Boekenbeesten

Wie over kinderen schrijft, moet ze een achtergrond geven. Beesten hebben dat niet nodig. Ideale hoofdpersonen dus, vond schrijver en tekenaar Arnold Lobel, en hij liet tientallen dieren uit zijn pen vloeien - verontwaardigde varkens, paarden op pumps en een huilende uil
De boeken van Arnold Lobel worden uitgegeven bij Ploegsma.
‘BEESTENBENDE’ is het thema van de Kinderboekenweek die volgende week precies op Werelddierendag losbarst. Dat is knap uitgerekend van de organisatoren, maar zo'n thema is op z'n zachtst gezegd overbodig. In de jeugdliteratuur weet het dier zich al jaren uitstekend en geheel op eigen kracht te redden. Het wordt zelfs tijd dat er eens flink reclame wordt gemaakt voor de homo sapiens in het kinderboek, want op cruciale momenten is daar geen mens te bekennen.

De ongelukkigst verliefde is er een kikker (Kikker is verliefd van Max Velthuijs), de slimste tandarts een muis (Dokter de Soto van William Steig) en voor een ernstig verknipte ouder-kindrelatie moeten lezers bij kater Pijper Poot zijn (Geen kus voor moeder van Tomi Ungerer). Gelukkig staat daar de idyllische verhouding tussen een berevader en zijn muizedochter tegenover (Brammert en Tissie van Gabrielle Vin-r cent). Echte, onverwoestbare vriendschap schijnt vooral te gedijen tussen beren en tijgers (Janosch), het enige lesbische paar uit de vaderlandse jeugdliteratuur werd ooit gevormd door twee hamsters (El is zo blij met Els van Liva Willems), en de meest voorbeeldige scheiding van tafel en bed vond plaats tussen de egels Kees en Keetje (Jantien Buisman). Met Aesopus, Orwell en Koolhaas bevinden al deze kinderboekenauteurs zich in goed gezelschap en hun voorliefde voor beestenspul van velerlei soort laat zich natuurlijk niet moeilijk verklaren. De zebra die de pest heeft aan haar gestreepte babybroer, het konijn dat niet braaf wil zijn, maar lekker ongehoorzaam: niets menselijks is hun vreemd.
DE AMERIKAANSE schrijver/tekenaar Arnold Lobel (1933-1987), die beroemd werd met niet meer dan een kikker en een pad, een uil, enkele insekten, een stelletje varkens, een handjevol muizen en wat ongeregeld kattenvolk, had een zinnige verklaring voor zijn dierenvoorliefde. Wie over kinderen schrijft moet ze een achtergrond geven: blank of gekleurd, arm of welgesteld, wat voor soort ouders, wat voor soort school. Dieren kunnen los van deze ballast bestaan en bieden alle soorten lezers de mogelijkheid tot identificatie. Bovendien kunnen protagonisten in beestenvel zich gedragen als kinderen, terwijl ze de vrijheid van volwassenen hebben. Zo zijn Lobels Kikker en Pad doodsbenauwd voor spoken en dol op sleetje rijden, maar ze wonen ieder in een eigen huisje en trekken zich behalve van elkaar van niemand iets aan. De vraag bijvoorbeeld naar moeder Kikker of vader Pad is niet aan de orde. De derde reden die Lobel aanvoert voor de vele dierlijke personages in zijn werk is praktisch, ontwapenend eerlijk en waar: hij tekent beter dieren dan mensen.
Die dieren maakten dan ook dat Arnold Lobel na een ongelukkige start in het reclamevak begin jaren zestig een voet tussen de deur kreeg bij de eerbiedwaardige kinderboekenuitgeverij Harper & Row. Zij hadden dringend iemand nodig die een verhaal over zalmen kon illustreren en hij bleek zulke knappe sprinkhanen in zijn map te hebben. Na een flink aantal boeken met tekeningen van zijn hand besloot de illustrator eens een verhaaltje te proberen. Schrijven leverde twee maal zoveel royalties op als tekenen en hij had inmiddels een gezin te onderhouden.
Zo bedacht hij in 1964 Isabella, het paard dat zo graag een dame wil zijn en met de boerin naar de stad gaat om een strohoed, een jurk met ruches en twee paar enorme rode pumps aan te schaffen. Tijdens een kwetterende dames-theevisite raakt Isabella zo over haar toeren dat ze haar japon van zich af draaft, de hoed opvreet en weer tevreden paard gaat staan wezen in de wei. In een volgend verhaaltje wordt varken Valentijn het slachtoffer van onbeheerste schoonmaakdrift. De boerin heeft niet alleen het kippenhok en de stal gezogen, maar ook Valentijns modderpoel in haar groteske stofzuiger laten verdwijnen. Het varkentje vlucht naar de grote stad, waar het vast komt te zitten in iets wat op modder lijkt, maar vers gestort asfalt blijkt te zijn. Natuurlijk ontdekt de boerin op tijd de leegheid van een wereld zonder varken en zonder modder.
In beide boeken is er op de achtergrond voor de mens nog een rolletje weggelegd, dat wil zeggen voor de vrouw. De auteur heeft geen hoge dunk van haar: zij poetst en boent, organiseert partijtjes voor hysterische kletsvriendinnen en loopt over het boerenerf op hoge hakken. De pentekeningen zijn snel en karikaturaal. De illustrator leeft zich uit in de paardetravestie, in het voorwereldlijke automobiel van de boer, en vooral in het komische, flaporende varkentje. Zelden ziet men varkenskoppen met een enkel lijntje zo onthutst, verontwaardigd, zorgelijk en verbijsterd kijken.
LATER IN ZIJN LOOPBAAN zal Lobel het varken nog uitgebreider eer bewijzen. In twee boekjes over Bastiaan Big schept hij bij de teksten van Jean van Leeuwen een veilige wereld, waarin een varkensgezin een voor kleuters herkenbaar bestaan leidt. Er worden koekjes gebakken, oma (met lorgnet op haar snuit) komt logeren en vader leest voor over draken. Alle kleine prenten zijn omlijnd, waardoor besloten knusse schilderijtjes ontstaan. Regelmatig laat Lobel iets buiten het kader vallen: een omdonderende blokkentoren, de schuimbellen uit het bad en ontelbare flaporen. Het zijn kleine signalen van losbandigheid, die een al te rose werelbeeld voorkomen.
Dan is er Het boek van Biggeriks (1983), een verzameling limericks die geheel wordt gedragen door excentrieke, in victoraans kostuum geklede speknekken. Direct in het openingsvers voert de auteur zichzelf ten tonele. Achter de tekentafel zit een rose type met bril en herkenbare enorme Lobel-snor ingespannen biggetjes te verven. Daarnaast staat te lezen: ‘Een zeer oude big heeft beschreven/ Wat biggetjes zoal beleven./ Geen versjes alleen,/ Hij heeft het meteen/ In plaatjes erbij weergegeven.’
Onder de tafel slaapt tussen de rondslingerende mislukte kunstwerken een welgedane kat. Op de laatste prent ligt het dier wakker op schoot bij de in zijn leunstoel duttende kunstenaar. Het is de geliefde Orson, die Lobel bij alles wat hij maakte op de vingers keek en aan wie Kattekrabbels (1985) is opgedragen. Zoals in Biggeriks de varkens, zo zijn hier de katten aan de macht en ze gaan daarbij gekleed in lange robes met ruches, draperieen en volants, in pandjesjas, vest en jabot. Het ziet er allemaal prachtig uit, maar de versjes bieden niet meer dan een hoop opgewekte poezenonsens.
Het werkelijk belangrijke deel van Lobels oeuvre - bescheiden boeken vol levenswijsheid en humor, allemaal even zuinig en precies van taal en beeld - verscheen tussen 1970 en 1980. De periode wordt ingeluid en afgesloten door de eerste en vierde bundel met verhaaltjes over Kikker en Pad, en precies in het midden, in 1975, verschijnt het magnum opus Bij Uil thuis. De auteur had er genoeg van om zich voortdurend af te vragen wat kinderen leuk zouden vinden en te schrijven over aangelegenheden waar hij zich als groot mens niet echt bij betrokken voelde. Met Kikker en Pad begon hij te experimenteren met een ander soort kinderverhaal, 'based on adult preoccupations’. Over een ongelukkige liefde bijvoorbeeld wordt volgens Lobel meestal een roman geschreven, 'but I have to somehow use all that pain and suffering and turn it into a work for children’.
Zo ontstond het aandoenlijke amfibische vriendenpaar - neurotische Pad en onverstoorbare Kikker - dat aan alle leeftijden een lach van plezier, herkenning en vertedering zal ontlokken. Wanneer Pad het water niet uit durft in zijn maffe zwempak, is de angst om uitgelachen te worden voor iedereen herkenbaar. De vraatzucht om een hele schaal met koekjes leeg te eten wordt na een reeks schijnbewegingen uiteindelijk bedwongen met wilskracht. Dat is 'erg je best doen om iets niet te doen wat je eigenlijk graag wilt doen’, legt Kikker uit. Wat koop je daarvoor, denkt Pad namens jong en oud en gaat een cake bakken. (Het verhaal werd opgenomen in het materiaal van de Weight Watchers.)
Schitterend is Pads lijst met dagindeling, beginnend met wakker worden en ontbijten en slapen mag pas wanneer de hele dag is doorgestreept. Groot is de paniek wanneer de wind de lijst wegwaait, zodat Pad alleen nog maar kan zitten en nietsdoen. En geen mooier verhaal over de vriendschap dan waar Kikker eens een dagje alleen wil zijn en op een eilandje in de rivier gaat zitten peinzen over hoe blij hij is om een kikker te zijn en ergens een goede vriend te hebben. Pad begrijpt er niets van en haalt de wildste capriolen uit om de 'zielige’ Kikker te bereiken. Op de laatste bladzijde zien we het tweetal op de rug. 'Ze waren twee heel goede vrienden die samen alleen zaten. En ze waren best tevreden.’
LOBELS MOOISTE en meest aangrijpende schepping is Uil. Als veel van de andere dierenfiguren is hij compact en gedrongen, met het fysiek van een mollige kleuter. Hij gaat voornamelijk gekleed in pyjama en kamerjas, waar zijn staartveren onderuit piepen, en uit het zeer uilige hoofd kijken twee enorme gele ogen in permanente verbazing de wereld in. Uil doet domme dingen. Zelf heeft hij dat niet zo door, maar de kleine lezer des te beter. Hoe kun je nu denken dat je, als je maar hard genoeg de trap op en neer rent, tegelijk boven en beneden kunt zijn. (Uil eindigt uitgeput op de middelste trede.) En die twee enge bobbels die onder zijn dekens loeren, zijn natuurlijk Uils eigen voeten. Geen kind die het niet voor het eind van het miniverhaal bedenken kan, maar wie wordt ooit zo groot dat hij nooit meer bang is voor iets ongerijmds?
Dat Uil een beetje geschift is, is ons lezers snel duidelijk. Zelf zouden we niet zo gek zijn om thee van tranen te gaan zetten, maar wat is het prachtig treurig om er over te lezen. Zie Uil daar nu naast zijn gloeiende potkachel zitten, zijn droeve ogen vlak boven de theeketel, op zoek naar de verdrietige dingen in zijn leven. Hij vergiet tranen over 'stoelen met kapotte poten’, 'liedjes die niemand kan zingen omdat niemand de woorden meer weet’, 'lepels die achter het fornuis zijn gevallen en die je nooit meer terugvindt’, 'potloodjes die te klein zijn geworden om vast te houden’ en nog zo wat ellende. Tranen met tuiten huilt Uil over de vergeefsheid van het bestaan en vervolgens drinkt hij innig tevreden een kopje tranenthee, waar hoogstens op aan te merken is dat het 'een beetje zoutig’ smaakt.
Opmerkelijk is dat de hoofdpersoon helemaal alleen is. In kinderboeken komt dat zelden voor. Na enig nadenken komt alleen de muis Abel van William Steig bij mij boven, die als Robinson op een onbewoond eiland moet zien te overleven. Uil denkt wel dat hij na herhaaldelijk geklop op de deur iemand binnenlaat, maar het is alleen de ijskoude winterstorm die door zijn huisje raast. Een vriend om desnoods 'samen alleen’ mee te zijn heeft hij niet, of het moest de volle maan zijn die hem op zijn nachtelijke wandeling vergezelt. Wanneer de maan achter de wolken verdwijnt, denkt Uil dat hij in de steek gelaten is, maar nee: 'Opeens zag Uil zilver licht in zijn kamer komen. Hij keek uit het raam. De maan kwam juist achter de wolken vandaan. “Maan, je bent dus helemaal meegegaan tot mijn huis. Wat ben jij een goede vriend.” ’
>f11<Uil is een 'loner’. Wat hij beleeft speelt zich binnenskamers of eigenlijk binnenshoofds af en daarover bericht hij als een dichter. En in hun weerbarstige beschouwelijkheid laten de kleine vertellingen zich ook lezen als poezie. Het zijn wonderlijke, vertederende gedachtenspinsels, mooi opgesierd en afgerond en in de kortst mogelijke zinnen en simpelste woorden gepresenteerd.
Dit schrijven op de vierkante centimeter is ongetwijfeld gestimuleerd door het feit dat Lobels belangrijkste werk verscheen in de I Can Read-serie. Uitgeverij Harper zette deze eind jaren vijftig op met Kleine Beer van Maurice Sendak. De bedoeling van de goedkope boekjes met een simpele tekst en veel plaatjes was dat ze zowel bruikbaar zouden zijn om voor te lezen alsook om zelf te lezen door beginners. De serie werd een enorm succes, omdat de meeste titels zowel educatief als artistiek en emotioneel veel te bieden hadden.
In ons land werden ze door uitgeverij Ploegsma gelanceerd als de Blokboekjes. Om de prijs laag te houden werd de serie niet in vier- maar in tweekleurendruk geproduceerd. Dat betekent dat de wereld van Kikker en Pad naast zwart, wit en grijs uitsluitend in groen en bruin is opgetrokken, een kleurenschema dat de natuurlijke staat van de hoofdpersonen overigens uitstekend past. Bij Uil thuis zien we slechts bruin, geel en oranje en precies zo moet het eruit zien. Geen moment vraag je je af waarom Uils kamerjas niet turquoise is of zijn fauteuil wijnrood.
Juist in de bescheidenheid van Lobels art work moet waarschijnlijk de reden gezocht worden voor het feit dat de kunstenaar niet echt mee is opgestegen naar het internationale Walhalla van de prentenboekenmakers. Maurice Sendak, Tomi Ungerer, Eric Carle, Janosch, Max Velthuijs, Tony Ross en John Burningham, het zijn de reuzen van het hoogglanspapier, de vierkleurendruk en de wereldwijde coproduktie. Van hun werk werden knuffelbeesten, kalenders, prentbriefkaarten en tekenfilms gemaakt.
Lobel hoort in die wereld niet werkelijk thuis. Wel verfilmde poppenmaker en animator John Matthews verschillende Kikker-en-Padverhalen met grote toewijding en inventiviteit. Vooral van Muizensoep - in Sheherazade’s voetspoor vertelt een muis malle verhalen aan de Wezel, voor deze hem in de soep verwerkt - maakte hij een briljant met zang en dans opgesierde animatie, waarin Lobels oorspronkelijke eenvoud volstrekt intact blijft. (Hopelijk is de VPRO zo vriendelijk het filmpje nog eens opnieuw uit te zenden.)
Eenmaal viel Arnold Lobel de hoogste eer ten deel die er voor een Amerikaanse illustrator is weggelegd. In 1981 ontving hij de Caldecott-medal voor zijn Fabels, een groot formaat vierkleurenprentenboek met twintig nieuw bedachte fabels, inclusief een moraal. De illustraties zijn beschaafd en de verhaaltjes bevatten de nodige wijsheid en hier en daar een grapje, maar mij is het allemaal veel te bedacht en geconstrueerd: keurig, maar zo dood als een pier.
Een fabel steekt met kop en schouders boven de andere uit. Vader olifant zit de krant te lezen en daarom moet zijn zoontje ophouden met zingen, want 'papa kan maar aan een ding tegelijk denken’. Na enige tijd raadt zoonlief de vader aan dan niet langer aan de krant, maar aan de pantoffel aan diens linkervoet te denken. Vader meent dat de krant oneindig veel belangrijker is dan zijn pantoffel. 'Dat kan wel zijn’, zegt de zoon, 'maar uw krant staat niet in brand van de as van uw sigaar, en de pantoffel aan uw linkervoet beslist wel!’ Moraal: 'Goed kijken is minstens zo belangrijk als veel weten.’ De bijgaande prent toont vader olifant met een leesbril op zijn slurf verdiept in de Daily Trumpet, terwijl zijn bedeesde zoon (alweer iemand in kamerjas en pyjama) staat te staren naar de vlammende pantoffel. Vader zit in een gemakkelijke fauteuil. Voor mij kan dat geen toeval zijn: dit is de mooiste prent uit het hele boek en dus staat er een leunstoel op, zo'n ouderwetse, van de kapok enigszins uitpuilende zetel.
HET IS DE CRAPAUD die past bij het krullerige ledikant, de schemerlamp, de pendule, de kandelaber, de olielamp en het open vuur die elke door Lobel geschetste huiselijke situatie aankleden. Het is de bolle stoel die hoort in het huis van de Pools- joodse grootouders waar de tekenaar werd grootgebracht. Het is de leunstoel die symbool staat voor veiligheid en beslotenheid en die opduikt op de meest belangrijke momenten. Uil drinkt er zijn tranenthee en slaapt er wanneer hij zijn bed niet meer in durft. Vader muis zit er uitgevloerd naast zijn vrouw, nadat hij hun zeven kinderen met zeven verhalen eindelijk stil heeft gekregen. Kikker en Pad vertellen er elkaar hun griezelverhalen en ook Sebastiaan Big zit met zijn vader en het drakenboek in zo'n omarmend zithol. Het is precies zo'n stoel waarin kater Simon (uit Kattekrabbels) met een boek op schoot een tukje doet. In de opeenvolgende prentjes ontwikkelt de stoel vleugels en zweeft door het raam de wijde verten tegemoet.
Graag zie ik er Lobel zelf in, na zijn veel te vroege dood ten hemel varend. Niet de grote hemel van de vierkleurendruk, maar een gezellig zijportaal, waar de open haard brandt en waar uitsluitend de allerbeste kinderboekenmakers binnen mogen. En dieren natuurlijk.