Ger Groot

Boekenplank

Lastig te vertalen: The Book on the Book Shelf (uitg. Knopf), gevonden in de ramsj bij Scheltema. Het boek over of op de boekenplank? Verwijst het eerste «boek» naar het onderwerp of naar zichzelf? Bij lezing blijkt: naar beide, naar boeken zowel als de tot hun rangschikking dienende hardware. Boekenplanken, -kasten, -molens, -kamers en -steunen — het komt er allemaal net zo goed in voor als de boeken zelf, die mee veranderen mét de uiteenlopende technieken waarmee ze worden opgeborgen.

De postmoderne lezer ziet in de titel dan ook onwillekeurig een kunstige mise-en-abîme: The Book on (the Book on) the Book Shelf. Het omslag nodigt daartoe nog eens extra uit. De frontale afbeelding van een rij ruggen is aan de onderkant zo bedrieglijk licht-beschadigd dat je zoekt naar een tweede, ogenschijnlijk onbeschadigd exemplaar in het stapeltje. Want boeken over boeken en hun parafernalia zijn onweerstaanbaar, hoe onbekend de auteur Henry Petroski ook zijn mag. Maar de vermelding dat hij ook de schrijver is van The Pencil en The Evolution of Useful Things boezemt vertrouwen in.

Waarom koop je zo’n paperback blindelings? Niet uit bibliofiele verering voor het boek, dat — wat mij betreft — een gebruiksvoorwerp is. Het zijn ook geen bijzonder mooie boeken die op Petroski’s kaft staan, maar kennelijk gaat er van zo ongeveer alles wat ingebonden of -genaaid is een magische werking uit. Niet vanwege het odium van geleerdheid, dat op zijn retour lijkt. Geen lezer zet zijn boekenkasten nog als trotse versiering in de woonkamer. Alleen de televisie kiest bij geïnterviewde geleerden nog voor een decoratieve bibliotheekachtergrond. Het is het ongewilde bewijs van de vervreemding tussen twee culturen.

Petroski beschrijft de alledaagse fascinatie van lezers voor hun boeken aanstekelijk, maar ook de zorgen en de sores die daarmee gepaard gaan. Hoe zet je boeken neer op de planken waarop ze, zelfs in de meest leesgrage omgeving, 95 procent van hun tijd zullen slijten. Rechtopstaand kwam pas in de mode aan het einde van de Middeleeuwen, leert hij in zijn historische tocht van hoedendoos (om perkamentrollen in te bewaren) tot e-book.

Belangrijker nog: hoe krijg je ze er weer vanaf, vooral wanneer ze elkaar knellend gaan verdringen? Er is ooit een springveermechanisme voor uitgevonden. Hoe vind je in huis voldoende ruimte voor de kasten, die zich op hun beurt als konijnen plegen te vermenigvuldigen? Niet ieder kan tenslotte Pepys’ draconisch mathusianisme (voor ieder boek erbij één boek eruit) over zijn hart verkrijgen. Hoe ver mag je de draagkracht van de vloeren tarten: het angstige probleem van de bewoner van een ouder huis dat in dit boek vreemd genoeg niet ter sprake komt.

Wel wijdt Petroski een hele appendix aan het heikele en nooit geheel tot bevrediging opgeloste probleem van de rangorde op de boekenplank. Per auteursnaam — zodat een dichtbundel naast de belastinggids staat? Per onderwerp — maar wat hoort waarbij en wat niet? Of per grootte (voor een optimale boekendichtheid per kast, vooral geschikt voor magazijnen)? Per kleur (voor de salonboekenkasten van niet-lezers)? Of nog exotischer: per volgorde van aankoop, van publicatie of (voor mensen met systeemdwang) per ISBN of het decimale stelsel van Dewey?

Het kan ook omgekeerd, volgens de voorkeuren van het gemoed: op volgorde van sentimentele waarde of leesplezier. Of naar het criterium gelezen/ongelezen, al lost zo’n enkelvoudig verschil weinig op, of van afkomst: gekocht, gekregen, gevonden, ontvangen als recensie-exemplaar of als promotie.

Het lastigste probleem is dat van de twee zielen. Hoe voeg je de bibliotheken samen wanneer het moment aanbreekt van hokken of huwen? Gelukkig de echtverbintenis van gemengde talen, zodat de respectieve collecties linguaal gescheiden kunnen blijven. Of van hen wier belangstelling zozeer uiteenloopt dat promiscuïteit in de boekenkast is uitgesloten. Maar — denkt de boekenliefhebber — kan zo’n huwelijk ooit wat worden?

Merkwaardig afwezig in Petroski’s boek is dan ook de ultieme catastrofe van het gemengde boekenbezit: de scheiding. Willem-Jan Otten heeft de traumatische ervaring daarvan in De letterpiloot aangrijpend beschreven. Hij is een jaar of acht en komt de kamer binnen. Zijn ouders staan voor de boekenkast. Eén van hen vraagt: «Naar wie gaan de Russen?»