De passies van het echtpaar Buijnsters

«Boeken willen gekoesterd worden»

Het echtpaar Buijnsters heeft een obsessie voor kinderboeken uit de negentiende eeuw. Die tijd is interessanter dan wel wordt gedacht. «Onder de domineesbef zie je toch van alles bewegen, voel je het smeulen.»

Hij is P.J. Buijnsters, tot 1995 hoogleraar te Nijmegen in de Neder landse letterkunde van de achttiende eeuw. Hij publi ceerde over Rhijnvis Feith, Hieronymus van Alphen, Justus van Effen en de dames Wolff & Deken. Zij is Leontine Buijnsters-Smets. Zij, van oorsprong psychologe, ging na vier kinderen kunstgeschiedenis studeren en promoveerde in 1995 op de zestiende-eeuwse schilder Jan Massys. Samen delen ze een levenslange passie voor oude (kinder) boeken, waar twee fraaie standaardwerken uit voortkwamen: Bibliografie van Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800 (1997) en Lust en leering: Geschiedenis van het Nederlandse kinderboek in de negentiende eeuw (2001). In boekhistorische kring wordt het echt paar vanwege zijn vasthoudendheid en speurzin wel ingedikt tot Buijnsters & Buijnsters.

Het ruime huis staat drie verdiepingen hoog volgebouwd met boeken. Zelfs op de wc hangt een oude centsprent. Streng in het gelid van leer en perkament bedekken de vroegste eeuwen de muren van de werkkamer beneden. Op het gebeeldhouwde bureau lijkt de computer verdwaald in de verkeerde tijd. Wat boeken hier niet doen is rondslingeren. Op de tafel ligt in zijn pontificale eentje het zojuist verschenen Lust en leering, vijfhonderd pagina’s dik, uitgegeven met de hulp van respectabele culturele fondsen en rijkelijk voorzien van afbeeldingen, waar je je hart aan ophaalt. Met de informatie over schrijvers, illustratoren, uitgevers en genres biedt het boek zowel een tijdsbeeld als een levendige rondleiding door de kinderboekenkast van de negentiende eeuw.

Naast nuttige en deugdzame werkjes als Ernstige en luimige verhalen in tafereelen voor het opkomende geslacht of Klein lettergeschenk voor de beschaafde jeugd horen daar de rijen historische verhalen van Andriessen en Louwerse, de meer dan vijfhonderd titels van de hand van J.J. Goeverneur, alias Jan de Rijmer en de immer gruwelijk verlopende geschiedenissen van Piet de Smeerpoets en de zijnen. Steeds mooier worden de prentenboeken en steeds groter wordt het vernuft van de vroege pop-upboeken, waarin de schitterende platen klappend, schuivend en draaiend van vorm veranderen. Curieus zijn de vele poppenboeken, die meisjes voorbereidden op een leven als vrouw en moeder: De zorgvuldige opvoeding der pop, een geschenk voor deugdzame meisjes. En ook niet-verzamelaarsharten zullen sneller kloppen bij de oer-Hollandse sinterklaasboeken — op één prent breekt Sint bij binnenkomst bijna zijn nek over een springtouw dat een belhamel heeft gespannen — of bij de idiote geschiedenissen van de Engelse Mother Hubbard en haar won der hond: Kluchtige tafereelen in de huisselijke zamen leving, tusschen Grootje Goedsloof en haar geliefkoosd hondje Blaf. Wat een creativiteit, humor en fantasie en wat een «barometer van de publieke moraal uit een periode», zoals Buijnsters & Buijnsters het uitdrukken. En wat een monnikenwerk om al dat materiaal op te speuren, te bekijken en te ordenen!

B&B: «Eigenlijk weten we niet anders. Voor de bibliografie van de achttiende eeuw waren we al gewend om jarenlang elke week minstens één keer tegen zessen op de trein te stappen om in bibliotheken catalogi door te werken en boeken te bekijken. Van tevoren stuurden we een brief met wat we graag wilden inzien. Kwamen we daar aan, begerig om snel aan de gang te gaan, dan zat de baliemeneer met die boekjes voor zijn neus te genieten, ons bezwerend dat wij dit of dat beslist moesten zien. Wij dachten alleen maar, man schiet op, wij willen aan de gang. Nu leggen ze de rode loper voor ons uit, maar toen was er naar dat materiaal nooit gekeken. Het stond in een doos tegen een vochtige muur, niet gecatalogiseerd. Soms wisten we dat ze op een veiling iets gekocht hadden en dan duurde het drie jaar vóór het gecatalogiseerd was. Avontuurlijk was het in elk geval wel.

Inderdaad, wij hebben al die boekjes gelezen en soms moet je daar ernstig over zuchten. Het is niet moeilijk om Piet de Smeerpoets aardig te vinden en daar vervolgens appetijtelijk over te schrijven, maar het is de plicht van de onderzoeker om juist van dat wat op het eerste gezicht afstotelijk lijkt het bijzondere te laten zien. Die boeken zijn gemaakt en gelezen en waarom hebben mensen daar aardigheid in gehad? We vonden bijvoorbeeld veel moralistische werkjes, waarin gesproken wordt over de zonde van het snoepen. Daar wordt over gedaan of dat de eerste stap is op de weg van de misdaad: snoepers worden dieven. Die hele code van wat goed en verkeerd is, van wat niet en vooral wél gedaan moet worden door kinderen, dat is fascinerend. Je bent steeds op zoek naar het waarom in de tijd. Denk aan de tranentrekkerij van Rhijnvis Feith, die lang als bespottelijk is afgedaan. Je hoeft zijn werk niet te lezen als een roman van W.F. Hermans, maar het is interessant om de context van zulke zaken uit te zoeken, zonder dat je er speciaal een esthetisch genot bij ervaart.»

Spannend is ook het bezoeken van historische plaatsen: «We waren op weg naar Gotha bij Weimar en wisten dat er ergens aan de rand van het Thüringerwoud nog een achttiende-eeuws Philantropinum, zo’n opvoedingsinstituut, moest liggen. Mensen kenden het bestaan, maar niemand had het ooit gezien. Wij zijn eindeloos gaan rondrijden. Het werd steeds eenzamer en daar in de beginnende schemering lag het warempel, Oost-Duits en uitgewoond. En geloof het of niet: de school ging net uit. Er waren nog kinderen! Op het prikbord hing nog een foto van de oprichter Salzmann. Gymnastiek op school kwam begin 1800 op, en ook de sportplaats vonden we terug, precies zoals die staat afgebeeld in de vroeg-negentiende-eeuwse boeken. De rillingen lopen je dan over de rug. Er zijn moeilijk woorden voor te vinden: hier is het geweest en hier sta ik.»

Verzamelen doet het echtpaar al vanaf de studententijd, samen op de fiets naar Arnhem. «Daar had je van die winkelantiquariaten, waar de boeken van de periode die ons interesseerde hoog lagen opgestapeld. De achttiende eeuw was toen totaal niet in trek. Je kon het voordeliger hier in de buurt kopen dan drie keer naar de universiteitsbibliotheek van Amsterdam of Leiden te reizen.» Van huis uit kregen ze de liefde voor het oude boek geen van beiden mee en ook de universiteit werkte niet inspirerend. Buijnsters’ promotor Van Duinkerken gaf hem bij zijn promotie een boek van Rhijnvis Feith. «Direct na overhandiging nam hij het weer terug met de mededeling dat hij het even beter zou laten inbinden. Het zat in een kartonnen bandje en het kwam terug in zo’n afschuwelijke kunstleren band. Uit piëteit heb ik het nog even bewaard, maar toen heb ik het weggedaan. Ik werd er fysiek beroerd van. Bibliofilie vind ik ook een beetje een akelig woord. Dan gaat het om de buitenkant en het mooie bandje. Dat is toegevoegde waarde, het gaat om de inhoud.»

Zijn vrouw vult aan: «Zo’n oud boek prikkelt om er iets over uit te zoeken, om verbanden te leggen. Dat is detectivewerk. Er bestaan geen saaie boeken.» Haar eerste aankoop ooit was een achttiende-eeuws boek over vruchten. «Mijn grootvader had een groot bedrijf van fruitbomen en daar vond ik het als kind fantastisch. Dat boek had prachtige platen van allerlei soorten appels en peren. Het sloot aan bij die jeugdliefde. Dan ga je daarover lezen en kom je andere titels tegen die je ook wilt hebben en zo gaat de sneeuwbal rollen.»

Haar man kocht zijn eerste antiquarische boek in de derde klas van de middelbare school in een rommelwinkeltje. «Het was een Statenbijbel. Iets anders was er niet. Hij kostte één gulden en ik heb hem altijd bewaard.» Behalve voor oude boeken heeft hij vooral ook belangstelling voor de mensen die erin handelen. «Via antiquariaatscatalogi kocht ik weleens wat. Dan dacht ik dat dat wereldzaken waren, tot ik ze later in werkelijkheid zag als kleine winkeltjes. Mijn leven lang ben ik zulke zaakjes graag afgegaan. Een dag zonder een bezoek aan een boekhandel of antiquariaat is in zekere zin een verloren dag. Als je een auto gaat kopen is dat een noodzakelijk kwaad, maar als het met zo’n antiquaar klikt, is het een contact voor het leven. De handelaars op markten en op beurzen zijn zelf ook vaak liefhebbers: gesjeesde studenten, leraren die de school ontvlucht zijn. Ik ken ze allemaal en zou graag nog eens de geschiedenis van het antiquariaat in Nederland schrijven. Het heeft ook een nadeel. Als ze je kop ergens zien, drijft dat onmiddellijk de prijs op, in de gedachte: als hij biedt, dan zal het wel een goed boek zijn.»

Dat de vonk voor het oude kinderboek is overgeslagen, kwam door de bekende verzamelaar mr. Coen van Veen, met wie Buijnsters lange tijd intensief correspondeerde. «Er werd flink geroddeld over de boekenwereld, maar het ging ook altijd serieus over boeken en prenten. Hij was een onvervangbare inspirator. Zijn dood was het grootste verlies op boekengebied dat wij ooit geleden hebben.» Mevrouw Buijnsters vertelt hoe Van Veen in de tijd dat oude kinderboeken nog nauwelijks bekeken werden de overgebleven stapels op veilingen opkocht: «Hij zag die boekjes als een soort veronachtzaamde kinderen waar hij voor moest zorgen. Hij was ervan overtuigd dat als je iets mooi vond en heel graag wilde hebben, dat het uiteindelijk naar je toe zou komen. Dat vonden wij aanvankelijk een onzinnige uitspraak, maar het blijkt echt zo te zijn. Dingen willen ook graag mooi gevonden en gekoesterd worden.»

Pas laat in zijn universitaire loopbaan ging Buijnsters college geven over het oude kinderboek, vaak met behulp van zijn eigen verzameling. Studenten moesten een schrijver kiezen en daarover zoveel mogelijk uitzoeken in een UB of archief in het land. En de professor vertikte het om tentamens af te nemen: «Ze moesten veldwerk doen en daar een verslag van maken, zelf een boek bekijken en niet het zoveelste stencil doorlezen. Als ik vroeger gewoon college over Justus van Effen gaf, dan kraaide daar bij wijze van spreken geen haan naar, maar hierop kwam verbazingwekkend veel respons. Studenten kregen, denk ik, eindelijk iets voorgezet dat ze konden verbinden aan hun eigen leeservaring. Het visuele aspect van die oude boekjes is ook een attractie van de eerste orde. Naderhand kwamen studenten nog langs met hun aankopen om te vragen of het wat was!»

Een afscheidsoratie betekent voor de meeste van zijn collega’s een terugblik, maar Buijnsters wilde met Bibliofilie in de kinderkamer (1995) juist bewust vooruit kijken en zich met hart en ziel op het oude kinderboek storten. «De mensen die zich ermee bezighielden, deden dat op het niveau van de liefhebber, maar in de wetenschap is het lang een witte plek geweest. Het bestuderen van kinderboeken dwong aanzienlijk minder respect af dan van emblemata, oude atlassen, bijbels of incunabelen. Zelf heb ik ook lang hemelhoog opgekeken tegen die incunabelisten. Het is natuurlijk jammer dat op dat gebied alles al geregistreerd is. Bij een incunabel staat er in de catalogus ‹slechts twaalf exemplaren in Amerikaanse bibliotheken›. Wij vonden en vinden nog steeds bijna elke week een kinderboek, waar werkelijk niets over bekend is. Alleen als ik bepaalde prentenboeken wilde inzien, heb ik me weleens ongemakkelijk gevoeld. Die zijn niet zelden artistiek qua uiterlijk, maar flutterig van inhoud. Belde ik op naar een bibliotheek: ‹Ja, met Buijnsters›, — ik zei al nooit met professor Buijnsters — ‹hebt u ook de eerste druk van Mapje en Papje in het hazenbos?› Dan denken ze toch, die man is aan het dementeren… Ik ben allergisch voor het lievige gedoe dat kinderboeken soms aankleeft.

Dat artistieke, wat artificiële kinderboek ontstond onder invloed van Engelse kunstenaars als Walter Crane, Randolphe Caldecott en Kate Greenaway. Bij ons kwam Willebeek Lemaire en sommigen menen dat het toen pas een beetje ergens op is gaan lijken in het vaderlandse kinderboek. Meneer Loffelt heeft dat aan het eind van de negentiende eeuw met de tentoonstelling Kleur voor kinderen geponeerd en anderen hebben hem nagebauwd. Wat daarvóór was, zou niet veel waard zijn geweest, maar die mensen hebben de boeken nooit gezien. We hadden wel drie delen Lust en leering kunnen maken. Er is zoveel moois geweest en zo verrassend divers.»

Mevrouw Buijnsters: «Die hele collectie die bij Kleur voor kinderen lag uitgestald, kun je wat ons betreft inruilen voor bijvoorbeeld één van de Wonderboeken van Elise van Calcar. Zij maakte boekjes voor kinderen die nog niet kunnen lezen en heeft de principes van Fröbel voor Nederland vertaald. Van de geweldige kleurtoepassing en de inventiviteit van de uit te vouwen platen krijg je echt een kick. Haar werk met schitterende ijs- en sinterklaastaferelen hoort zo bij Nederland en kan zich meten met het mooiste uit Duitsland en Frankrijk. Noem het chauvinistisch, maar onze kinderboekproductie mocht er wezen. Wij doen nou eenmaal ook een beetje missioneringsarbeid.»

Het bezig zijn met de negentiende eeuw heeft het echtpaar als een avontuurlijke ontdekkingsreis gezien. Buijnsters: «We hadden er wel boekjes van verzameld, maar verder kende ik die eeuw niet zo. En als je iets goed wilt kennen, moet je erover schrijven. Eerst ben je bezig de feiten bij elkaar te krijgen, maar pas als je formuleert, dwing je jezelf de zaken goed te bekijken en te overwegen. We hebben het allerminst een duffe eeuw gevonden. Onder de domineesbef zie je toch van alles bewegen, voel je het smeulen.»

Dat nu de twintigste eeuw aan de beurt zou zijn, is minder vanzelfsprekend dan de interviewer veronderstelt: «Je komt zoveel interessante dingen tegen als je leest, reist en met mensen omgaat. Het hangt er vanaf hoeveel tijd ons nog is gegund en wat praktisch haalbaar is. We waren ook wel gek als we het vertelden. Er was ooit een Boek van de maand dat Verzamelen is ook een kunst heette. Een vriendin van ons schreef daarin over poesiealbums. Die haalde ze overal vandaan en ze betaalde er nooit meer dan een paar gulden voor. Na dat boek stortte iedereen zich erop en was ze zelf haar ergste vijand geworden.»

Hij: «We gaan in elk geval verder, want de samenwerking bevalt ons goed! Je hebt een gezamenlijk geheugen dat je gebruikt. Zij schrijft wat en ik schrijf wat en dan zijn wij elkaars strengste criticus, maar inhoudelijk zitten we zelden op een verschillend spoor. Boekenmarkten zijn soms enorm, dus dan gaat zij links en ik rechts. Laatst kwamen we ieder met precies hetzelfde boek weer terug.» Zij: «Natuurlijk zijn we het niet over alles roerend met elkaar eens en daar discussiëren we dan over. Onder de afwas.»

P.J. Buijnsters en Leontine Buijnsters-Smets

Lust en leering: Geschiedenis van het Nederlandse

kinderboek in de negentiende eeuw

Uitg. Waanders, 504 blz., ƒ125,-