever noemt het Ishiguro’s 'magnum opus over de vervreemding in de moderne samenleving’. Maar wie weet, was deze cultuurkritiek eenvoudigweg niet aan mij besteed.