Boekenbom

Het werd uiteindelijk een van de mooiste avonden van mijn leven. Twee strenge vriendinnen en twee vriendelijke vrienden togen richting Beurs van Berlage, waar de plechtige en toch voor iedereen bezienswaardige Ako-ceremonie zou plaatsvinden. Een van hen behoorde tot de genomineerden. Ik bleef thuis.

Ik zette de televisie aan en zag Sonja Barend op straat in de nachtelijke kou, omringd door mensen onder wie velen zonder jas, de prijs op het hoekje van de Dam toekennen. Op het moment dat er luid om het zesde lid van de genomineerden geroepen werd, belde dat lid mij op om te zeggen dat er niets aan de hand was, dat zijn twee strenge vriendinnen, zijn vriendelijke vriend en hijzelf rustig met een fles wijn in een brasserie aan het Damrak de bom afwachtten.
Een klein uur later stonden mijn twee strenge vriendinnen en twee vriendelijke vrienden vrolijk op de stoep. Ze waren de menigte rond Sonja niet tegengekomen. Ze waren door de politie uit de brasserie verdreven. Er werd verhaal gedaan: hoe ze gevieren bedaard het pand hadden verlaten, hoe ze hadden geweigerd de politie-instructies te volgen door zich ‘aan de overkant op te stellen’. Hoe ze van de politieagenten die het hele Damrak hadden afgezet hoorden dat het om 'autochtone cellen’ ging. Wij vroegen ons af wat 'autochtone cellen’ in godsnaam konden zijn. Het zou te maken hebben met de wens de binnenstad autovrij te maken.
Het debat aan tafel ging vervolgens over hoe taalverloedering mensen laat denken dat 'autochtoon’ of 'autonoom’ over de auto gaat en hoe een van de vriendelijke vrienden er rotsvast van overtuigd bleef dat de betrokken genomineerde de bommelding op z'n geweten had door in zijn opgeplakte microfoontje dat allang doof was voor de televisietechnici te roepen: 'Jongens, de bommen voor de staatsgreep liggen klaar.’ De avond eindigde met een tango op mijn vloer. De genomineerde veertigduizend gulden armer (na aftrek van de belastingen), een van mijn twee strenge vriendinnen een optreden op televisie kwijt, een zooitje waren we, maar vrolijk waren we.
Natuurlijk gaat het allemaal om de relatie tussen televisie en literatuur. Schrijvers in een armzalig plukje op straat, als de marionetten van het nieuws. Want een Ako-prijsuitreiking ís kennelijk nieuws, dóór moet het gaan. Bij een bommelding in een voetbalstadion wordt de wedstrijd niet op de parkeerplaats afgewerkt: er worden maatregelen getroffen. Zou Youp van ’t Hek na een bommelding in Carré zijn conférence op de Magere Brug afsteken?
Schrijvers hebben zo langzamerhand geleerd dat ze in de buurt van de camera moeten staan om mee te tellen. Dat is niet hun vak en niet hun 'fort’. Ze schrijven in stilte hun boeken, in het openbaar verschijnen ze omdat ze van hun werk houden en willen dat andere mensen dat ook doen. Maar waar ligt de grens? Hoeveel kunnen ze met zich laten sollen, al is het allemaal voor De Literatuur? Ze leveren zich wèl over aan een medium dat voor literatuur een diepe minachting heeft.
Ik was trots op mijn twee strenge vriendinnen en mijn twee vriendelijk vrienden onder wie een genomineerde: ze hebben niet aan het marionettenspel meegedaan. Bij mij thuis richtten we het Literair Bevrijdings Front op. Naar de daders van volgende bommeldingen hoeft niet te worden gegist.