Wie was dat?

Boekenbal

Waarom wil je precies nú naar binnen, je weet dat om kwart over acht Harry Mulisch naar binnen gaat, nu maak je geen schijn van kans op de televisie te komen. Ik wil helemaal niet op de televisie. Ja, dat zeg je iedere keer, maar later vraag je aan iedereen of ze je op de televisie gezien hebben. Ik heb nu eenmaal gewoon een opvallend goeie boekenkop. Ja, een drankkop zul je bedoelen. Heb ik dan een drankkop? Nee, nu nog niet, maar dat komt straks wel. Zie je wel, Mulisch was al binnen, hij wordt er niet dikker op, mij hebben ze weer niks gevraagd. Ik waarschuw je van tevoren, als je net als vorig jaar de hele avond in de buurt van Marion Bloem wil staan, dan ga ik direct naar huis. Maar ik stond helemaal niet in de buurt van Marion Bloem. O nee, ik zag het zelf, je stond de hele tijd naar haar benen te staren. Nou, dat was niet zo moeilijk en het zijn mooie benen. Ja, dat geloof ik graag.

Wie was dat? Dat weet ik niet, die ken ik helemaal niet. Maar jij gaf hem wel een zoen, ken jij hem dan? Nee, ik ken hem niet, ik heb geloof ik vorig jaar met z’n vrouw staan praten, die vertelde dat hij ieder jaar drie dagen ziek is na het boekenbal. O, dus jullie hebben gezellig over ons staan roddelen en wat heb je over mij verteld, zeker dat ik al mijn boeken gewoon overschrijf? Doe je dat dan? Nee, dat kost me te veel moeite, weet je wel. We hadden het nergens over, alleen dat je het jaar daarvoor steeds met Lydia Rood stond te praten. Nou en, ik weet nog goed met wie jij later die avond stond te praten, met Benali. Wie zeg je? Arthur Benali. Hij heet helemaal niet Arthur. Nee, dat zal jij wel goed weten, jij hebt zeker anderhalf uur met hem staan praten. Hij heet Abdelkader Benali. Ja, dat wist ik ook wel. Waarom noemde je hem dan Arthur? Ik was z’n naam even vergeten, dat is alles. Zullen we maar de zaal in gaan? Dat is goed, naar wie zwaai je nou? Ik dacht dat ze naar ons zwaaide.

Vond jij er iets aan, ik niet, cabaretiers kijken er zo brutaal bij, zo goed waren die grappen niet, waarom kijken ze niet gewoon, ik vind dat cabaretiers en schrijvers nooit eens gewoon kijken. God, daar heb je hem ook, wegwezen, gauw, hierheen, snel, meekomen. Maar wie is dat dan? Die heeft vorig jaar twee uur lang over Wittgenstein tegen me aan staan praten, volgens hem bewees Wittgenstein dat het gebruik van woorden op een logisch misverstand berust en is het een schande dat Wittgenstein in Nederland nauwelijks bekend is. Het is allemaal je eigen schuld, jij begint steeds zelf over Wittgenstein, zo van dat je net de nieuwste Franse analyse over hem hebt gelezen en wat de anderen ervan vinden. Dat doe ik helemaal niet, zal ik even een biertje halen? Ja, oké, ik wacht hier.

Hé, Kees, hoe is het met je? Nou wel goed, hoe is het met jou? Ja, ook wel goed. Heb je vanavond je zoon meegenomen? Nee, dat is mijn nieuwe vriend, we zijn heel gelukkig hè Philip, maar hoe is het met je vrouw? Nou wel goed, ik heb haar al een tijd niet meer gezien, ze zou op me wachten maar toen was ze weg. Ze is zeker piesen. Daar heb ik ook al gekeken. Hoe gaat het met je boek? Welk boek bedoel je? Dat je zou gaan schrijven, over die twee mannen die erachter komen dat ze broers zijn en dan een verre reis gaan maken. Dat wilde ik helemaal niet schrijven, volgens mij wilde Cees dat schrijven, of Arthur. En jouw boek? Ik schrijf alleen nog maar gedichten. Ja, dat is in ieder geval korter. Hoe bedoel je? Dat het minder papier in beslag neemt. Nou, tot ziens hè.

Bent u Kees ’t Hart? Ja. Heeft u zin om lid te worden van de redactie van een nieuw poëzietijdschrift? Jezus, moet dat nu. Ons tijdschrift wil alleen abstracte gedichten plaatsen, dus we dachten dat u wel in de redactie wilde. Bel morgen na vieren maar even op. Hallo Kees, ben je vanavond met Marion Bloem uit? Hoezo, ben je met Marion Bloem uit. Je staat al een minuut of tien bij haar in de buurt. Ik wist helemaal niet dat dat Marion Bloem was. Dus je staat hier zomaar, wij dachten aan iets heel anders. Jullie denken maar een eind weg, ik mag staan waar ik wil. Hé Kees, ken je die mop van die acteur die slecht in timing is? Ja, dan moet ik je drie vragen stellen en dan time jij steeds je antwoord verkeerd, ik heb hem vanavond al drie keer gehoord, hij is blijkbaar erg in. Ja, timing, daar komt het toch op neer bij schrijven? Moet je horen wie het zegt. Ik zag net je vrouw ergens staan. Ja, ik zoek haar, waar zag je haar? Ze stond boven in de gang met Hafid Bouazza te praten, samen met Mulisch. Meen je dat nou, was het Hafid wel? Ja, ze hadden dikke pret, ik geloof dat Bouazza haar uitnodigde om naar een afterparty te gaan. Was ze dronken? God jongen daar heb ik niet op gelet, volgens mij niet. Jezus wat is die Youp van ’t Hek een klein ventje. Wil je nog een biertje? Doe maar.