Rutger Kopland, Twee ambachten

Boeken kort

Rutger Kopland /

R.H. van den Hoofdakker

Twee ambachten

Wie Twee ambachten leest om over het verband tussen de twee te horen van de man die onder verschillende namen beide beroepen succesvol uitoefent, krijgt al in de inleiding de kous op de kop: «De psychiater en de dichter willen en doen écht heel verschillende dingen.» Daarom is het boek in tweeën gedeeld, alsof het om twee verschillende auteurs gaat. Toch gebruikt de man die verantwoordelijk is voor alle zeventien essays in het boek, in zijn stukken over psychiatrie weleens een beeld uit de dichtkunst. Bijvoorbeeld om zijn moeilijke, maar zeer goed beargumenteerde (en ook vaak herhaalde) tussenpositie te verduidelijken in het voortrazende debat tussen de biologische (ofwel psychofarmacologische) en psychodynamische benadering in de psychiatrie. Voor Van den Hoofdakker kan de mens, hoe succesvol psychofarmaca ook gebleken zijn (waarvoor zijn bewondering), niet bestudeerd worden zonder te kijken naar de omgeving die de patiënt tegenkomt en creëert. Zolang anatomen, chemici en farmacologen dit blijven erkennen — en dus respectvol luisteren naar gedragswetenschappers als psychologen en sociologen —, dan mag de biologisch psychiater («ik ben daarvan een vertegenwoordiger») op zoek gaan naar specifieke neurochemische «lichaamssappen». Zoals dat ene sap dat een «republikeinse gezindheid» verhoogt. Van den Hoofdakker wil daar wel meer over weten, in navolging van Joseph Gall, die al aan het begin van de negentiende eeuw in de hersenen een speciaal vakje lokaliseerde waarin hij deze speciale «gezindheid» vond.

Als Van den Hoofdakker er echt niet meer uitkomt, grijpt hij naar een gedicht van Kopland. Bijvoorbeeld wanneer hij moe is van de geluksduidingen van fysica en metafysica. Dan verlaat hij zich, naar eigen zeggen, op de «patafysica», wier vraagstelling en methode ongewis zijn en resultaten altijd eenmalig, onherhaalbaar. (Pieter van Os)

Uitg. G.A. van Oorschot, 200 blz., € 17,50